Het tijdschrift krijgt vorm

Langs de Zijderoute; tekening Shen Fei
Langs de Zijderoute; tekening Shen Fei

Afgelopen donderdagavond. De klok van de middeleeuwse Walburgiskerk in Zutphen heeft net tien uur geluid en ik zit op het terras van mijn hotel, met een glas bier en mijn laptopcomputer. Het is wellicht wat vreemd dat ik op dit moment van de dag nog zit te werken – en laten we wel wezen: het is wat vreemd – maar het is een fijne manier om een welbestede dag te beëindigen.

De laatste weken hebben we veel gedaan om Ancient History Magazine te maken. Ik bedoel dan niet het eerste nummer, maar het eigenlijke tijdschrift, dat een herkenbaar eigen gezicht moet hebben. We hebben beslissingen moeten nemen over de thema’s waaraan we aandacht wilden besteden, we hebben uitgevogeld hoe we onze informatie zouden aanbieden, we hebben abonnees en adverteerders moeten werven, we hebben nagedacht over de lay-out, we hebben een nulnummer gemaakt, we hebben nieuwe illustratoren aangezocht. Mensen als Shen Fei en Ken Broeders, die hun sporen wel hebben verdiend en wier werk u leuk zult vinden. En zij hebben moeten ontdekken hoe is om met ons samen te werken. De bijgevoegde illustratie is overigens van Fei; over Broeders heb ik al eens eerder geschreven.

Ondertussen hebben we het eerste nummer voorbereid. (En het tweede, over Caracalla, en het derde, over Pergamon, en het vierde, over het vroegste Egypte.) Het is echter pas sinds begin augustus dat we ons echt kunnen concentreren op ons debuutnummer over ontdekkingsreizen. Woensdag en donderdag hebben we echt vooruitgang kunnen boeken. Drie artikelen staan nu min of meer klaar, één auteur heeft zijn eerste proef al ontvangen. De anderen zullen nog even moeten wachten, maar we zijn veel verder dan twee weken geleden.

Wat mag u verwachten? Het eerste nummer opent met een prachtige landkaart, vervaardigd door Maxime Plasse, waarop de zeven ontdekkingsreizen staan getoond die we aan de orde stellen. Judith Weingarten zal vertellen over koningin Hatshepsut en haar expeditie naar het land Punt. De eeuwige vraag “Waar ter wereld lag dat land Punt?” zal een antwoord krijgen. Bereid jezelf voor op een verrassing, niet over de locatie, die niet onverwacht is, maar over de methode. Murray Dahm heeft een heerlijk stuk geschreven over de reis van Hanno van Karthago. Ik houd van dit artikel, want het draagt echt het gevoel van avontuur en opwinding over dat we in ons eerste nummer willen hebben. Oudheidkunde is een intellectuele ontdekkingsreis. Johnny Shumate heeft zich ingespannen om ook een illustratie te maken die dat gevoel overdraagt.

De wereldkaart van Herodotos heeft, om eerlijk te zijn, niets met het reizen zelf te maken. Het is er de neerslag van. Niettemin: de onderzoeker uit Halikarnassos heeft noordelijk Egypte en zuidelijk Skythië bezocht. Owen Rees’ artikel toont dat het avontuur niet alleen iets te maken had met reizen, maar ook met het breken met de dominante ideeën van de eigen cultuur. Mijn eigen bijdrage aan dit nummer gaat over de Wierookroute: weliswaar ook geen echte ontdekkingsreis, maar het maakt – naar ik hoop – inzichtelijk hoe reizen en reizigers de wereldgeschiedenis beslissend kunnen veranderen.

Terug naar de echte ontdekkingsreizigers, naar de mensen die door Fernweh werden gedreven. Joe Hall schreef een heerlijk stuk over Pytheas van Marseille, die zocht naar de Tin-eilanden en Thule vond. Opnieuw zal het mysterie van het einddoel worden opgelost. Dit is overigens het artikel met de beste slotzin. Eudoxos, die zowel de Indische als de Atlantische Oceanen verkende, is het onderwerp van de bijdrage van Edwin de Vries: een fascinerend verhaal over moessonwinden en oceaanstromingen. Tot slot is er Sidney Dean, die u meeneemt naar Centraal-Afrika, met de Romeinen op zoek naar de bronnen van de Nijl. Hij toont u hoe er verschillende theorieën zijn over de vraag “how low did they go?”

Daarnaast biedt ons debuutnummer een stuk over de “Dark Age” van het oude Medië, geschreven door Daan Nijssen. Lucas Petit van het Rijksmuseum van Oudheden vertelt over een voorwerp uit de collectie waarvan wel was aangenomen dat het een vervalsing was, maar dat echt en uniek blijkt te zijn. De Romeinse vigiles vormen het onderwerp van een stuk door Mark McCaffery en een heel gedetailleerde tekening van Angel Garcia Pinto. Christian Koepfer vertelt over een Romeinse wijnhandelaar in Beieren en Nicola Bergamo heeft het over een Byzantijnse wagenmanner (met een gave tekening door Fabrice Weiss. Mijn goede vriend Richard Kroes – geen onbekende voor de lezers van deze kleine blog – zal een wonderlijke Bijbelpassage behandelen met informatie uit zo’n beetje elke oudheidkundige subdiscipline.

U mag rekenen op boekrecensies (denk aan Ugarit) en onze rubrieken “The Number”, “On the cover” en “How do they know?”, waarin we uitleggen hoe we weten wat we denken te weten. Twee pagina’s zijn gewijd aan de lijst van degenen die onze Kickstartercampagne hebben gesteund: ze verdienen hun eervolle vermelding, want dat het eerste nummer nu concreet zichtbaar kan worden, komt natuurlijk dankzij het geld van ruim vijfhonderd mecenassen, die belang stelden in een tijdschrift dat de héle Oudheid behandelt, met gebruikmaking van inzichten uit álle disciplines.

Kortom: ons eerste nummer – vierentachtig bladzijden boordevol onderhoudende, boeiende informatie – wordt geweldig en ik ben dankbaar aan degenen die ons helpen bij het opstarten: de auteurs, de tekenaars, de donateurs. Het was mooi om de afgelopen dagen het eerste nummer vorm te zien krijgen. Minstens even mooi was het nieuws dat we al bijna een derde van het aantal abonnees hebben dat we nodig hebben om “break even” te halen. (Als u nog geen abonnement hebt, neem het hier.) In een tijdvak waarin weinig goeds over de humaniora valt te melden, is het een voorrecht erbij te mogen zijn als iets nieuws en moois begint te ontstaan.

Een Renaissance zullen we er niet mee ontketenen. De lezers van deze kleine blog weten dat ik zou willen dat de universiteiten hun maatschappelijke taak weer gaan uitvoeren: de geesteswetenschappen overleven niet als er geen “tweede niveau” komt waarin de methode beter wordt uitgelegd. We hebben behoefte aan meer en betere websites. Dit tijdschrift zal al die lacunes niet dichten, maar kan wel tonen dat een publiekstijdschrift succesvol kan zijn en zo einde maken aan het défaitisme waarmee zo vaak wordt aangenomen dat niemand zich bekreunt om de oude wereld.

Optimisme dus. Voorzichtig optimisme, zeker, en optimisme over een klein projectje, dat ook, maar toch: optimisme. Een aanleiding om het glas op te heffen. En dus nam ik nog een biertje, op het terras van mijn hotel in Zutphen. De klok van de Walburgiskerk had net middernacht geslagen. Het was tijd om naar bed te gaan. Dit waren mooie dagen geweest.

Een gedachte over “Het tijdschrift krijgt vorm

Reacties zijn gesloten.