Jezus en de schriftgeleerde

Schriftgeleerde met boekrol (Catacombe van Petrus en Marcellus)

[Ik kreeg een erg aardig commentaar – zeg maar gerust een verbetering – van Cees van Veelen op mijn eerdere stukje over het gesprek tussen Jezus en de schriftgeleerde. Ik geef het met plezier aan u door.]

Op 5 november schreef Jona een blog over hoofdstuk 11 en 12 van het Evangelie van Marcus: de gesprekken van Jezus op het tempelplein met diverse mensen en groepen. In het bijzonder wijst Jona op het zeer positieve gesprek tussen Jezus en een van de Schriftgeleerden. Dit gesprek valt inderdaad erg op. Positieve uitspraken over Farizeeën komen vaker voor, zeker in de bijbelboeken Lucas en in Handelingen (beide van dezelfde auteur), maar over Schriftgeleerden wordt zelden iets goeds gezegd. Ook in het vervolg van het spreken op het tempelplein klinkt het onaardig over Schriftgeleerden. Jezus waarschuwt daar voor hen die “zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein, en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden”.

Jona maakt zich enthousiast over de verschillende bronnen die in dit deel van het Marcusevangelie te herkennen zijn. Hij schrijft:

Kijk, van dit soort geklungel, daar geniet een historicus nou van. Wat we hier namelijk zien, is dat de auteur van het Marcusevangelie, die ergens kort voor of na het jaar 70 heeft geschreven, enkele hem bekende verhalen achter elkaar aan het plaatsen is en er niet in slaagt ze echt elegant met elkaar te verbinden.

Nu meen ik in het geheel wel een heldere literaire structuur te ontdekken, waardoor de verschillende verhalen wel op logische wijze met elkaar verbonden zijn. Of het elegant is, is vers twee, maar in ieder geval is er wel logica in te ontdekken.

Jona deelt het verhaal in zes delen in.

  1. Hoofdstuk 11.27-33: Discussie met hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten over de bevoegdheid, de autoriteit van Jezus.
  2. Hoofdstuk 12.1-12: Gelijkenis over de eigenaar van een wijngaard en zijn zoon, afgesloten met het vertrek van hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten.
  3. Hoofdstuk 12.13-17: Discussie met Farizeeën en Herodianen (Dat die twee groepen samen optrekken is heel apart) over belasting betalen, uitlopend op de conclusie van Jezus: “Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort” en vragenstellers die niets meer weten te zeggen.
  4. Hoofdstuk 12.18-27: Discussie met Sadduceeën over de opstanding.
  5. Hoofdstuk 12.28-34: Gesprek met een Schriftgeleerde over het grote gebod.
  6. Hoofdstuk 12.35-40: Waarschuwing voor Schriftgeleerden.

Ik zou het verhaal in zeven delen verdelen. Over de eerste vijf zijn Jona en ik het helemaal eens, maar volgens mij is onderdeel zes vers 35-37, de vraag naar de juistheid/onjuistheid van de betekenis “zoon van David”, en is het zevende deel vers 38-44: de waarschuwing voor de Schriftgeleerden, meer precies: het contrast tussen de Schriftgeleerden die het huis van de weduwen leegeten en de weduwe, die heel haar vermogen geeft om het huis van God te onderhouden.

Mijn argument om tot vers 44 door te lezen is dat Jezus pas daarna het tempelplein verlaat. Mijn argument om na vers 37 een punt te zetten is dat elk van de verschillende stukjes eindigt met een reactie of een conclusie, en dat zie je in vers 37 ook: de hoorders reageren met “graag luisteren”.

Dus is mijn indeling:

  • Hoofdstuk 12:35-37: Vraag over de “Zoon van David”
  • Hoofdstuk 12:38-44: Schriftgeleerde als slecht voorbeeld, arme weduwe als navolgenswaardig voorbeeld.

Goed, als je zeven stukjes hebt, dan heb je ook een middelste stukje. En ik heb geleerd bij oude teksten om het midden van het verhaal te zoeken, omdat daar literair gezien de nadruk valt. Hier kom je dan uit bij de discussie over de opstanding. Dat is het centrale thema in de gesprekken in de tempel. En literair vind ik het sterk om in het optreden van Jezus in de week voor de kruisiging een gesprek over de opstanding centraal te stellen. Ik denk dus dat de volgorde van de zeven stukjes niet toevallig is en dat het gedeelte over de opstanding niet toevallig het middendeel is. De hele serie gesprekken op het tempelplein is een compositie, met onderdelen door de auteur op die plek neergezet, en bewust niet op een andere plek of in een andere volgorde.

Wel, als stukje vier het midden is, dan kijk je of er een onderlinge relatie is tussen de gedeelten eromheen, en wel deel drie en vijf. Mijns inziens vullen die delen elkaar perfect aan. In deel drie gaat het over “Aan God geven wat Hem toekomt”, en in deel vijf concreet de vraag: “Wat komt God toe, wat is het grote gebod dat je moet houden, zodat God krijgt wat Hem toekomt?” Daar wordt het klassieke joodse antwoord gegeven en Jezus kan het wat dat betreft niet oneens zijn met de klassieke joodse traditie, die Marcus hier laat verwoorden door een Schriftgeleerde, iemand die gepokt en gemazeld is in het doorgeven van die traditie.

Gedeelte twee en zes gaan beide over de zoon. In de gelijkenis is het de zoon van de eigenaar van de wijngaard. Iedere hoorder weet dat de wijngaard voor het land Israël staat. De eigenaar is de Eeuwige. Onhelder is wie die geliefde zoon in de gelijkenis is. Dat is eigenlijk een mysterieus figuur. In deel zes betoogt Jezus dat de Messias meer is dan “zoon van David”, al spelt hij niet uit hoe precies dan. Dat is een vorm die ook elders in de evangeliën wordt gebruikt, dat de auteurs met opzet enige mist laten hangen om de lezer in de gelegenheid te stellen tussen de regels door lezend te ontdekken waar het om gaat. Het gevolg is natuurlijk wel dat theologen al tweeduizend jaar met elkaar discussiëren wat zij tussen de regels door lezen. Dit houdt het vak boeiend.

Gedeelte één en zeven gaan mijns inziens over autoriteit en navolging. Het begint met de vraag naar de autoriteit van Jezus in gedeelte één. En in gedeelte zeven gaat het over het doen en laten van de Schriftgeleerden en hun autoriteit of gebrek daaraan. Jezus wijst hun doen en laten af. Hij waarschuwt:  “niet navolgen, ze eten de huizen van de weduwen op”. En als contrast met de Schriftgeleerde wordt de weduwe ten tonele gevoerd, die met haar bijdrage het huis van de Eeuwige mede in stand houdt. Dat is dus navolgingswaard.

Jona verbaast zich over het verschil in toen in deel vijf en zeven. Maar Jezus zegt ook ergens anders: “Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden.” De evangelist Mattheus heeft dit in zijn evangelie opgenomen in hoofdstuk 23.3. Met de woorden van de leiders is dus niet zoveel mis, voor zover ze de traditie doorgeven, maar hun handelswijze deugt volgens Jezus niet.

Uiteraard geeft Marcus niet een verbatim verslag van gesprekken op het tempelplein. Maar in mijn ogen selecteert en ordent hij zijn bronnen zeer zorgvuldig, zodat het thema Opstanding goed centraal staat.

[Cees van Veelen is theoloog.]

28 gedachtes over “Jezus en de schriftgeleerde

  1. Fascinerend! Marcus presenteert ‘geschiedenis’ als een verhalenverteller. In zekere zin doen we dat allemaal, maar het is mooi om je daar bewust van te zijn.

  2. M.J. Adema

    Uiterst interessant. Ik kijk nu ook met wat andere ogen naar al die theologische exegeses die uit de bibliotheek van mijn vader als erfenis waren gekomen. Ik kan die aan de straatstenen niet kwijt, maar misschien moet ik er eerst nog even in kijken als Monnickendammer beschouwer. 🙂
    Maar dat wordt dan wel een jarenprojectje, vrees ik.

  3. Luc Vanbrabant

    Gaf Jezus wel de conclusie die we zo vaak lezen?
    Marcus 12, 13-17 :…Daarop sprak Jezus tot hen: “Geef dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt.” En ze stonden verwonderd over Hem…
    Thomas logion 100 :…Geef Caesar wat van caesar is, geef God wat van God is en geef mij wat het mijne is…
    Een wereld van verschil toch?

    1. Thomas is elimineerbaar. De weggever is dat er wordt betaald met een goudstuk, zoals gangbaar in de vierde eeuw, en niet met een zilverstuk, zoals in de eerste eeuw. Het is alsof je twee bronnen hebt waarin koningin Wilhelmina betaalt met een gulden en met een euro. Welke acht je het betrouwbaarst?

  4. FrankB

    “zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein, en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden”.
    Oh, deze is leuk. Want al eeuwenlang is dit in kerken van allerlei denominaties een gebruikelijk spektakel.

    “En ik heb geleerd bij oude teksten om het midden van het verhaal te zoeken, omdat daar literair gezien de nadruk valt.”
    Scherpzinnig, fascinerend, interessant, mooi en helder of niet, dit vraagt om empirische bevestiging. Want scherpzinnig enz. zijn niet synoniem met correct.

    1. Gherardus Havingha

      “Het gevolg is natuurlijk wel dat theologen al tweeduizend jaar met elkaar discussiëren wat zij tussen de regels door lezen.”

    2. Johan Leestemaker

      @FrankB

      1. U legt u-zelf met uw redenering klemvast in een ‘dubbele-Nelson’.

      Immers, dat waar-‘om’ u ‘vraagt’, wordt zonder meer overtuigend door de heer Van Veelen aan u en ons als zijn overige lezers geleverd. (Zie diens empirische bewijsvoering).

      Ergo: u overvraagt.

      2. Naar ik vermoed, doelt uw vraag op iets geheel anders. Namelijk, is er empirisch en ook theoretisch bewijs voor de ‘kracht’ van de stijl-figuur ¨het midden van een verhaal, als een zwaartepunt in de spanningsboog van een verhaal-lijn¨?

      Ik verwijs u graag naar informatie die ontleend kan worden aan wiki. Onder de titel ¨In medias res¨ vindt u de data en de verwijzing waar u zo koortsachtig naar op zoek bent, en waar Van Veelen indirect op attendeert met zijn verwoording ¨ik heb geleerd bij oude teksten om het midden van het verhaal te zoeken, omdat daar literair gezien de nadruk valt.¨

      3. Misschien dan kunt u, FrankB, ons eens verrassen met een betoog over en analyse van de Ars Poetica en uzelf bevrijden uit uw zelf-beknelling?

      b.à.v. JL

      1. “En ik heb geleerd bij oude teksten om het midden van het verhaal te zoeken, omdat daar literair gezien de nadruk valt”.

        Dat zal misschien voor oudheidkundigen een open boek zijn, voor mij als niet-deskundige komt dit toch enigszins uit de lucht vallen. Een aangezien Jona (terecht) wil dat je uitlegt hoe je daar aan komt in plaats van het als vanzelfsprekend te beschouwen vraagt FransB naar nadere voorbeelden daarvan. Lijkt me niets mis mee.

        Als wiskundige heb ik nog wel wat verstand van logica. “Immers, dat waar-‘om’ u ‘vraagt’, wordt zonder meer overtuigend door de heer Van Veelen aan u en ons als zijn overige lezers geleverd. (Zie diens empirische bewijsvoering)” Nee, het betoog van Van Veelen gaat uit van “in media res” en leidt daaruit een verklaring af. Prima, maar dat wil niet zeggen dat de verklaring het uitgangspunt bewijst. Integendeel, je moet het uitgangspunt juist onafhankelijk van die verklaring aannemelijk maken.

        1. FrankB

          En als natuurkundeleraar ben ik gewend dat empirische data een dergelijk uitgangspunt aannemelijk kunnen maken – zo komt men aan bv. de Oerknal. Nu zullen in de oudheidkunde empirische data een ander karakter bezitten (JL de Eerste blogt daar regelmatig over) dan in de natuurkunde en ook een andere relatie tot de geponeerde hypothese; daarom gebruikte ik een zo ruim mogelijke term.

      2. FrankB

        @JL de Tweede

        “(Zie diens empirische bewijsvoering).”
        U mag mij gerust dom noemen, want precies dit heb ik wellicht gemist.

        “Ik verwijs u graag ….”
        Van iemand die zo dom is dat hij bovenstaande miste kunt u natuurlijk niet verwachten dat hij dat helemaal zelf vindt en al helemaal niet als hij aan koorts lijdt.

        “Misschien dan kunt u …..”
        Misschien kunt u eerst aan een lagere school leerling vragen om een differentiaalvergelijking op te lossen?

      1. FrankB

        Dat is nou net de taak van de oudheidkundige (en de theoloog die zich aan oudheidkunde waagt). Begrijp me goed, ik zeg niet dat het allemaal fout is. Dat zeg ik van de snaartheorie ook niet. Die is ook fascinerend enz. – maar elke natuurkundige is bekend met het tot dusver onoverkomelijke probleem haar bevestigd te krijgen. Vraag hem/haar of ze correct is en een antwoord van minder van twintig woorden te geven en we krijgen te horen: “We weten het niet.”

  5. Een waar genoegen om (weer eens) iets van Cees van Veelen te lezen. Scherpzinnig en kundig zoals ik me hem herinner en een schitterende toevoeging op Jona’s bijdrage. “It made my day”!

  6. Dirk

    “In media res” ken ik niet. Wel “in medias res”, maar dat betekent dat je je verhaal midden in de actie laat beginnen. Die uitdrukking gaat dus niet op voor de stijlfiguur die Marcus zou toepassen.

    De analyse hierboven gaat ervan uit dat Marcus zijn verhaal bewust zo geconstrueerd heeft met de Opstanding in het midden en tegenstellingen eromheen. Dat wordt geloofwaardiger als we weten dat dit procedé meer werd toegepast in vergelijkbare teksten. Nog plausibeler wordt het als we bij Marcus zelf andere voorbeelden vinden.
    In “The Literary Guide to The Bible” stelt John Drury dat Marcus’ evangelie aanleunt bij volksverhalen, die hij omschrijft als: “They are lean, close and complex in articulation, with a precision we tend to associate with sience rather than with art. They are almost formulaic. Everything in them matters and has functional relationship to every other thing”. Dat pleit mijns inziens voor de mogelijkheid van dat soort doordachte symmetrieën.

    Tenslotte gaat het, zoals zo vaak bij literatuur waarvan je de auteur niet meer kan bevragen, om interpretatie. Dat maakt literatuurstudie interessant, maar bijwijlen frustrerend als je op zoek bent naar harde bewijzen en éénduidige antwoorden.

    1. FrankB

      “Dat wordt geloofwaardiger als we weten dat dit procedé meer werd toegepast in vergelijkbare teksten.”
      Kijk, dat is het soort empirische bevestiging waar ik om vroeg. Ik had het erg leuk gevonden om een paar vergelijkbare voorbeelden te zien.

  7. Johan Leestemaker

    @ Joost van den B; Jos H; Dirk

    1. Dank voor uw commentaren. Daardoor besef ik goed nog niet de kern te hebben geraakt van wat ik wilde betogen. Ook besef ik daardoor de bewijsvoering die ik meen te kunnen onderscheiden in het betoog van de heer Van Veelen, nog niet voldoende te helpen verdedigen.

    2. ¨Ïn medias res¨, schrijft Dirk, ¨betekent dat je je verhaal midden in de actie laat beginnen.¨ Accoord, en daar verwijst de uitleg op de betreffende wiki pagina eveneens naar.

    3. Maar, en het is een afgeleide bewijsvoering lijkt me (Joost s.v.p. help…), als er dan al sprake kan zijn van ¨in medias res¨ dan is er kennelijk een continuum te onderscheiden waarin zonder meer ook sprake kan zijn van een ‘middenpunt’, of een ‘middengebied’. Dat ‘continuum’ is, vermoed ik zo, het allerbest aan te duiden met de combinatie van de ‘verhaal-lijn’ en met de
    mate van daarin te ondescheiden ‘spannings-boog’. Als dat zo is, dan is het dus interessant te weten wat de menselijke geest ‘ervaart’ als ‘boeiend’, wat de elementen en de tijdsmomenten zijn waarop, doro de bank genomen, de menselijke geest als essentieel ervaart in de spanningsboog in een verhaallijn.

    Het lijkt me dat Van Veelen naar die kunde en kunst verwijst, Daarin staat hij niet alleen, het volstaat omeens wat te zoeken op internet naar toelichtingen op spanningsbogen (kwaliteiten) in verhaallijnen.

    4. Ik vind de volgende uitleg van mevrouw Marja Duin mooi:
    https://www.marjaduin.nl/het-geheim-van-de-spanningsboog/

    5. Maar met evenveel recht kan men denken aan de schilderkunst (triptieken, met de essentiële middendelen) of aan muziekcomposities. Er zijn ongetwijfeld onder u experts die daarover meer kunnen schrijven.

    6. Dat men, zoals in ¨in medias res¨, middengedeeltes ook naar ‘voor’ of naar ‘achter’ kan schuiven op tijdslijnen lijkt mij niet meer dan (soms wat frivole) actie van de kant van actores, tot de wilde vrijheid van ´cut-up´ en plak-acties zoals bijvoorbeeld Ivo Michiels gewoon was te doen. (Zie bijvoorbeeld ‘orchis militaris’).

    7. Bij sommige delen van bijbelteksten krijg je wel eens het gevoel dat er vele cut-up voorgangers aan de slag waren. Om maar te zwijgen over ‘schriftgeleerden’ die hap snap citeerden of erger.

    8. Van Veelen laat, althans mij overtuigend, zien dat dat bij de tekst die hij beschouwt zeker niet het geval was.

    b.à.v. JL

  8. Henk Smout

    Het artikel ‘Gustave Doré’ in de Franse Wikipedia heeft ook een foto van zijn graf.
    Dat graf heb ik bijna dertig jaar geleden ontdekt op een andere plaats dan op de aldaar destijds gekochte plattegrond van ‘Père Lachaise’ stond aangegeven.

      1. Henk Smout

        Dat kan ik nu niet meer nagaan, het was wel in de buurt van de aangegeven locatie, alleen klopte het niet precies.
        En ik weet uit ervaring dat het zinloos is om aan portiers of suppoosten te vertellen dat een of ander onjuist is.

  9. Johan Leestemaker

    Met mijn welgemeende excuses voor gemaakte schrijf/spellingsfouten, de instabiliteit van internet hier in Medellín staat mij niet toe een tekst relatief lang in dit ‘reactie-frame’ te laten staan en op fouten na te lopen. Alternatief zou zijn een tekst voor te bereiden in de tekstverwerker en dan naar dit frame te copiëren. Nog veel mooier zou zijn een mutatie-functie voor de auteur van een reactie, inclusief uiteraard voor onze moderator.

    JL

  10. gmknepper

    Toch zit er in Cees’ indeling iets willekeurigs. Hij verdedigt die indeling o.m. door er op te wijzen dat elke deel eindigt met een ‘reactie of een conclusie’. Maar halverwege “zijn” deel 7 (vs. 40b) staat, na de waarschuwing voor de schriftgeleerden, toch eveneens een duidelijke conclusie: ‘over die schriftgeleerden zal strenger geoordeeld worden dan anderen’, ook nog eens gevolgd door een duidelijk caesuur waarbij Jezus gaat zitten tegenover de offerkist en kijkt hoe de passanten daar geld in gooiden.
    En er lijkt op z’n minst ook een goede reden te zijn om Cees’ deel 6 en deel 7 als één deel te beschouwen; weliswaar staat er halverwege dat deel ‘de talrijke aanwezigen luisterden graag naar Jezus’, wat inderdaad een reactie is (maar hoe sterk is dat argument eigenlijk? zie mijn vorige opmerking), maar in deel 6 is een opvatting van de schriftgeleerden voorwerp van Jezus’ kritiek, terwijl deel 7 op die schriftgeleerden doorborduurt: pas dus voor ze voor op! Kortom: deel 7 sluit m.i. naadloos aan bij deel 6 (vgl. ook het herhaalde woordje “onderricht” in deel 6 en deel 7. Voor de duidelijheid: ik betoog niet dat Cees ongelijk heeft; ik vind het een knap beredeneerde structuur. Maar ik ben er nog niet helemaal van overtuigd dat Marcus daar achter zit.

  11. Over empirisch bewijs gesproken: dit gaat natuurlijk niet over in medias res, maar over ringcompositie. Die past Marcus regelmatig toe. Zie bijvoorbeeld het feit dat een blinde genezen wordt aan het begin en aan het einde van het middendeel, 8:22vv en 10:46vv. Of dat Jezus aan het begin van het lijdensverhaal over de zalving voor zijn begrafenis spreekt en aan het einde daadwerkelijk begraven wordt, maar zonder zalving. En het onderhavige gedeelte kun je indelen in drieën: Jezus’ provocatieve optreden in en visie op de tempel (11:1-26), onderricht in de tempel met verschillende confrontaties (11:27-12:44), en eschatologische rede over de tempel (13).

    Maar als je dit verder door gaat voeren moeten er wel duidelijke literaire markeringen zijn om verschillende gedeelten te onderscheiden of juist met elkaar te spiegelen. Gert Knepper wijst er al op dat het vermeende 6e en 7e deel nauw met elkaar verbonden is door het thema ‘schriftgeleerden’ en ‘onderricht’. Ik zou nog willen aanvullen dat verschillende andere gedeelten ook bij elkaar horen:
    – gedeelte 1 en 2 lopen in elkaar over. De gelijkenis is voor de hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden bedoeld. Zij reageren er ook op zonder dat ze opnieuw worden geïntroduceerd. Gedeelte 11:27-12:12 vormt dus een literair geheel.
    – Gedeelte 3 heeft nog verbinding met het voorgaande voort doordat de laatste tegenstanders enkele afgezanten sturen, maar het is duidelijk een nieuwe inzet. De Farizeeën en Herodianen stellen een politiek-theologische vraag.
    – Gedeelte 4 gaat over de theologische kwestie over de opstanding in verband met de uitleg van de wet. Overeenkomst met het voorgaande is dat hier ook een specifieke groep aan het woord komt en een soort strikvraag gesteld wordt.
    – Gedeelte 5 sluit nauw aan bij het voorafgaande, omdat de schriftgeleerde in het publiek staat en zijn interesse gewekt is door het voorafgaande. De afsluiting gaat eigenlijk over gedeelte 3-5, omdat in deze gedeelten telkens een testvraag gesteld werd.
    – Gedeelte 6 (inclusief evt. 7) is weer anders omdat alleen Jezus onderricht geeft met de schriftgeleerden als rode draad. Overeenkomst met gedeelte 1-2 is dat de algemene groep ‘schriftgeleerden’ op het oog is, en ook de opmerking over Jezus’ populariteit bij de scharen.

    Ik zou dit gedeelte dus in drieën delen (zoals dat steeds bij Marcus gebeurt; dit is ook de indeling die de NBV kiest):
    – algemene confrontatie met autoriteiten over gezag, waarbij de gelijkenis over de zoon hoort en afgesloten met opmerking over het volk.
    – drie testvragen, waarbij de eerste wordt geïnstigeerd door de algemene autoriteiten en de laatste ook weer direct aansluit op de tweede. Afsluiting met de opmerking dat niemand meer durfde.
    – onderricht van Jezus over de schriftgeleerden, waarin het o.a. over de zoon gaat, en ook de populariteit bij de schare genoemd wordt.

    Ook hier valt weer wat op aan te merken, omdat de naad tussen mijn eerste en tweede gedeelte niet heel scherp is, en er wel weer en kleine cesuur zit tussen het eerste en het tweede testgesprek.

    Nu kun je tussen het eerste en derde testgesprek wel met enige goede wil thematische overeenkomsten zien: God en/of de keizer; God en de medemens; wat vindt God het belangrijkste. Er is ook een woordelijke overeenkomst, namelijk met ‘waarheid/oprechtheid’: ‘Meester we weten dat u oprecht bent en u geeft in alle oprechtheid onderricht’ en ‘meester, wat u zegt is waar’. In het eerste geval geveinsd, in het tweede geval oprecht.

    Maar of er een speciale betekenis zit in de centraliteit testgesprek over de opstanding? Cees van Veelen zegt dat het “literair sterk [is] om in het optreden van Jezus in de week voor de kruisiging een gesprek over de opstanding centraal te stellen.” Dat kan, maar ik zie er nog geen overtuigende aanwijzing voor. Marcus kon het ook niet in een andere volgorde vertellen, omdat het eerste testgesprek nog literair vastzit aan de openingspassage (ged. 1-2), en de derde uit het tweede gesprek voortvloeit. Dat kan ook de reden zijn voor de volgorde: een zekere vertellogica. Tenzij je aanneemt dat de scenische verbanden tussen de gedeelten pas verzonnen zijn nadat Marcus de volgorde al bepaald had.

    Cor Hoogerwerf

    1. gmknepper

      Afgezien van de problematische stelling dat ‘bij oude teksten literair gezien de nadruk in het midden van het verhaal valt’: de ene opstanding is de andere niet. In Markus 12.18-27 heeft Jezus het over “de” opstanding, d.w.z. die aan het eind der tijden wanneer iedereen tegelijk ‘opstaat’. Precies dat feit veroorzaakt dan de strikvraag waarmee de Sadduceeën Jezus klem proberen te zetten: met wie van de broers is die vrouw dan getrouwd ten tijde van de algemene opstanding?
      Maar Markus (die 40 jaar na Jezus’ optreden schreef) wist heel goed dat de opstanding van Jezus niet samengevallen was met de algemene, aan het einde der tijden. Hoe Markus de relatie tussen beide soorten opstandingen ook gezien mag hebben, in Markus 12.18-27 (in de week voor de kruisiging) gaat het debat duidelijk níet over de opstanding van Jezus. Ook dát vermindert de waarschijnlijkheid dat deze passage binnen het grotere verband van Markus 11.27 – 12.44 de centrale plaats zou innemen.

  12. Dirk

    Ik lees verder bij Drury dat bij Marcus de Opstanding het centrale thema van zijn evangelie is, wat het plausibel maakt dat het in dit fragment ook bewust centraal staat. Als die antieken nu maar eens leestekens en alinea’s hadden gebruikt…

  13. Cees van Veelen

    Leuk om zoveel reactie op mijn schrijven te krijgen en te merken dat er meerdere vakbroeders in de zaal zijn.
    Een reactie op Gert: Inderdaad beginnen de Sadduceeën over de ‘algemene opstanding’ spreken en niet over de opstanding van Jezus. Dat is correct opgemerkt. Maar Jezus trekt het kleedje onder het concept ‘algemene opstanding weg door te verwijzen naar Abraham, Isaac en Jacob, en deze drie aartsvaders als levend te beschouwen: “God is een God van levenden.” Er zit dus iets meer muziek in dan dat er simpelweg twee verschillende ‘opstandingen’ zijn. Belangrijker lijkt me dat literatuur zó werkt, dat een woord dat in de ene context iets anders betekent dan in de andere, toch beide contexten oproept. Wie nu in de krant een bericht leest over de Romeinen, in de zin van de huidige bewoners van Rome, zal onwillekeurig ook in een flits aan de Oudheid denken. Daar ontkom je niet aan. Zo werkt tekst. Dus ook al hebben de Sadduceeën het niet over de opstanding van Jezus, het woord ‘opstanding’ roept ook die tweede context op.
    Een reactie op Cor: Wanneer een tekst een ringcompositie is wil dat niet zeggen dat de tekstgedeelten lineair gezien geen relatie hebben. Je laat zien hoe tekstgedeelten op elkaar aansluiten, daar geef ik je meteen gelijk in. Maar dat weerspreekt niet dat de tekst ook een midden heeft. Je indeling in drieën heeft ook een midden, en in het tweede, middelste deel, is de paragraaf over de opstanding ook de middelste. In de NBV die je aanhaalt, zie je twee soorten van paragrafen: Je hebt de paragrafen waar een kopje boven gezet is (daarvan heeft deze tekst er drie), en de paragrafen die beginnen met een nieuwe regel, gevolgd door inspringen. Deze laatste soorten van paragrafen komen zo goed als helemaal overeen met mijn indeling Er is maar één uitzondering op.
    Wat blijft is de vraag (en dat is de essentiële) : Is zo’n midden nu van extra gewicht, is er een door de auteur bedoeld accent, of is het toeval. “Je schrijft: Marcus kon het ook niet in een andere volgorde vertellen.” Mijn conclusie is: Dat bewijst de kracht van de compositie. Bij een stuk van Bach denk ik ook: Dit zit zo goed in elkaar, hij kon het ook niet anders componeren. Dat maakt de compositie niet minder, maar juist sterker.

Reacties zijn gesloten.