MoM | The Rise of Civilization (1)

Hier ben ik dus echt superblij mee, met het boek dat u hierboven ziet: Charles Redmans The Rise of Civilization. U hoeft er niet voor naar de boekhandel want het is niet langer leverbaar. Het verscheen in 1978 en al in mijn studietijd moesten we ons behelpen met fotokopieën. De puntgave eerste druk die ik sinds enkele dagen bezit, heb ik verworven dankzij de bemiddeling van een aardige mevrouw die wist wat ik leuk vind: een boek namelijk waarin de auteur een paar dingen tegelijk doet.

  1. Redman beschrijft de transformatie van de mens als dier tot de mens die in steden woont, informatie deelt, welvaart opbouwt en bewust zoekt naar manieren om zijn positie verder te verbeteren;
  2. hij legt uit hoe archeologen, die welbeschouwd slechts beschikken over (meestal kapotte) oude voorwerpen, in staat zijn samenlevingen én hun ontwikkeling te reconstrueren;
  3. hij legt voorbeeldig uit waarvoor de toenmalige New Archaeology stond;
  4. en – helaas nog altijd een punt van aandacht – Redman gebruikt fatsoenlijk beeldmateriaal.

Oké, één punt van kritiek: het woord civilization veronderstelt een waardeoordeel omdat je aangeeft dat stedelingen verder en beter zijn dan mensen in eenvoudiger samenlevingen, maar wie werkelijk meent dat meer welvaart niet leidt tot meer manieren om althans in potentie goede dingen te doen, moet het maar zeggen.

Maar goed, de New Archaeology dus. (Die duiden we tegenwoordig overigens, nu ze niet meer zo nieuw is, aan als “processuele archeologie”.) Eerlijk is eerlijk, dat was een hoop gebakken lucht, ingegeven door het feit dat er in de jaren zestig al een New Criticism, een New Musicology, een New Art History, een New Anthropology, een New Cultural History en een New Philosophy of Science was. De archeologie kon niet achterblijven.

Dat was wat problematisch, want er was eigenlijk geen oude archeologie waartegen nieuwe archeologen zich geloofwaardig konden afzetten. Veel van wat in Amerika als New Archaeology werd gehyped was in Europa al in de jaren vijftig door een Grahame Clark geïntroduceerd, terwijl de koolstofmethode allang was opgepikt door de Amerikaanse archeoloog Braidwood. Ik blogde daar al eens over. Dat verhinderde niet dat opper-New-Archaeologist Lewis Binford (1931-2011) vooral Braidwood typeerde als degene die alles verkeerd deed wat verkeerd kon worden gedaan – een typering die bij gebrek aan inhoudelijke argumenten doorgaans ad hominem was.

In feite had de archeologie zich al in de jaren vijftig vernieuwd. De koolstofmethode betekende dat er geen teksten meer nodig waren om te komen tot dateringen, zodat de archeologie niet langer afhankelijk was van de klassieke archeologie en vakken als assyriologie en egyptologie. Ook ruimtelijke analyses waren verbeterd. Wat in de jaren zestig wél nieuw was, waren het zogeheten neo-evolutionisme, de nadruk op rigoureuze wetenschappelijkheid en de systeemtheorie.

Eerst het neo-evolutionisme. Dit was een poging om de oude, negentiende-eeuwse ideeën over de menselijke evolutie – zeg maar de ontwikkeling van de mens als aaseter via boer tot Victoriaans burger – wat wetenschappelijker te onderbouwen, namelijk door de ontwikkelingsgang te beschrijven aan de hand van een almaar groeiende energiebehoefte. Op dit idee bestonden varianten, zoals de opvatting dat de mensheid in de loop van haar ontwikkeling steeds dieper was gaan ingrijpen in het ecosysteem. Andere theoretici, zoals Elman Service, hadden de evolutie beschreven als een opeenvolging van soorten leiderschap of een reeks steeds complexere samenlevingstypen.

De beroemde tabel uit Elman Service, “Primitive Social Organization: An Evolutionary Perspective” (1962)

De neo-evolutionisten combineerden de historische dimensie met de verworvenheden van wat bekendstaat als functionalisme: een cultuur was voor hen geen lappendeken van culturele verschijnselen, zoals het voor de negentiende-eeuwse evolutionisten was geweest en voor hedendaagse classici vaak nog altijd is, maar een verzameling van structureel en functioneel op elkaar afgestemde onderdelen. Tegelijkertijd hadden de neo-evolutionisten kritiek op het functionalisme, dat immers tekortschoot om culturele verandering te verklaren.

Neo-evolutionistische principes als “steeds meer energie” en “grotere complexiteit” leken voor archeologen als Binford nuttige hulpmiddelen om te komen tot een historische analyse. Het idee was dat het verleden te typeren viel als een reeks op elkaar volgende samenlevingstypes, die op zichzelf konden worden beschreven met het begrippenapparaat van het functionalisme, terwijl de twee genoemde principes een aanwijzing boden voor de wijze waarop deze samenlevingstypen op elkaar volgden. De New Archaeologists meenden dat ze, om de overgang van de ene naar de andere soort maatschappij te beschrijven, gebruik konden maken van de systeemtheorie. Deze was kort daarvoor ontwikkeld om het schrijven van computerprogramma’s te vereenvoudigen, en had als voordeel dat complexe veranderingen, waarin oorzaken en gevolgen niet goed konden worden gescheiden, met feedbackcirkels toch eenvoudig konden worden voorgesteld. Voor zulke complexe, zichzelf beïnvloedende veranderingen is de term “proces” inmiddels ingeburgerd.

[Voorbeeld volgt. Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

3 gedachtes over “MoM | The Rise of Civilization (1)

Reacties zijn gesloten.