Nog eens Trismegistos

Je bezoekt een voor jou belangrijke website en ziet dat die op zwart is. Een boodschap herinnert aan de financiële problemen van de webmaster. Je leest dat er geld gevraagd zal worden en bereikt het beginscherm. De zoekfunctie die je wil activeren doet niet wat je wil. Je wil betalen en ziet dat voor jou een hoger tarief geldt dan voor onderzoekers. En je weet weer: universiteiten zullen nooit nalaten je in te peperen dat ze vinden dat wetenschap er niet is voor de burger. Je herinnert je de onderzoekster met wie je ooit dineerde in Delfi: “De burger moet betalen,” zei ze, “niet méér.” Je blogt je boosheid van je af.

Zo verging het mij anderhalve maand geleden, toen ik Trismegistos wilde raadplegen, een belangrijke website over papyrologie. Ik was mijn boek Bedrieglijk echt aan het afronden en wilde nog wat dingen verifiëren. Het kwaaie blogstukje vindt u hier. Al vrij snel kreeg ik opnieuw reden om boos te zijn, maar nu op mezelf. Wat ik had geschreven klopte namelijk maar ten dele, zoals de mensen van Trismegistos me in de comments al vrij snel uitlegden (hier). Ik nam contact op en er volgde wat correspondentie.

Het eerste wat ik nu wil zeggen is: sorry. Ik heb me gedragen als een politieagent die eerst schiet en pas daarna vragen stelt. En zo heb ik een misverstand de wereld in geholpen. Ik met mijn grote bek ook.

Wat in elk geval niet waar is: Trismegistos is niet, zoals ik schreef, achter een betaalmuur gegaan. De detailpagina’s waarop de voornaamste onderzoeksgegevens staan, zijn Open Access gebleven. Wel zijn enkele faciliteiten, waaronder visualisaties en de zoekfilters waarmee ik aan de gang had willen gaan, achter een betaalmuur geplaatst. De keuze tussen wat wel en niet open bleef, is gemaakt met een voorbeeldig criterium: wat vanuit de openbare middelen is gefinancierd, bleef toegankelijk. De visualisaties en het zoeksysteem zijn door de medewerkers ontwikkeld in hun vrije tijd en dát werk ging achter slot en grendel.

Dat van die dubbele prijs – ogenschijnlijk hoger voor burgers met belangstelling dan voor academici – dat was dus  ook anders dan ik in mijn ergernis had begrepen. U en ik moeten inderdaad €199 betalen voor de extra faciliteiten. Voor mensen die werken aan een universiteit die hiervoor al heeft betaald, zou het nu eigenlijk gratis moeten zijn, maar zij betalen dus €49.

In de correspondentie merkte ik dat er twee discussies tegelijk zijn. Enerzijds is er die van de reëel bestaande universiteit met reëel bestaande mensen, die me (overtuigend) uitlegden welke keuzes ze waarom hebben gemaakt. De Katholieke Universiteit Leuven wil wél betalen voor de man die de site heeft gebouwd en onderhoudt, Mark Depauw, maar niet méér.

Waarom zou één universiteit moeten opdraaien voor een site die relevant is voor de hele wereld? De oplossing zou volgens de Leuvense universiteit moeten zijn dat het geld uit de hele wetenschappelijke wereld komt, wat niet gebeurde. Zo raakte Trismegistos gedwongen tot het zoeken naar andere vormen van financiering. Niemand is er blij mee.

Anderzijds is er een discussie die niet zozeer praktisch is als wel principieel. En eigenlijk is het ook geen discussie, want mijn Leuvense correspondenten en ik zijn het erover eens dat de burger niet mag worden buitengesloten. Dit geldt sowieso voor de wetenschap, die immers wordt gefinancierd door die burger en die er is ten dienste van de gemeenschap. Het geldt zelfs a fortiori voor de oudheidkunde. Classici, oudhistorici en archeologen zijn immers al een ruime generatie bezig zich terug te trekken uit de samenleving. Als het vak vandaag of morgen wordt opgeheven, zal vermoedelijk niemand daar nog iets van merken.

Het enerzijds van de problematische praktijk en het anderzijds van de principes horen met elkaar in wisselwerking te staan. Bij concrete problemen moet de oplossing immers worden afgeleid uit de eigenlijke doelen. De bestaansreden van de wetenschap is het informeren van de samenleving en dát is dus wat, als financieringsproblemen moeten worden opgelost, richtinggevend behoort te zijn. De malheur in de geesteswetenschappen is minimaal ten dele veroorzaakt doordat deze simpele richtingwijzer vaak niet wordt gevolgd. Het probleem is dus de universiteit, waar oplossingen zelden voortkomen uit de eigenlijke doelen en winstmaximalisatie de leus is.

Bovendien wordt de discussie over de toekomst van de wetenschap gevoerd met iedereen behalve de samenleving. In dit geval zijn papyrologen, epigrafen en oudhistorici gevraagd om mee te denken over Trismegistos, maar is leraren klassieke talen niets gevraagd. (Dit staat niet op zichzelf. In Nederland was vorig jaar een bijeenkomst over open access waarbij alleen academici aanwezig waren en één iemand een maatschappelijke organisatie vertegenwoordigde. Terwijl het dus ging om het herstel van de wettelijk voorgeschreven informatieoverdracht aan de burger.)

Het probleem is hier, zo legde Depauw me uit, dat het heel moeilijk is feedback te krijgen, ook van de wetenschappers verbonden aan universiteiten. Een discussie over online-communicatie is moeilijk. Dat herken ik wel. Het wensenlijstje van burgers (“wij willen informatie over de Oudheid”) sluit niet aan op het academische aanbod (“de Oudheid met de beperkingen van de classicus”, “de Oudheid met de beperking van de archeoloog”) enz. Theoretisch weten geïnteresseerde burgers wel dat academisch specialisme een kwaliteitsgarantie is en weten oudheidkundigen wel dat alleen voldoende breed aanbod leidt tot relevantie, maar probeer de vertaalslag maar te maken.

De moeilijkheden zullen dus nog wel even bestaan. Maar ik hoop in elk geval een door mij geschapen misverstand te hebben rechtgezet.

17 gedachtes over “Nog eens Trismegistos

  1. Ben Spaans

    Dinosaurussen, de Oude Egyptenaren en de Tweede Wereldoorlog. Dat is het besef van geschiedenis bij ‘het publiek’, als het meezit. Bij mensen met gelovige roots dan nog ‘de wereld van de bijbel’. Ik heb nooit iets gemerkt van een grote vraag naar de Oudheid bij ‘een publiek’. De meeste historisch geschoolden hangen er voor spek en bonen bij in het leven. Misschien maar beter…(sorry, Corona-stress denk ik…)

    1. Dat is echt niet waar. Ik beantwoord zo’n dertig vragen op een dag. De belangstelling is er echt wel. Zie ook de bezoekerscijfers van de musea, de herdrukken van boeken – goed of slecht – en het appèl dat politici op de Oudheid doen. Meestal ter rechterzijde, en doorgaans ten onrechte, maar toch. Een appèl op de bevrijdende werking van de humaniora zou natuurlijk fijner zijn.

    2. FrankB

      Jullie spreken elkaar niet echt tegen, maar hebben het over verschillende segmenten van de Nederlandse bevolking. BenS heeft vast wel gelijk dat de belangstelling van een groot deel, wellicht de meerderheid, niet verder gaat dan hij beschrijft. Dat neemt geenszins weg dat vele duizenden, zo niet tienduizenden en wellicht ettelijke honderdduizenden Nederlanders wel de door JonaL beschreven belangstelling bezitten. Ik zie totaal niet in waarom die groep verwaarloosd moet worden en dat is meer dan rechtvaardiging genoeg.

      1. Ben Spaans

        Ik zat er een beetje doorheen, door ongerelateerde zaken, nogmaals sorry. Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden hebben inderdaad zeker belangstelling voor geschiedenis en goede informatie daarover.

        Dat gezegd zijnde, ik heb wel een beetje zicht op mensen buiten de hier gangbare bubbel en daar is echt geen roep om verantwoorde informatie over de Oudheid, Middeleeuwen, niet-Westerse geschiedenis e.d.

        Voetbal bijvoorbeeld maakt wel veel los, maar dat zal niemand verbazen.

  2. Christo Thanos

    Ik ben van mening dat publicaties van onderzoekers die betaald worden door de overheid, gratis online te raadplegen moeten zijn. Dus ook de publicaties van bijvoorbeeld medewerkers van universiteiten.

    Het aanbod van online gratis te raadplegen publicaties verschilt enorm. Ik heb gewoon drie voor mij bekende personen (werkzaam bij een (semi)overheidsinstelling) eens opgezocht;
    – Luc Amkreutz, werkzaam bij het RMO. Op de site een link naar academia.edu met alle publicaties, vrij beschikbaar. Geweldig! Zo hoort het volgens mij.
    – een professor bij een universiteit te Amsterdam: volledige bibliografie met uitgebreide samenvatting en verwijzingen (heel mooi!). Maar: echter geen (link naar) online publicaties (voor zover ik het kon nagaan).
    – een professor bij de Universiteit van Leiden: hier alleen een bibliografie en soms een link naar het betreffende boek dat te koop is.

    Het kan ook anders. Sidestone Press (een onderneming dus) te Leiden is volgens mij de grootste leverancier van archeologische publicaties op oxbowbooks.com. Alle publicaties zijn op hun website geheel gratis te lezen. Sterker nog: na vier jaar zijn de publicaties (alleen na uitdrukkelijke toestemming van de auteur) gratis te downloaden! Heel wat anders dus dan vele euro’s te moeten betalen voor een oud archeologisch artikeltje op jstore.org.

    Ook niet-commerciële organisaties stellen werken gratis ter beschikking. Neem de Werkgroep Kassen in Nederland. De publicatie Kassen in Nederland 1650-1950 (deels door de overheid gefinancierd?) kost ingebonden met een harde kaft 95 euro (maar dan heb je ook wat). Maar: ook gratis te downloaden.

    Kortom: voor mij hebben de universiteiten de morele plicht om alles gratis online beschikbaar te stellen. Heel wat werk aan de winkel dus.

    Wat mij betreft als subonderdeel van Oog op de Oudheid 2020, dinsdag 14 april: Oog op het publiek: zorg dat het publiek gratis toegang heeft tot de publicaties van door de overheid gefinancierde onderzoeken.

  3. Bert Schijf

    De procedure die Trismegistos heeft ingevoerd bestaat al jaren bij de zeer veel geraadpleegde genealogische website wiewaswie.nl, in beheer bij het Centraal Bureau voor Genealogie. Er is vrije toegang maar voor het gebruik van handige zoekprocedures moet betaald worden. Dat kost ongeveer een kwart van wat Trismegistos rekent. Wat betreft de open access ben ik het hartgrondig met Jona Lendering eens. Maar wellicht niet bij iedereen bekend: voor 15 Euro kan men jaarlijks lid worden van de Koninklijke Bibliotheek en heeft dan toegang tot behoorlijk wat digitale tijdschriften en buitenlandse kranten.

    1. Mijn eigenlijke bezwaar is overigens niet dat ik moet betalen. Dat doe ik ook voor andere media. Mijn bezwaar is dat er onderscheid wordt gemaakt tussen de onderzoekstaken die de universiteit heeft en de maatschappelijke taak die zij ook heeft. Ik heb geleerd dat de mensen van Trismegistos die keuze niet hebben willen maken maar ertoe waren gedwongen.

      Het punt is echter principieel. In elk geval in de Nederlandse wetgeving is er geen grond voor de achterstelling van het publiek bij de onderzoekers. Het gaat om gelijkwaardige taken. Dat dit gebeurt, is een keuze van de universiteiten zelf. Ik weet niet waarom.

      1. Bert Schijf

        Een beetje Prinzipienreiterei kan geen kwaad, maar ‘de universiteit’ is een veel te abstract begrip. Er mogen dan geen wetten zijn die de achterstelling van het publiek veroorzaken, maar er zijn wel praktische bezwaren die in de weg staan. Aan de eis van openbaarheid wordt overigens voor een deel voldaan door de belangrijke taak van de universiteit, namelijk het geven van onderwijs. De meeste docenten proberen toch het nieuwste van het nieuwste te vertellen. Het College van Bestuur vindt het altijd prachtig als hun medewerkers een bijdrage aan het publiek debat leveren. En kennis met het publiek delen daar is het College ook niet tegen. Maar Colleges van Bestuur vallen weer onder de richtlijnen en bezuinigingen van het Ministerie van Onderwijs. Niettemin ben ik minder somber dan Jona Lendering. Ik ken genoeg wetenschappers die via de krant, twitter of een lezing in een buurthuis kennis publiek verspreiden. Maar de ervaring leert dat het bijvoorbeeld voor veel mensen moeilijk is om sociologisch te denken. Als je alleen onder vakgenoten blijft merkt je dat niet. Ten slotte: paywalls worden niet door de universiteit ingesteld, maar door uitgevers. Daar wordt aan gewerkt, maar ja wanneer gebeurt het eindelijk. Overigens biedt google scholar soms zeer verrassende vrije publikaties.

  4. sara

    Chapeau!

    Eigenlijk zouden alle oudheidkundigen en aanverwanten zich moeten verenigen en een goed strategisch plan opstellen met een duidelijk doel en actieplannen.
    Kortom, een beetje meer bedrijfsmatig denken. Communicatie met de doelgroep is van het grootste belang.
    Al was het maar om het doorgeschoten neoliberalisme en de logaritmisering een tegenwicht te bieden.

  5. Jeroen

    Wat een merkwaardig onderscheid tussen ‘wetenschappers’ en ‘burgers’..

    En er zijn er meer die dit merkwaardig vinden; niet alleen voetballers, maar ook mensen…

  6. Roger Van Bever

    Laat ik vooropstellen, Jona, dat ik het in principe met je eens ben. Het siert je ook dat je op een misinterpretatie nopens Trismegistos terugkomt.

    Toch nog enkele aanmerkingen/ discussiepunten:

    – Er bestaat een redelijk groot aantal websites, bvb. de Stanford Encyclopedia of Philosophy die alleen een klein lidmaatschapsgeld vragen als je een publicatie wil downloaden in PDF-format. Verder zijn in de SEP een groot aantal artikelen gratis beschikbaar in HTML-format. Dan hoef je je alleen gratis te registreren. Op sommige sites is alles tegen een klein bijdrage om de reclame-vrije versie te kunnen krijgen. Dat is ook redelijk, want daarmee financieren ze een deel van hun kosten. En er zijn veel onderzoekers die hun eigen publicaties of een groot deel ervan gratis op het web zetten (bvb. Vincent Icke)

    – De vraag is: Worden betaalmuren alleen opgericht tegen onderzoek dat louter en alleen gefinancierd wordt door publiek geld (en dus voor onderzoekers én andere burgers gratis beschikbaar horen te zijn? In mijn vroegere vak (geneeskunde) wordt ook in de zogenaamde grotere ‘perifere’ ziekenhuizen veel onderzoek gedaan (veelal gesponsord door farmaceutische bedrijven), waarbij de ethische voorwaarden van het onderzoek de laatste decennia (gelukkig) sterk zijn toegenomen.

    – Het zijn vooral grote uitgeverijen (zoals Elsevier-Reed en het Duitse Thieme Verlag), die van het digitaliseren en verkopen van een artikel een verdienmodel gemaakt hebben (cfr. supra Ben Schijf). Zo krijg je de absurde situatie dat je voor een eigen publicatie 30 à 40 euro moet betalen, wil je het volledig downloaden. Dat merkte ik onlangs bij een van mijn publicaties in een Duits blad in 1976. Dit noem ik gewoon afzetterij. Ik weet niet wanneer het copyright op een tijdschriftpublicatie vervalt (bij literaire boeken meestal na 7 jaar)? Dat oudere jaargangen vrij toegankelijk zijn lijkt aardig, maar de wetenschap evolueert zo snel, dat wat je dan gratis kunt lezen vaak al verouderd is.

    – Hebben universiteiten de plicht om in hun instelling vergaarde en beschikbare kennis gratis ter beschikking te stellen? Dat zou in principe alleen kunnen als een onderzoek al gepubliceerd is in een betrouwbaar tijdschrift (peer-review, etc.). Dat zou dan voor veel wetenschappelijke tijdschriften de doodsteek zijn.

    – Moeten ze ook info verstrekken over onderzoek dat aan de gang is? Als dat later op niets uitloopt, is het voor de universiteit en de onderzoekers niet leuk. Ze kunnen het lopend onderzoek wel signaleren zonder bepaalde verwachtingen uit te spreken. In de niet-universitaire sector veel gevallen wordt dat trouwens al bekend gemaakt. Zo bestaat er een te raadplegen register van alle lopende klinisch onderzoek met medicijnen.

    – Zouden alle universiteiten op zijn minst niet proefschriften of scripties gratis op het web moeten zetten. Dat doen sommige universiteiten al, maar niet allemaal?

    Ik ben het helemaal met je eens, Jona. Alleen heb ik geen flauw idee hoe jouw terechte wens vervuld zou moeten worden.

Reacties zijn gesloten.