Het stof van Babylon

De legendarische stadsmuur van Babylon. Achteraan het door Saddam Hussein herbouwde paleis van Nebukadnessar.

“De heerschappij wordt doorgegeven van volk naar volk,” zoals Jezus Sirach zegt, “door onrecht, geweld en hebzucht.” De eerste wisseling van de macht was die van de Assyriërs naar de Babyloniërs. Van 612 tot 539 heersten zij over het oosterse wereldrijk. Ze hadden het min of meer kant en klaar overgenomen van de Assyriërs. Zelf breidden ze het uit met wat kleingrut in de periferie.

Zoals het tempelstaatje Juda. Als je de opmerkingen leest die in de Bijbel staan over de aanvallen van naburige stammen op de Babylonische bezittingen rond Jeruzalem, krijg je de indruk dat de Babyloniërs meer rovers waren, die de Joodse bevolking hadden gedeporteerd en allerlei kostbaarheden hadden meegenomen, dan dat ze waren geïnteresseerd in het nieuw verworven gebied. Ze investeerden althans niet noemenswaardig in de grensverdediging. De Assyriërs waren, in dit opzicht, betere bestuurders.

Het handboek waarover ik geregeld schrijf, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, noemt andere namen voor de Babyloniërs. Ze worden namelijk ook wel aangeduid als Chaldeeën, omdat het koninklijke huis afstamde van een stam met die naam. Een interessant punt, dat ik me niet herinnerde van eerdere lectuur, is dat de Chaldeeën vermoedelijk een taal hadden gesproken die leek op het Aramees, en dat die verwantschap een verklaring vormt voor de ten tijde van de Assyriërs begonnen verspreiding van deze taal. “Dit proces is voor ons echter moeilijk te traceren,” lezen we in het handboek, “omdat Aramese teksten meestal op het vergankelijke papyrus of perkament geschreven werden.”

Cultureel centrum Babylon

De eigenlijke grondvester van het rijk was Nebukadnessar II (r.605-562). Nebukadnessar heeft een enorme bouwactiviteit in Babylon ontplooid: het paleis, de stadsmuren en de tempeltoren zijn grotendeels zijn werk. Hij maakte Babylon tot de metropool die een blijvende indruk op de wereld heeft gemaakt.

Om de waarheid te zeggen: toen ik in oktober in Babylon was, vond ik de ruïnes wat tegenvallen. Opgraver Koldewey heeft het beste, de Ištarpoort, namelijk overgebracht naar Berlijn.

Stof tot stof

Er speelt echter nog iets mee. De Mesopotamiërs bouwden met tichels, wat in feite plakken klei zijn die ze hadden gebakken in de zomerhitte. Dat was kwetsbaar materiaal. Als de wind er vat op kreeg, verkruimelde het al vrij snel. Stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren. Om dat te verhinderen, gebruikte men voor de buitenschil tichels die men eerst had gebakken in een oven. Ook baksteen is echter kwetsbaar. In een land waar hout zeldzaam is, is het verhitten van ovens bovendien een kostbaar proces.

Vandaar dat de ruïnes in Mesopotamië wat minder elegant ogen dan de natuurstenen gebouwen in pakweg Athene of de geheel uit baksteen opgetrokken huizen van het oude Rome. Dit geldt trouwens ook voor de stoffige steden van Centraal-Eurazië. Dat de steppevolken wat onderbelicht blijven, hangt mede samen met het feit dat hun steden tot stof zijn vervallen en niet echt opvallend zijn.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Een gedachte over “Het stof van Babylon

  1. Bert van der Spek

    Paleizen en tempels vervielen ook in de Oudheid al snel. Daarom moesten koningen voortdurend puin ruimen en weer opbouwen (en in de fundamenten vonden ze dan cilinders met daarin bouwberichten van vroegere koningen). Het puinruimen (o.a. verordonneerd door Alexander de Grote) komt ook regelmatig voor in de Hellenistische kronieken en astronomsiche dagboeken. En zelfs in de Talmud waar het fenomeen gelinkt wordt aan het verval van Babylon (uiteindelijk werd er niks meer opgebouwd). Ik citeer Mark Geller in zijn artikel: ‘The Survival of Babylonian Wissenschaft in Later Tradition’:
    The Babylonian Talmud records an
    amusing anecdote which can only be
    appreciated by someone aware of an
    Akkadian idiom. A noted rabbi named
    Raba, who flourished in the early fourth
    century AD, is quoted as saying that when
    he saw asses carrying away dust, that he
    struck his hand on their backs and said,
    “Hurry, righteous ones, to perform the will
    of your Master.”1 What is the joke? Raba’s
    pun is an allusion to the Akkadian phrase
    which appears several times in Seleucid
    chronicles and records, namely that “the
    dust of Esagil was removed,” indicating rebuilding
    works in Babylon.2 A local Babylonian
    hearing Raba’s words would have
    understood it to mean that Raba approved
    of the renovation of the temple, although it
    is clear from the context that Raba actually
    has in mind that Babylon will become a
    wasteland. (p. 1.)

    In: Sanno Aro and R. M. Whiting (eds.),
    The Heirs of Assyria.
    Proceedings of the Opening Symposium of the Assyrian and
    Babylonian Intellectual Heritage Project. Held in Tvärminne,
    Finland, October 8-11, 1998 (Helsinki: The Neo-Assyrian
    Text Corpus Project 2000), pp. 1-6.

Reacties zijn gesloten.