De gelijkenis van de farizee en de tollenaar

Tiberius (Musée Grand Curtius, Luik)

Als historicus mag (nee, moet) ik dan seculier zijn, de zondag is een fijne dag om te bloggen over het Nieuwe Testament. Afkomstig uit een wereld waar bijna alle geschreven bronnen gaan over de elite, biedt het Nieuwe Testament verhalen over gewone mensen, zoals vissers en timmerlieden. En tollenaars, waarover ik het vorige week had. Vandaag wil ik daarop verder gaan met de gelijkenis van de farizee en de tollenaar uit het Evangelie van Lukas.

Wat farizeeën zijn, is een lastige vraag. Historici grappen weleens dat de speurtocht naar de historische farizee net zo lastig is als de speurtocht naar de historische, joodse Jezus. Het staat echter vast dat de farizeeën de diverse regels die verplicht waren voor de priesters ook aanvaardden voor zichzelf. Omdat de ontstaansgeschiedenis van de stroming onduidelijk is, weten we niet waarom ze dat deden. Eén theorie zegt dat met het aantreden van de hogepriester Jonathan rond 150 v.Chr. de cultische reinheid van het hoge ambt was gecompromitteerd en dat de farizeeën daarop reageerden. Dat klinkt plausibel, maar nogmaals: we weten het niet.

Parabel

In elk geval: farizeeën deden meer dan het strikt noodzakelijke. Dat is de achtergrond van de volgende parabel.

Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde Jezus de volgende gelijkenis. “Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een farizee en de ander een tollenaar. De farizee stond daar rechtop en bad bij zichzelf: ‘God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.’

De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: ‘God, wees mij zondaar genadig.’

Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.” (Lukas 18.9-14; NBV21, met aanpassingen)

De samenstellers van The Jewish Annotated New Testament (meer) attenderen erop dat deze gelijkenis een valstrik vormt. Wie haar hoorde en dacht “gelukkig ben ik niet zo hautain als die farizee”, vindt zichzelf nogal rechtvaardig en minacht iemand die niet roofzuchtig is, die rechtvaardig en seksueel trouw wil zijn, en die een fors deel van zijn inkomen afstaat. Dat maakt de parabel tot een meesterstukje.

Het individu en de groep

Er is misschien meer aan de hand. De joden golden als een uitverkoren volk. Hun uitverkorenheid was niet persoonlijk, maar collectief. Genesis 18 bevat het voorbeeld van een zondige stad die niet gestraft zal worden voor alles wat er verkeerd is zolang er maar een paar rechtvaardigen zijn. De gedachte dat de schepping omwille van een betrekkelijk gering aantal fatsoenlijke mensen zal blijven voortbestaan, is ook aanwezig in de traditie uit de Babylonische Talmoed dat er nooit minder dan zesendertig rechtvaardigen zijn (Sanhedrin 97b).

Zo is het dus mogelijk dat de rechtvaardigheid van de farizee redding biedt aan de tollenaar, die dagelijks Romeinse munten door de vingers laat gaan. Hierboven ziet u er een. Het opschrift luidt TI CAESAR DIVI AUG F AUGUSTUS IMP VIII, wat wil zeggen dat Tiberius Caesar de zoon is van de vergoddelijkte Augustus, dat hij keizer is en dat hij acht keer de eretitel imperator heeft gekregen. Het opschrift is een overtreding van het eerste gebod (“geen andere goden”) en het portret staat haaks op het tweede (“geen gesneden beelden”). Wie hiermee bezig was, zoals de tollenaar, plaatste zich aan de marge van de joodse samenleving.

De auteurs van The Jewish Annotated New Testament vatten samen: de schok van de gelijkenis is niet alleen dat de collaborateur van de Romeinen hier geldt als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar dat dit bovendien komt door de goede werken van de farizee.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

12 gedachtes over “De gelijkenis van de farizee en de tollenaar

  1. Dirk Zwysen

    Dat vind ik een moeilijke interpretatie.
    Ik zie geen aanleiding in de tekst om een verwijzing naar Genesis te veronderstellen. Lukas laat Johannes in 3:7-8 juist fulmineren tegen de gedachte dat lidmaatschap van het uitverkoren volk (‘Wij hebben Abraham als vader’) op één of andere manier een voordeel is. Bij Lukas zijn het ‘mensen die massaal uitliepen om zich door hem te laten dopen’ die deze vermaning krijgen, bij Mattheüs zijn het specifiek de sadduceeën en farizeeën.
    Jezus legt nadruk op het individueel handelen en vertelt in verschillende gelijkenissen over mensen die dénken dat ze goed bezig zijn naast anderen die echt het juiste doen. Lukas lijkt de farizeeën in de eerste categorie te plaatsen, bijvoorbeeld in 11:37-44 waarin hij hen door Jezus laat verwijten dat ze enkel aan de buitenkant rein zijn, ‘ongemarkeerde graven’.

  2. Gert M. Knepper

    Hier gaat iets mis. Je maakt geen verschil tussen de context van een eventuele uitspraak van Jezus, en die van de auteur en zijn publiek. De (voorzichtige) suggestie van The Jewish Annotated New Testament (JANT) heeft betrekking op een mogelijke interpretatie van “the Jews who first heard this parable”. Maar deze parabel duikt pas een halve eeuw na Jezus dood op, en dan nog alleen bij Lukas. We mogen dus sowieso niet zomaar aannemen dat hij uit Jezus’ mond komt. Dat geldt trouwens voor de meeste parabels die Lukas aan Jezus toeschrijft, en het lijkt niet toevallig dat vrijwel al die parabels het typisch Lukaanse theologische geluid ‘de werkelijkheid van God is omgekeerd aan die van mensen’ vertolken. Dat wijst dus minstens op een grote rol voor de auteur, en is een sterk argument om ook Lk. 18.9-14 niet aan Jezus toe te schrijven. En als die parabel van Lukaanse origine is, dan vervalt dus ook de mogelijkheid van een oorspronkelijk ‘Joodse’ interpretatie ervan. Op het niveau van de auteur en zijn publiek is de interpretatie probleemloos, want de auteur geeft de clou van het verhaal zelf: het gaat hem om een plaatsbepaling van mensen “die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten”. De farizeeër uit de parabel is daarvan het voorbeeld: rechtvaardig tot en met – naar menselijke maatstaven. Maar, de wereld op z’n kop: uitgerekend hij gaat niet naar huis “als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God”; dat voorrecht is voorbehouden aan de intrinsiek onrechtvaardige tollenaar. Al met al is interpretatie dat ‘de rechtvaardigheid van de farizee redding biedt aan de tollenaar’ op tekstniveau uitgesloten, omdat per saldo de farizeeër juist níet rechtvaardig blijkt. De tollenaar dankt zijn rechtvaardiging niet aan de onrechtvaardige farizeeër, maar aan zijn vertrouwen op God.

    1. Ik denk dat je gelijk hebt. Ik wilde nu eens niet de vraag “is dit Jezus-echt?” opwerpen, want dat doe ik al zo vaak, maar het maakt hier inderdaad uit.

  3. Fried Deelen

    Zelf ben ik niet zo van die historische Jezus-discussies; de draadjes zijn meestal te dun om de grote conclusies te kunnen dragen. Voor een latere oorsprong van deze parabel pleit wel dat de vrome jood Jezus het grote kans goed kon vinden met de farizeeën, en dat verhalen over een verstoorde verhouding tussen hen en de volgelingen van Jezus met diezelfde grote kans van na 70 zijn. Maar ook dat is geen zekerheid. Lukas schrijft dat hij voor zijn verslag gedegen onderzoek verrichtte. Hij deed dat in een tijd waarin hij de laatste nog levende ooggetuigen geraadpleegd kan hebben.
    Geen zin om nou inderhaast The Jewish Annotated NT hierover te gaan lezen. Maar deze uitleg komt me wel sympathiek over. Een poging om over de eeuwen heen terug te grijpen naar de tijd van de goed verstandhouding, zoiets.

  4. Gert M. Knepper

    “De draadjes zijn meestal te dun om grote conclusies te kunnen dragen.” Dat is correct, en in dit geval een belangrijke reden waarom we niet de conclusie mogen trekken dat de de parabel bij Jezus zelf vandaan komt. Voor de duidelijkheid: dat is iets anders dan de conclusie trekken dat de parabel niet bij Jezus zelf vandaan komt. Dat de auteur de “laatste nog levende ooggetuigen geraadpleegd kan hebben” is mogelijk, maar geen argument om de parabel aan Jezus toe te schrijven. En het is ook heel onwaarschijnlijk: in het proëmium heeft Lukas het over zijn voorgangers die, schrijft hij, hun materiaal van ooggetuigen hadden. Als grondslag van zijn eigen verhaal noemt hij juist géén ooggetuigen, maar (slechts) feit dat hij “alles nauwkeurig is nagegaan”. Als hij inderdaad nog ooggetuigen had geraadpleegd, waarom laat hij dan die uitgelezen kans om zijn publiek van zijn geloofwaardigheid te overtuigen lopen? Het beroep op zijn ‘gedegen aanpak’ zal dus veeleer het gebrek aan ooggetuigen moeten compenseren.

    1. Ik denk dat je gelijkt hebt. Die parabel is in elk geval een mooi voorbeeld van “non liquet”. Het is niet uit te sluiten dat ‘ie echt is, het tegendeel is ook denkbaar, en we hebben momenteel geen methode om al te stellige uitspraken te doen, al is niet-echt m.i. iets plausibeler dan echt.

      Dat gezegd zijnde, dat Lukas geen getuigen zou hebben gekend, dat weet ik niet helemaal zeker. Dat zinnetje dat Maria alles in haar hart bewaarde en overwoog suggereert toegang tot iemand die Maria heeft gekend.

      Al is dat natuurlijk gespeculeer of misschien zelfs apologetisch zoeken naar argumenten om de tekst zo dicht mogelijk naar Jezus te brengen.

      1. Fried Deelen

        Geen apologetisch zoeken naar argumenten om de tekst zo dicht mogelijk naar Jezus te brengen, maar een exegetisch verantwoorde visie waarvan de papieren wat mij betreft zeker zo goed zijn als die van de historisch-kritische methode. Richard Bauckham (vooral 2006) is voor zover ik weet nooit van conservatisme of andere vooringenomenheid beschuldigd.

      2. Gert M. Knepper

        Meen je dat nou echt, dat “Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken” een argument is voor het contact van “iemand” met Maria, welke iemand dat dan weer aan Lukas zou hebben doorgebriefd? Kom, kom: ‘deze woorden’, dat slaat op wat de herders van de engelen hadden gehoord (Lk. 2.13-19). Je hypothese impliceert dus noodzakelijkerwijs de historiciteit van het Lukaanse geboorteverhaal, wat voor een historicus een op z’n minst gewaagd standpunt is. Nee, dat zinnetje van Maria past naadloos in het beeld dat Lukas voortdurend van Maria schildert, nl. als de gehoorzame ‘dienstmaagd des Heren’ die gelooft ook al begrijpt ze niet. Het is dus een theologisch zinnetje, en het levert geen argument voor het bestaan van een geheimzinnige bron die van Maria persoonlijk had gehoord wat herders die engelenkoren hadden gehoord haar in Bethlehem hadden meegedeeld. En trouwens: al zou die boeiende tussenpersoon van jou wél hebben bestaan, dan maakt dat hem/haar nog steeds geen ooggetuige van Jezus’ optreden. En dáár hadden we het over. Dat Lukas mensen kán hebben gesproken die mensen uit Jezus’ omgeving hadden gekend heb ik nooit ontkend, er kan heel veel. Maar ja, dat iets kan is er nog geen argument voor dat dat iets ook heeft plaatsgevonden. Toch?

          1. Karel van Nimwegen

            Dat is je zwakke punt. Je overweegt alles. Archeologie, teksten, oost en west. Alleen door vol aplomb argumenten te negeren maak je carrière.

    1. Hij reageert weleens hier op deze blog en zal zijn bevindingen hier ook nog eens delen. Zoals ik het begrijp, presenteert hij een nieuw bewijsstuk voor de stelling dat de oorspronkelijke christologie weliswaar “hoog” was, maar nog altijd subordinationistisch. Plagerig geformuleerd: Arius had gelijk.

Reacties zijn gesloten.