Leonard Woolley, Digging Up The Past

Wat resteert van de “deep sounding” van Leonard Woolley in Ur

Archeologie is kostbaar. Op een opgraving werken tientallen mensen en daarna zijn er de vondstverwerking, de conservering, de publicatie en de presentatie op de plek waar is gegraven. De financiering is altijd een probleem geweest en dat leidt nogal eens tot overdreven claims. De subsidiënt weet dan namelijk dat zijn geld is gegaan naar iets bijzonders, terwijl de buren van de opgraving ook tevreden kunnen zijn. Een van de beruchtste overdreven claims is de bewering van Leonard Woolley (1880-1960) dat hij in Ur in 1929 de kleiafzettingen van de Zondvloed had ontdekt.

Woolleys “deep sounding” in Ur

Dat leverde een van de beroemdste foto’s op uit de geschiedenis van de oudheidkunde. Zie hiernaast. En de truc werkte. De opgraving kreeg er nog vier seizoenen bij. De kuil in kwestie was echter niet meer (en ook niets minder) dan de deep sounding waarmee Woolley in Ur de hoofdlijn van de stratigrafie had opgesteld.

Je zou haast over het hoofd zien dat dit ook zonder de hysterische claim belangrijk was. Voor het eerst hadden archeologen nu werkelijk overzicht van de volgorde van de laat-neolithische, chalcolithische en Bronstijdlagen in Mesopotamië. Ik blogde er hier over. De tegenwoordig met prikkeldraad beschermde “Woolley’s Pit” in Ur is voor de archeologie van het Nabije Oosten wat het CERN is voor de deeltjesfysica en de Leeuwenhoekmicroscoop voor de biologie.

Digging Up the Past

Woolley erkende al snel dat de claim niet klopte, als hij het überhaupt zelf al heeft geloofd. Hij heeft in elk geval zijn verdere leven lang meer serieuze uitleg gegeven van wat archeologen doen. Alleen door geïnteresseerden te laten delen in de eigenlijke puzzel, zou het vakgebied een plek krijgen in de harten van de mensen en werd de financiering echt vanzelfsprekend.

En dus hield hij in 1930 zes lezingen voor de BBC-radio, die nog in datzelfde jaar verschenen in boekvorm: Digging up the Past. Woolley vergrootte de publieke toegankelijkheid door de tekst later opnieuw uit te geven in de in 1937 opgerichte Pelican-reeks. U zou zich kunnen voorstellen dat de archeologen die u zag in de TV-film The Dig, hun vak uitlegden aan de hand van Woolleys boekje.

Het zou nog steeds kunnen. De archeologie heeft zich natuurlijk voorzien van een batterij aan nieuwe technieken waarvan ik het merendeel op deze plek al wel eens heb behandeld, maar wat Woolley vertelt vormt nog steeds een prima inleiding. O, zeker, hij heeft zijn vooroordelen; al op blz.13 lezen we iets over de Australische Aboriginals dat nu niet meer zo gepubliceerd zou kunnen zijn. Woolley ziet het echter als een van de deugden van de bestudering van het diepe verleden dat je inziet dat de wereld niet draait om de hedendaagse westerse mens. Oudheidkunde, wat hij archaeology noemt, leert je het betrekkelijke zien, en de archeologie, wat Woolley field archaeology noemt, helpt daarbij. “Behind the mere romance there is something of real and enduring value.”

Wat doet een archeoloog?

En dan komen allerlei onderwerpen aan de orde. Bijvoorbeeld de vraag waarom oudheden eigenlijk altijd onder de grond liggen, hoe ze gedateerd worden, wat crop marks zijn, waarom lang niet alles bewaard blijft. Het proces dat we aanduiden als hermeneutische cyclus komt aan de orde. Eén hoofdstuk behandelt in detail het onderzoek van een graf en bevat alle elementen die later met jargontermen als n-transformaties en c-transformaties zouden worden aangeduid. En uiteindelijk, zo benadrukt Woolley, gaat het niet om vondsten maar om patronen.

Hij schrijft met humor. Ik zou de radio-opname wel willen horen waarin hij vertelt dat als de archeoloog zijn zin zou krijgen, elke antieke stad door vulkanische as zou zijn bedekt.

Failing a volcano, the best thing that can happen to a city … is that it should be sacked and thoroughly burnt by an enemy.

Archeologie als samenwerking

Hij beschrijft wat er gebeurt op een opgraving en noemt het belang van goed lokaal personeel.

The Arab foreman is, next to the archaeologist himself, the most important person on the excavation.

Woolley prijst zijn mensen en weerlegt het toenmalige vooroordeel dat ze alleen maar zouden werken voor baksjisj. Ik licht dit aspect eruit omdat de archeologische verkenning van het Midden-Oosten ooit gepresenteerd is geweest als een westerse onderneming in een gebied dat geen belangstelling had, en dat daarop een verontwaardigde reactie is gekomen dat de westerse archeologen de rol van de eigen bevolking al dan niet bewust zouden hebben genegeerd (voorbeeld). Allebei de standpunten zijn te gemakkelijk – zie naast Woolley ook de Egyptisch-Amerikaanse samenwerking en de Ottomaanse archeologie.

Kortom, een leuk boek: nog altijd een fijne eerste kennismaking, tevens een tijdsdocument uit het Interbellum, en ook een boek dat je dankbaar maakt. Bijvoorbeeld omdat er vooruitgang is geboekt: bij dateringen, schrijft Woolley, is absolute precisie teveel om te mogen verwachten – een kleine eeuw later weten we beter. En ook dankbaarheid omdat je ziet hoeveel werk er in een opgraving is gestoken.

Few people, looking at an object in the glass case of a museum, realise what it cost to get it there.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

Deel dit:

2 gedachtes over “Leonard Woolley, Digging Up The Past

Reacties zijn gesloten.