
Oudheidkundigen hebben twee hoofdsoorten bewijsmateriaal: de materiële resten en de geschreven teksten. Beide zijn de “neerslag” van de antieke cultuur. Een cultuur die we niet langer kunnen observeren en waarvoor we dus geen direct bewijs hebben, maar slechts aanwijzingen. Veel is ’t niet, maar juist het gebrek aan en de ambiguïteit van de data maken het vak uitdagend. De hamvraag is steeds hoe we van de weinige aanwijzingen die er zijn, komen tot een verantwoorde reconstructie van de antieke cultuur.
Over de wijze waarop archeologen de materiële resten de antieke cultuur documenteren, is veel geschreven. Dat heet reconstructietheorie en die maakt onderscheid tussen twee soorten verandering. Enerzijds zijn er natuurlijke transformaties: de wijze waarop, sinds de Oudheid, de materiële resten zijn veranderd. De processen variëren van het wegspoelen van steden langs de Nijl tot het ontstaan van patina op munten. Anderzijds zijn er culturele transformaties, die optreden als de aard van de materiële resten verandert door menselijk ingrijpen. Wie z’n afval opveegt, verandert ook z’n materiële neerslag. De jargontermen, die ik u gebied te vergeten, zijn n-transformatie en c-transformatie.



Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.