Tekstselectie

Plato, wiens oeuvre al in de Oudheid aan tekstselectie onderworpen is geweest (Glyptothek, München)

Oudheidkundigen hebben twee hoofdsoorten bewijsmateriaal: de materiële resten en de geschreven teksten. Beide zijn de “neerslag” van de antieke cultuur. Een cultuur die we niet langer kunnen observeren en waarvoor we dus geen direct bewijs hebben, maar slechts aanwijzingen. Veel is ’t niet, maar juist het gebrek aan en de ambiguïteit van de data maken het vak uitdagend. De hamvraag is steeds hoe we van de weinige aanwijzingen die er zijn, komen tot een verantwoorde reconstructie van de antieke cultuur.

Over de wijze waarop archeologen de materiële resten de antieke cultuur documenteren, is veel geschreven. Dat heet reconstructietheorie en die maakt onderscheid tussen twee soorten verandering. Enerzijds zijn er natuurlijke transformaties: de wijze waarop, sinds de Oudheid, de materiële resten zijn veranderd. De processen variëren van het wegspoelen van steden langs de Nijl tot het ontstaan van patina op munten. Anderzijds zijn er culturele transformaties, die optreden als de aard van de materiële resten verandert door menselijk ingrijpen. Wie z’n afval opveegt, verandert ook z’n materiële neerslag. De jargontermen, die ik u gebied te vergeten, zijn n-transformatie en c-transformatie.

Lees verder “Tekstselectie”

Leonard Woolley, Digging Up The Past

Wat resteert van de “deep sounding” van Leonard Woolley in Ur

Archeologie is kostbaar. Op een opgraving werken tientallen mensen en daarna zijn er de vondstverwerking, de conservering, de publicatie en de presentatie op de plek waar is gegraven. De financiering is altijd een probleem geweest en dat leidt nogal eens tot overdreven claims. De subsidiënt weet dan namelijk dat zijn geld is gegaan naar iets bijzonders, terwijl de buren van de opgraving ook tevreden kunnen zijn. Een van de beruchtste overdreven claims is de bewering van Leonard Woolley (1880-1960) dat hij in Ur in 1929 de kleiafzettingen van de Zondvloed had ontdekt.

Woolleys “deep sounding” in Ur

Dat leverde een van de beroemdste foto’s op uit de geschiedenis van de oudheidkunde. Zie hiernaast. En de truc werkte. De opgraving kreeg er nog vier seizoenen bij. De kuil in kwestie was echter niet meer (en ook niets minder) dan de deep sounding waarmee Woolley in Ur de hoofdlijn van de stratigrafie had opgesteld.

Je zou haast over het hoofd zien dat dit ook zonder de hysterische claim belangrijk was. Voor het eerst hadden archeologen nu werkelijk overzicht van de volgorde van de laat-neolithische, chalcolithische en Bronstijdlagen in Mesopotamië. Ik blogde er hier over. De tegenwoordig met prikkeldraad beschermde “Woolley’s Pit” in Ur is voor de archeologie van het Nabije Oosten wat het CERN is voor de deeltjesfysica en de Leeuwenhoekmicroscoop voor de biologie.

Lees verder “Leonard Woolley, Digging Up The Past”

Er is teveel aandacht voor aardewerk

Aardewerk uit Enkomi

Eigenlijk wil ik al weken eens wat Methode-op-maandag-stukjes schrijven over de koolstofmethode, want toen ik laatst op deze plek meldde dat er een probleem met de kalibratiecurve is, moest ik constateren dat ik nooit echt had uitgelegd wat dat was en waarom we nu met de gebakken peren zitten. Verder zou ik willen schrijven over tekstkritiek, want mijn stukje over de Lachmannmethode blijkt wat al te eenvoudig. U kunt het gerust lezen hoor, maar een recente editie van de Handelingen van de Apostelen leert me dat een vervolg nodig is. U moet dit alles echter te goed houden, want er ligt een lezersvraag:

Waarom hebben archeologen het zo vaak over aardewerk? Is dat niet wat al teveel?

Ja. Er is teveel aandacht voor keramiek. En ook nee, maar eerst waarom er zo veel aandacht is voor aardewerk.

Lees verder “Er is teveel aandacht voor aardewerk”