De ontdekking van het oudste Irak

‘Ubaid-aardewerk (Archeologisch Museum van de Amerikaanse Universiteit in Beiroet)

De eerste opgravers in Irak waren mensen als Botta, die Nineveh ontdekte; Layard, die de Assyrische hoofdsteden opgroef; Koldewey, die hetzelfde deed in Babylon; en Hamdi, die het museum van Constantinopel stichtte. Hun enorme verdiensten staan buiten kijf, want het was bepaald geen sinecure in het zich hervormende Ottomaanse Rijk, zonder veel duidelijke verhoudingen maar vol etnische spanningen, je werk te doen. Al bood die onduidelijkheid ook kansen. Kansen die wij misbruik zouden noemen.

Afgezien van de organisatorische problemen hadden deze archeologen te maken met het feit dat ze hun vondsten alleen konden interpreteren aan de hand van teksten. Die vormden weleens een dwaalspoor, zoals toen Koldewey in Babylon speurde naar Hangende Tuinen die even reëel waren als Diagon Alley in Londen. En dan waren er de dieper liggende lagen, die de allereerste steden documenteerden. Toen schreven de mensen nog niet, dus de opgravers hadden geen idee way ze opgroeven. Sumeriërs? Nooit van gehoord. Ook wisten ze niet hoe oud het spul was dat ze opgroeven. Ze noemden het dus maar “aardewerk zoals gevonden in Nineveh”. Zo ontstond de gewoonte archeologische culturen te vernoemen naar de eerste vondplaats. De La Tène-cultuur is een Europees voorbeeld en Andronovo is een Aziatisch voorbeeld.

‘Ubaid

Woolleys “deep sounding” in Ur

Toen de archeologen het onderzoek in Irak na de Eerste Wereldoorlog, inmiddels een mandaatgebied, hervatten, stuitten ze in Tell al-‘Ubaid (zo’n zes kilometer ten westen van Ur) op een ietwat groenige, beschilderde soort keramiek. Het was handgemaakt, dus niet met een draaischijf. Archeoloog Leonard Woolley, die dit aardewerk tijdens een verkenningscampagne aantrof, vond het later ook in Ur zelf, waar hij een immense kuil had laten graven om de stratigrafie te begrijpen. (De vakterm voor zo’n verticale kuil, recht naar de bodem van een tell, is “deep sounding”.)

Deze deep sounding is overigens afgebeeld op een van de beroemdste archeologiefoto’s van de vorige eeuw. De dikke kleilagen golden destijds als bewijs voor de Zondvloed.

In Ur lag dit beschilderde aardewerk onder de oudste stedelijke (Sumerische) resten. Omdat het keramiektype in diverse bewoningslagen aanwezig was, kon Woolley vaststellen dat het eeuwenlang in gebruik moest zijn geweest. Opvallend detail: Woolley vond dit aardewerk vaak met allerlei kleine terracotta-figuurtjes.

Uruk-aardewerk (Archeologisch Museum van de Amerikaanse Universiteit in Beiroet)

Uruk

Terwijl Woolley in ‘Ubaid en Ur bezig was, was Arnold Nöldeke van de Deutsche Orient-Gesellschaft honderd kilometer verderop bezig in Uruk. In zijn “deep sounding” wist hij achttien bewoningslagen aan te wijzen, en hij vond daarin ook het beschilderde aardewerk dat Woolley in ‘Ubaid had aangetroffen. Het lag in de zes onderste lagen (XVIII-XIII) en verdween na een wat onduidelijke periode (Uruk XII). Het aardwerk in de hogere lagen, XI-VI, was compleet anders. Het was nauwelijks gedecoreerd en vaak gemaakt op een draaischijf.

De kleine terracotta-figuurtjes ontbraken. Er was dus wel meer veranderd dan alleen het aardewerk: de hele materiële cultuur was een andere. Was er een volksverhuizing geweest?

De vondsten in Uruk V-III waren weer anders. Het aardewerk was opnieuw gedecoreerd, met bruinige tinten en met geometrische patronen. En vooral: Nöldeke en de zijnen vonden ook rolzegels, sculptuur, monumentale architectuur en iets dat begon te lijken op het vroegste spijkerschrift. Hier was duidelijk het begin van de stedelijke cultuur, maar wat was er veranderd?

Aardewerk uit Jemdet Nasr (Chicago Oriental Institute)

Jemdet Nasr

Weer 250 kilometer verderop gaf Stephen Langdon leiding aan een Amerikaans-Brits team dat Jemdet Nasr opgroef. Het was geen heel erg opmerkelijke site en de archeologen hadden hun vondsten gepubliceerd met Angelsaksische nonchalance. Gelukkig realiseerde Nöldeke dat het aardewerk uit Jemdet Nasr precies hetzelfde was als wat hij had gevonden.

Er waren nu drie soorten aardewerk die dankzij de deep soundings onderling te koppelen waren.

  • Het geometrische, bruinige aardewerk dat voor het eerst was gevonden in Jemdet Nasr representeerde de samenleving waarin de eerste steden waren ontstaan.
  • Het vrijwel ongedecoreerde, op een draaischijf gemaakte aardewerk dat voor het eerst was gevonden in Uruk was iets ouder.
  • Het beschilderde aardewerk dat voor het eerst was gevonden in ‘Ubaid lag overal onderaan.
Op weg naar het spijkerschrift: een kleitablet uit Uruk III (Louvre, Parijs)

Leiden

In 1929 kwamen de archeologen in Leiden samen om hun vondsten en inzichten te bespreken. Dat leidde tot de naamgeving voor de vroege geschiedenis van Irak zoals we die nog steeds kennen.

  • Vroegdynastiek: de eerste Sumerische steden (Uruk II-I)
  • de Jemdet Nasr-periode: het ontstaan van de eerste steden (Uruk V-III; 3100-2900 v.Chr.)
  • de Uruk-periode: het Chalcolithicum ofwel vierde millennium v.Chr. (Uruk XI-VI)
  • de ‘Ubaid-periode: het slot van het Neolithicum ofwel het late zesde en het vijfde millenium v.Chr. (Uruk XVIII-XIII)

De dateringen die ik hierboven gaf, zijn pas later vastgesteld: daarvoor was koolstof nodig. Waardoor de culturen veranderden, is nog steeds een vraag. Wat we wel weten is dat de samenleving steeds gestratificeerder raakte. Er ontstond sociale ongelijkheid die nooit meer is verdwenen.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

30 gedachtes over “De ontdekking van het oudste Irak

  1. Jort Maas

    Leuk stukje, deed mij ook even nadenken over de aard van ‘bewijs’. Een mooi voorbeeld (deep sounding foto) dat alle observatie ‘theory laden’ is en men uit observaties nooit direct de waarheid kan afleiden. Hieruit volgt de dood van het empirisme, wat voor sommigen nog steeds een verrassing is 😉

      1. Jort Maas

        Ja exact. Dat is precies mijn punt. Empirisme verondersteld echter dat waarheid direct uit observaties te ‘lezen’ is. Vandaar mijn opmerking over ‘theory laden’.

      2. Jort Maas

        Ja exact. Dat is precies mijn punt. Empirisme verondersteld echter dat waarheid direct uit observaties te lezen is. Dat is wat ik bedoelde met mijn opmerking over ‘theory laden’.

        1. Rob Duijf

          Precies. We interpreteren altijd tegen de achtergrond van de kennis die we al hebben – en dus al verouderd is vanaf het moment dat we deze hebben opgedaan etc. Met die kennis vormen we ons een beeld van wat we menen waar te nemen.

          1. Martin van Staveren

            Het antwoord is de stelling van Bayes. En dan lees je inderdaad: the data do not speak. Maar er zijn veronderstellingen die zo vaak bevestigd zijn dat we dan wel over bewijs spreken. Als ik een bekeuring krijg voor te hard rijden dan heeft het geen zin om te gaan beweren dat bewijs niet bestaat.

    1. FrankB

      “Hieruit volgt de dood van het empirisme …..”
      Nee, dat volgt hier niet uit, tenzij u het empirisme van Bacon, Locke, Berkeley en Hume bedoelt. Die is echter al dik 200 jaar dood, omdat wetenschappers het methodologisch naturalisme ontwikkelden. Empirisme is daar een essentieel onderdeel van.

  2. Jort Maas

    Juist. Alsof Jona een hunebed kon observeren en daaruit direct kon afleiden wat het verhaal ervan was. Naief, maar toch denken veel mensen dat observatie (wetenschap) zo werkt. Het is in de eerste plaats een creatief proces waarin we fouten maken. Soms kunnen we onze verklaringen verbeteren met observaties maar het begint met een theorie.

      1. Jort Maas

        Dat ook, de observatie heeft het idee niet ontkracht (tot zover) als je exact wilt zijn. Natuurkundig instrumentalisme is een recent voorbeeld. Daarmee beantwoord ik ook je andere punt, ik had het dus niet over 200 jaar oud empirisme. Maar het soort denken dat onder inductie valt, en dat is er nog in overvloed.

  3. Rob Duijf

    Nog even de puntjes op i: eerst is er observatie van de objectieve werkelijkheid; dan volgt subjectieve interpretatie van de objectieve werkelijkheid met de subjectieve elementen die we kennis noemen en die de indrukken en impressies van eerdere observaties zijn. En dat noemen we wetenschap, maar dat is niet meer dan een abstractie van de werkelijkheid.

    1. Rob Duijf

      Waarmee ik bedoel dat observatie, waarneming, altijd aan de cognitieve verwerking van de zintuigelijke informatie voorafgaat. Zijn we ons daar niet van bewust dan zien we niet wat is, maar de abstracties van de abstacties – dus de kennis die we al hebben – en die kennis modificeren we, maar de objectieve werkelijkheid ontgaat ons.

      Dat is de beperking van de wetenschap – want kennis – die we goed in het snotje moeten hebben.

      Daarom ook is het zo ontzettend belangrijk te beseffen wat observatie werkelijk is, d.w.z. de kunst van het waarnemen. Dat is niet iets exotisch, maar het normale, heldere, alerte functioneren van ons brein in ons dagelijks leven.

      1. Jort Maas

        Ja, ik ben het in grote lijnen wel met je eens, maar zet de puntjes net iets anders. Wetenschap begint niet met observatie, dat is empiricisme in de notendop. Observatie heeft geen betekenis zonder kader. Terug naar Jona en het hunebed, er was een reden waarom hij daar ging observeren. Een beroemd voorbeeld is de professor die tegen zijn klas: “observeer!” zei. Het was stil, totdat iemand vroeg: “observeer wat?”. Wetenschap begint eerst met een al dan niet impliciete hypothese/theorie. Observatie dient het doel om hypothesen te verwerpen, maar we zullen nooit zeker zijn dat de huidig favouriete hypothese de werkelijkheid is. Jij noemt dat abstracties. En dat is ook zo. Ik zou het zelf niet per se ‘subjectief’ noemen. De poging om verklaringen/hypothesen te verbeteren met kritiek (observatie is eigenlijk een soort kritiek op je idee) is wat ik ‘objectief’ zou noemen. In de zin dat het niet de ‘pure’ werkelijkeheid betreft maar dat deze methode de meest objectieve is die we kennen. Het zelfcorrigerend mechanisme is hetgeen dat subjectiviteit zo objectief mogelijk maakt.

        1. Huibert Schijf

          Er lopen mijn inziens enkele zaken door elkaar. Observeren hoeft niet per se theorie gestuurd te zijn. Soms worden er veel observaties verricht of data verzameld zonder vooropgesteld plan wat men wil. In mijn studententijd bij sociologie werd soms gebruik gemaakt van zogenaamde omnibusenquêtes. Het verzamelen van die gegevens werd op zich niet geproblematiseerd. Een beruchte analysemethode was dan om alle variabelen met elkaar in verband te brengen. Was een verband statistisch significant dan werd verder gekeken. “Garbage in, garbage out” heette dat terecht. Zoiets wordt allang niet meer gedaan, maar omnibusenquêtes bestaan nog steeds. En het is duidelijk dat analyses van data geleid moeten worden hypothesen die toetsbaar zijn. Maar wat zijn dan theorie gestuurde observaties. We zien pas dingen als we weten waar we naar moeten kijken. Dat is waar, maar hoe gaat dat in de praktijk? Verrichten archeologie echt theorie-gerichte opgravingen. Dat kan ik me niet goed voorstellen. Voor zover ik weet lijken opgravingen eerder op die omnibusenquêtes. Alles wordt verzameld. Zoals bekend wordt soms wetenschappelijke vooruitgang geboekt door bestaand materiaal met nieuwe technieken opnieuw te onderzoeken. En vergelijken moet ook altijd.

          1. Jort Maas

            In jouw voorbeeld was wel de verwachting dat de data gebruikt zou worden voor onderzoek. Alleen dat feit al hangt de observatie in een hele serie theorieen en relaties. In die zin bedoelde ik.

            Wat betreft archeologie, of men zich er bewust van is of niet, men gebruikt bij opgravingen allerlei theorieen. Die van stratigrafie, kennis van sporen, materiaal, dateringen enzovoorts. Vondsten en andere observaties betekenen alleen wat in dat al bestaande web. En nieuwe vondsten/observaties (versterkt door nieuwe methoden) zijn belangrijk om te kijken of dat bestaande web aan verklaringen en hypothesen wel klopt. Daar zit de vooruitgang.

          2. FrankB

            “Observeren hoeft niet per se theorie gestuurd te zijn.”
            Hangt er van af hoe u “observeren” definieert. Psychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat waarnemen en interpreteren altijd samengaan bij mensen.

      2. Robbert

        Nog een puntje op de i.
        Het is lastig om van objectieve (of pure) werkelijkheid te spreken, “de werkelijkheid” is een hypothese. Dat wat wij als werkelijkheid aannemen, kennen we alleen door onze zintuigen + hersenverwerking. Gevolgd door reflectie (verdere cognitieve verwerking). Dat vindt plaats nog voor er van enige wetenschap sprake is.
        Dit puntje heeft, toegegeven, weinig praktische betekenis voor het dagelijks leven. En ook niet voor de hieronder geplaatste discussie over wetenschap (die ik met instemming las), of met het heldere korte overzicht van Jona over archeologie in Irak.

        1. Rob Duijf

          ‘“de werkelijkheid” is een hypothese.’

          Laten we eens kijken of we daar enige helderheid in kunnen krijgen.

          Het brein wordt voorzien van informatie uit de zintuigen. Die zintuigen zijn beperkt, maar in het brein ontstaat waarneming van de werkelijkheid zoals die zich door de zintuigen aan het brein voordoet. Het brein voegt middels centrale coherentie al die informatie samen tot een geheel.

          Voor het brein is dat de objectieve werkelijkheid waar het in mee beweegt. Het acteert direct op veranderende omstandigheden. Dat is een kwestie van veiligheid. Het brein functioneert daarin volkomen autonoom, overigens net zo autonoom als het brein van een koe of een vleermuis of een ander dier. Dat maakt het brein tot een fantastisch orgaan!

          Waarneming, observatie, is dus het neurobiologische vermogen van het brein. En het is pre-cognitief, want het is in zijn ontwikkeling miljoenen jaren ouder dan de relatief jonge cognitie; ca 150.000 jaar geleden (nog maar) is Homo sapiens als moderne mens herkenbaar.

          Cognitie – het ‘weten’ – is kennis. Het denken is kennis; er is geen kennis zonder denken. Kennis is letterlijk ‘Dat wat gekend is’. Kennis is de indruk, de impressie, van de objectieve werkelijkheid, die het denken vastlegt in het geheugen. Het is dus niet het object zelf dat wordt vastgelegd, maar de indruk van dat object of de impressie van die objectieve gebeurtenis.

          Wat is nu die indruk? Dat is een identiteit, namelijk een woord-beeld-associatie. Bijvoorbeeld een boom; dat is dat groene ding dat daar ergens in het bos, in het veld of langs de weg staat. Wat gebeurt er in het brein? Eerst is er waarneming, dan is er focus op dat ding. Die focus is de registratie: ‘Boom’. Hoe weet ik dat? Dat heb ik geleerd.

          Het object en de afbeelding van dat object (foto, plaatje, tekening) is mij in het verleden aangewezen (focus) en benoemd en dat is vele malen herhaald. Zo heb ik het geleerd. De indruk – het beeld – is geassocieerd met een woord. Het heeft een identiteit gekregen. Bij het woord kan ik mij het beeld voorstellen, bij het plaatje kan ik het woord geven. Dat is dus het subject. De objectieve boom staat in het bos, die zit niet in mijn hoofd (mag ik hopen, anders gaat er iets niet goed…), de subjectieve woord-beeld-associatie is als identiteit, waaronder het hele concept ‘boom’ hangt, in mijn geheugen opgeslagen. Dus telkens als ik op zo’n object focus, is er HERkenning, omdat de kennis er al is. Ik identificeer het object aan de hand van zijn identiteit. Herkenning is herinnering en die herinnering wordt gemodificeerd en als nieuwe informatie weer opgeslagen.

          En zo heb ik van kind af aan vele duizenden identiteiten opgedaan. Die heb ik geleerd. Dat is al begonnen nog voor ik met het leesplankje werd geconfronteerd. Die kennis heb ik nodig om als denkend wezen praktisch te kunnen functioneren. Maar ik moet ook beseffen dat kennis en dus het denken beperkt is en dat het is gebaseerd op verbeelding van de werkelijkheid, zoals ik hierboven heb laten zien.

          Er is nog iets. Daar waar waarneming van het brein van de objectieve werkelijkheid Nu plaatsvindt, is kennis en dus het denken tijdgebonden. Kennis is verleden tijd die in het heden wordt gemodificeerd en geprojecteerd op de toekomst. Omdat het een tijdgebonden proces is, kan het onmogelijk de werkelijkheid –  ‘dat wat is’ – bevatten, want al dat er is, het geziene en het ongeziene – is Nu, op dit moment. In het Nu geldt t = 0.

          Dus kunnen wij weten wat werkelijkheid is? Niet in de vorm van kennis. Het denken als cognitief proces is daartoe volledig ontoereikend. Het brein daarentegen neemt waar, het brein observeert! Als er waarneming is, kan er onmogelijk ook denken en dus kennis zijn. De objectieve werkelijkheid is een andere dimensie dan de dimensie van het tijdgebonden denken. Het denken is in waarneming afwezig. Daarmee krijgt ‘weten’ een totaal andere betekenis, namelijk die van niet-kennen.

          Daarom begint het hele verhaal met waarneming, observatie. Dat is niet iets exotisch of hypotetisch, maar het vermogen van een gezond en helder functionerend brein.

            1. Anna Minis

              Bij ”er is nog iets” wordt het in mijn ogen interessant…
              ‘Werkelijkheid is dat wat IS”….dus niet wat geweest is en/of wat komen gaat.
              ”De objectieve werkelijkheid is niet de dimensie van het tijdgebonden denken”.
              Maar wij kunnen niet denken zonder rekening te houden met tijd het tijdegebonden denken. Daarom is ”onze kennis verleden tijd, in het heden gemodificeerd ebgeprojecteerd op de toekomst”.
              Voor mij is dat volkomen helder,

  4. Frits Selier

    Niet overdrijven. De werkelijkheid is wat ie is. Loop maar eens tegen een lantaarnpaal aan. Iets anders is dat we de werkelijkheid beleven en talig maken. Dan spreekt de werkelijkheid niet meer voor zich en moeten we gaan duiden.
    Doen we steeds in de dagelijkse omgang en wetenschap is niet echt anders.

  5. FrankB

    Bij deze nodig ik alle leunstoelwetenschapsfilosofen uit tot het volgende. Beklim een hoog gebouw, ga aan de rand staan en stap voorwaarts. Vertelt u mij na afloop wat uw hoogstpersoonlijke interpretatie is van deze subjectieve ervaring in dit stukje betwijfelde werkelijkheid, vooral als deze inhoudt dat u naar boven bent gevallen. Maar in navolging van Martin van S met zijn geliefde Stelling van Bayes wed ik erop dat u een door en door empirische extrapolatie uitvoert van talloze waarnemingen uit het verleden en die, op het moment dat u aan die rand staat of al eerder, projecteert op de zeer nabije toekomst. Ook al zijn resultaten uit het verleden daar geen garantie voor.
    In dergelijke gevallen zorgt empirie er blijkbaar voor dat de ene interpretatie minder slecht is dan de andere. De interpretatie dat alle interpretaties even slecht zijn is de slechtste van allemaal (met dank aan Isaac Asimov).

  6. Martin van Staveren

    Inderdaad, niet alle interpretaties zijn even goed. Dat is precies wat de stelling van Bayes uitdrukt. Dat is het probleem bij “onderwijskunde” etc, waarin gewoon zonder enige statistische basis politiek wenselijke conclusies worden getrokken uit statistische gegevens. Dat komt ook doordat onderwijskundigen geen notie van statistiek hebben, men kletst maar een eind aan. Dan kan WOinActie wel klagen, maar dan denk ik: kijk eerst eens in de spiegel.

Reacties zijn gesloten.