Een bezoek aan de catacomben (1865)

De gereconstrueerde “crypte van de pausen” (Catacomben, Valkenburg)

Op 28 februari 1865 bezocht de reislustige Nederlandse miljonair Piet de Sonnaville (1830-1925) de catacomben van Rome, die in deze jaren zeer sterk in de belangstelling stonden. Dat had alles te maken met het feit dat paus Pius IX de afbrokkeling van zijn wereldlijke gezag probeerde te compenseren door de ouderdom van het pausdom te benadrukken. Het ambt zou immers teruggaan tot op de apostel Petrus. Het kwam propagandistisch dus goed uit dat in 1853 de “crypte van de pausen” werd ontdekt, waarin enkele derde-eeuwse bisschoppen lagen begraven, want dat bevestigde de pauselijke claims. Vandaar dat elke bezoeker aan Rome het advies kreeg eens een kijkje te gaan nemen aan de Via Appia. Interessant was zo’n bezoek aan een onderaards grafveld sowieso.

De Sonnaville probeerde, bij wijze van souvenir, uit een van de graven een stukje botmateriaal mee te nemen. Een reisgenote wist de grafschennis gelukkig te verhinderen. Hier is het verslag.

***

Deze vastenavonddag was voor mij de aangenaamste mijner geheele reis. Wij hadden reeds gesproken over de katacomben, heden was het eene mooye voorjaarsdag; ik opperde bij het ontbijt aan de familie Herbetz om derwaarts te gaan. Mama wordt overgehaald door de dochter, ik bestelde een rijtuig en spoedig reden we vrolijk en schertzend door de sombere straten der stad. […]

Eindelijk waren we aan een poort met opschrift dat daar de ingang tot de katacomben van St. Calisto, zoo genaamd naar de Paus martelaar, was. Die wilde wij bezoeken als een der voornaamste. De catacomben waren een van die zaken die ik het meest benieuwd was om te zien, daar ik er mij geen begrip van had kunnen vormen. Ze strekken zich immer onder den grond zeer vertakt uit, hebben soms 5 verdiepingen boven elkaar en volgens Marchi zouden de galerijen aan elkaar een lengte hebben van 300 uren met wel 6.000.000 graven.

Ik ben het met mijn Guide du Pays eens dat de katacomben hunne oorsprong te danken hebben aan uitgravingen van steen welke voor de destijds ’s werelds hoofdstad benoodigd waren en dat later de Christenen hunne godsdienst in die verlaten groeve hebben uitgeoefend en hunne geloofsgenooten en martelaren begraven.

In de St. Pietersberg bij Maastricht geschieden nog zulke uitgravingen van steen om te bouwen; deze onderaardsche galerijen met pilaren om instortingen te voorkomen, zouden wanneer eene vervolgde secte daarin zijn toevlugt nam voor hunne godsdienstoefeningen, de wanden wat gelijk maakten en beschilderden, er hun dooden begroeven, de volkomenste gelijkenis met de Romeinsche katacomben hebben.

Na eenige woordenwisseling met den bewaarder, daar we geen toegangskaart hadden, werden we toch toegelaten, kwamen over een veld aan den toegang. Mevrouw was huiverig den langen trap af te gaan, doch hare moedige dochter boezemde haar moed in, we daalden een geruimen tijd te midden van een labyrinth van galerijen, sommige zoo eng dat men er te naauwernood door kon gaan. De doodsche stilte, het zwakke licht onzer kaarsjes die de opengemaakte nissen beschenen met asch en beenderen van Christenen ander half duizend jaren daar bijgezet, maakt op ons eene plegtige indruk, we verstoorden met geen woord de eeuwenrust dezer doodenrustplaats en in stilte wandelden we voort, onze gids volgende en zijne aanwijzingen vernemende, tot dat we in eene ruime omvang kwamen dat de bedeplaats der geloovigen was, de plaats van het autaar is nog aanwezig en verscheidene fresco’s zeer goed bewaard, en door hunne voorstelling zeer merkwaardig als daterende van de eerste eeuwen van het Christendom.

Vele kleinere en grooten kapellen met zulke muurschilderingen zagen we. De namen der bijgezette personen zijn aangeduid op de steen, die de nis sluit. Een martelaar heeft een bijzonder teeken die zijne rustplaats kenmerkt en de meeste die hun geloof met hun bloed bezegelde, zijn overgebragt in kerken.

Ik had een stuk gebeente uit eene opene tombe genomen om als herinnering mede te nemen. De sinds honderden jaren overledene Romein zoude mij dat niet kwalijk nemen maar wel Mej. Herbetz, die mij het gebeente uit handen nam en het ter plaatse deponeerde, waar ik het vandaan genomen had, “geen grafschendenis” zeide zij bij mij om toe te zien dat ik mijne handen niet ten tweede maal zoude uitsteken, tot dat ik haar beloofde zonder roof deze onderwereld te verlaten mits zij mij een gedachtenis aan de catacomben zoude geven.

Geruimen tijd vertoefden we en lieten ons de primitieve muurschilderingen voorstellende episoden uit het leven van Christus en der eerste Christenen en andere bijzonderheden uitleggen.

Eindelijk aanschouwden we wederom het daglicht en de buitenlucht deed ons goed. Ik was in druk gesprek met den broer, aan de gebeentequestie niet meer denkend, toen Mej. H. mij zeer gracieus ter hand stelde een bouquet van wilde bloempjes geplukt aan den ingang der catacomben vastgebonden met een lindje ontnomen aan haar toilet in voldoening harer belofte; dus als herinnering in plaats van een vermolmd gebeente uit een koud graf nam ik meê een frisch bouquetje mij aangeboden door een jeugdige hand.

Na dien onderaardschen togt en bij dezen warmen dag wenschte ik wel iets verfrisschends, daarom deed ik het voorstel dat aangenomen werd om te rijden naar een osteria alwaar we in den witte Montepulciano een tamelijk goed landwijntje vonden.

***

De Sonnaville zou na zijn bezoek aan Rome nog reizen maken naar het Heilig Land en het Verre Oosten. In Nederland was hij medeoprichter van de prachtige Passage in Den Haag (1882) en het al even prachtige Kurhaus op Scheveningen.

Met dank aan Olivier Mertens.

Deel dit:

9 gedachtes over “Een bezoek aan de catacomben (1865)

    1. Het graf van Petrus is misschien een leuk onderwerp voor een blogje. Daarna wordt het lastig. We weten tot het einde van de tweede eeuw na Chr. eigenlijk niks over de christelijke gemeenten in Rome. Er zijn leiders geweest, ongetwijfeld, en ze zullen wel episkopoi hebben geheten, bisschoppen dus, maar dat is alles.

  1. Egbert B.

    “mits zij mij een gedachtenis aan de catacomben zoude geven”

    Is “een bouquet van wilde bloempjes” beeldspraak?
    Immers, hij kent de grotten van Valkenburg.

  2. Marijn Taal

    Als een Scheveninger die zowel in de Catacomben van Sint Callixtus in Rome als in de Romeinse Katacomben in Valkenburg (en in de prachtige Passage in Den Haag en het Kurhaus op Scheveningen) geweest is, vind ik dit een zeer leuk blogje. Ik wist niet dat al deze vier plaatsen met Piet de Sonnaville verbonden zijn.

    1. Robbert

      Leuk om weer eens een anderhalve eeuw oud tekstje Nederlands te lezen.

      Wij bezochten vorig jaar de nagemaakte catacomben in Valkenburg, interessant! en naar ik aanneem een goede indruk gevend van de echte voorbeelden in Rome.
      Overigens niet te danken aan De Sonnaville maar aan de welgestelde gebroeders Diepen.

  3. Dirk Zwysen

    Leuk stukje!

    In 1898 verscheen “The New Catacomb”, een kortverhaal van Arthur Conan Doyle in gelijkaardige setting, maar met een heel ander einde. Aanrader, maar misschien niet vlak voor een bezoek.

Reacties zijn gesloten.