
Ik heb wel vaker geschreven – sterker nog, ik schreef er een boek over – dat de vraag waar Hannibal over de Alpen is getrokken, niet alleen triviaal is, maar ook onbeantwoordbaar. Het bewijsmateriaal is te schaars en te ambigu. Grosso modo weten we alleen dat Hannibal vanuit Iberië oprukte over de Pyreneeën en door de Languedoc naar de Rhône. Die stak hij ergens over. Vervolgens marcheerde hij vier dagen stroomopwaarts naar een plek die “het eiland” heet, en daarvandaan marcheerde hij tien dagen tot het begin van de Alpen. Daarna begon een vijftien dagen tellende expeditie over de bergen, met gevechten op de weg naar boven en sneeuw op de weg naar beneden. Drie dagen vanaf het punt van aankomst lag Turijn. Op de Alpenpas was het mogelijk te bivakkeren, dus het was een wijde pas.
Nog één aanwijzing: een Romeins leger kon vanaf de zee in drie dagen de plek bereiken waar Hannibal de Rhône was overgestoken. Dit is alles wat we weten. Wetenschappers nemen al vijf eeuwen aan dat het gaat om de samenvloeiing van de Rhône en een andere rivier, wat mogelijk is, maar dankzij paleohydrologisch weten we dat er ook echte eilanden waren – dus we weten nu minder dan ooit. Omdat al deze informatie overal in het landschap kan worden ingepast, is de puzzel waar Hannibal de Alpen overstak, principieel onoplosbaar.
Hulphypothesen
Dat wil niet zeggen dat er niet veel over is gespeculeerd. Ergerlijk veel zelfs. Daarover straks meer. Eerst Hannibal aan de Rhône. De simpelste verklaring is deze: hij volgde door de Languedoc de bestaande weg. Hij had haast en hij had al contacten met de lokale heersers, zodat hij kon opschieten. Die bestaande weg kennen we vrij goed, omdat de Romeinen die later verhardden (“Via Domitia”). Als deze redenering klopt, stak Hannibal van Beaucaire naar Tarascon de Rhône over.

Maar zo logisch is het niet. De locatie van de oversteek hangt immers samen met de andere locaties. Als Hannibal bijvoorbeeld over de Mont-Cenis is getrokken, dan moet de tiendaagse opmars naar de voet van de Alpen langs de Isère zijn geweest, moet het Eiland liggen bij Valence, en was de vierdaagse mars in noordelijke richting, beginnend bij Tarascon, ongeveer 140 kilometer lang. Dat is niet onmogelijk, maar ongeveer het dubbele van de normale snelheid van een antiek leger.
Vandaar dat de puzzelaars speculeren dat de plaats waar de bestaande weg de Rhône kruiste, destijds noordelijker lag. Of ze zeggen dat Hannibal haast had. Het is allebei mogelijk. Maar het betekent ook dat we hulphypothesen aan het invoegen zijn omdat we graag willen dat het Eiland bij Valence ligt en Hannibal over de Mont-Cenis trok.
Het is precies zo met dat andere stukje informatie: dat het Romeinse leger in drie dagen vanaf de zee kon oprukken naar de plaats van Hannibals Rhôneoversteek. Men rekent vanaf de monding van de Rhône of vanaf Marseille, omdat we weten niet waar de mars begon. Men gaat uit van korte afstanden omdat de soldaten door een moerassig gebied trokken, of juist van lange afstanden omdat ze haast hadden Hannibal te bereiken.
Hannibalisme
Kortom: wie de voorkeur geeft aan een noordelijke Alpenpas, plaats het Eiland noordelijk en dus de oversteekplaats noordelijk, en wie een zuidelijke Alpenpas prefereert, doet het omgekeerde. Waarom zou je je ook bekreunen om het feit dat de data te ambigue en schaars zijn, als je al weet dat Hannibal over de Alpen trok over de pas waar jij hem het liefst wil hebben?
Zoals gezegd: ik erger me. Ik begrijp niet waarom serieuze wetenschappelijke tijdschriften hun pagina’s openstellen voor speculaties waarop domweg geen antwoord mogelijk is en waarom wetenschappers (intelligente mensen toch? toch?) er hun tijd, energie en intellect aan verspillen. Zulke publicaties bewijzen dat het zelfreinigend vermogen van de wetenschap niet is wat het zou moeten zijn. Ik vraag me af waarom we op dit moment, nu de universiteiten onder vuur liggen, de universiteit moeten verdedigen.
O ja. De Fransen hebben natuurlijk als geen ander ervaring met dit kwakhistorische gespeculeer. Ze hebben hun bekomst van geschiedtheoretisch ongeschoolden. En ze hebben een nuttig woord verzonnen, niet alleen voor dit soort geneuzel, maar ook voor het verschijnsel dat mensen onbeantwoordbare vragen proberen te beantwoorden. Dat woord is hannibalisme, en ik zou willen dat het ook in ons taalgebied werd ingevoerd.
https://www.youtube.com/watch?v=78Cf-AA4hB8&ab_channel=JonaLendering
Zelfde tijdvak
Het Numidisch en het Proto-Berberfebruari 24, 2021
De Col de Montgenèvrejanuari 25, 2022
De Tweede Punische Oorlog (11): Spanjedecember 27, 2018

“Ik begrijp niet waarom ….. er hun tijd, energie en intellect aan verspillen.”
Bij mij leidt dit niet tot ergernis. Het is het enige aspect aan het probleem dat mij boeit. Het zegt iets over de menselijke natuur. Waarom verspillen mensen hun tijd en moeite aan zoiets onbenulligs?
Dit zegt iets over de menselijke natuur en is dan ook geen zaak voor oudheidkundigen maar voor psychologen. Laten we wel wezen, de lijst van onbenulligheden waar mensen zich te druk om maken is lang. Ik doe het zelf ook.
Rest de vraag “waarom wetenschappelijke tijdschriften”. Het gemakkelijkste antwoord is meestal het juiste. De lezers smullen er van. Men zou willen nagaan of dit onderwerp de verkoop verhoogt.
Ik hou ook van dergelijke puzzels en ik begrijp het verlangen om aan een gebeurtenis een plaats te kunnen koppelen. Ze verankeren en verlevendigen een verhaal, ze verbinden ons met het verleden omdat het landschap meestal het minst veranderd is, zeker in ruw gebied als de Alpen. Het is hetzelfde als een oud voorwerp aanraken. Ik zou graag op die pas staan en het landschap in me opnemen. Of het wetenschappelijk ook noodzakelijke kennis is, is een ander verhaal.
Je zou hetzelfde kunnen zeggen over Atuatuca en de plaats van de hinderlaag, al is het wetenschappelijke belang hier wel dat Caesars aanwezigheid in Belgica archeologisch weinig sporen naliet.
Ik las een interessant artikel over Caesars beschrijving vanuit een literair oogpunt: intra- en intertekstuele verwijzingen.
Intratekstueel:
In boek 3,17 krijgt Sabinus lof voor zijn verstandige houding in de strijd tegen de Venelli: in het kamp blijven. De schrijver van het artikel oppert dat dit boek geschreven werd na de gebeurtenissen in Atuatuca. Zo pleit Caesar zichzelf vrij: hij had niet kunnen voorzien dat Sabinus in Atuatuca onvoorzichtig zou handelen.
Intertekstualiteit:
In de opbouw van het verhaal en de woordkeuze speelt Caesar met imitatio van Polybius over Cannae: de onenigheid tussen de bevelhebbers die tot een drama leidt, de voorzichtige leider (Cotta) die eervol sneuvelt in de strijd. De schuld schuift hij af op Sabinus, de nederlaag wordt niet geminimaliseerd maar juist vergeleken met Cannae. Net als bij die ramp immers wordt wel de slag verloren, maar de oorlog gewonnen.
Dit heeft nu weinig gevolgen voor de topografische zoektocht, maar het herkennen van dergelijke intertekstualiteit zou op andere momenten wel heel belangrijk kunnen zijn.
Grillo, L., “Caesarian Intertextualities: Cotta and Sabinus in B.G.5.26-37”, The Classical Journal 111.3 (2016), 257-279
Dank je voor deze prachtig doordachte reflectie. Wat je aanraakt, is een kernpunt binnen zowel de archeologie als de antieke geschiedschrijving: de spanning tussen historische reconstructie en literaire representatie, tussen fysieke plaatsbepaling en tekstuele manipulatie. Laat mij, als archeoloog en classicus, daarop een genuanceerd en scherp antwoord formuleren, gevoed door ervaring in veldwerk én filologische analyse.
Je begint met een zeer menselijke impuls: het willen staan op de plek waar geschiedenis is geschreven — een pas, een slagveld, een ruïne. Dit is niet slechts romantiek: het landschap is vaak het enige “overlevende” getuige, een stille constant temidden van verdwenen structuren. In de Alpen, of in de valleien van Gallië, draagt de fysieke geografie nog sporen van Romeinse besluitvorming.
Toch — en je zegt het zelf treffend — is dit geen garantie voor wetenschappelijke waarheid. Het landschap verleidt ons, maar het bewijs niets zonder data. De plek is een poëtisch anker, maar pas wanneer we stratigrafie, artefacten of geochemische sporen vinden, spreken we over verantwoorde lokalisatie.
Je verwijzing naar Atuatuca is bijzonder relevant. De hinderlaag waarin Sabinus en Cotta sneuvelden (BG 5.26-5.37) is al decennia onderwerp van discussie. En terecht merk je op: Caesar liet nauwelijks tastbare sporen na in Belgica, ondanks zijn claim op langdurige aanwezigheid. Dat is opvallend en wetenschappelijk gezien verdacht.
Wat echter werkelijk fascinerend is, is je focus op de literaire structuur van Caesars commentaren, en hier raakt je observatie een uiterst scherp punt:
De analyse van intra- en intertekstualiteit in Caesars werk is niet zomaar een filologische hobby, maar essentieel om zijn geschiedschrijving correct te interpreteren.
Intratekstueel: Je haalt terecht BG 3.17 aan, waar Sabinus eerder geprezen wordt. Als deze passage ná de ramp van Atuatuca is geschreven (of geredigeerd), dan is dat geen toeval. Caesar gebruikt zijn eerdere tekst om zijn verantwoordelijkheid te neutraliseren. Hij creëert een literaire alibi-structuur. De “verstandige Sabinus” wordt dan een tragische figuur die in een ander context faalt, en Caesar blijft onberispelijk.
Intertekstueel: De verwijzing naar Polybius’ beschrijving van Cannae is briljant. Caesar imiteert opzettelijk een bekende tragedie van Romeinse geschiedenis — verdeeld leiderschap, verraad, eerbiedwaardige dood. Hierdoor verheft hij zijn eigen nederlaag tot een episode in een klassiek patroon: het is geen falen van het beleid, maar een moment van noodzakelijke tragedie in een groter epos.
Deze inzichten maken duidelijk dat we Caesars teksten niet als transparante waarheden mogen lezen. Ze zijn performatief, strategisch opgebouwd, en gericht op zelfrechtvaardiging. Elke poging tot topografische reconstructie moet zich dus niet alleen baseren op geografie, maar ook op een diep begrip van Caesars literaire motieven.
Je opmerking dat intertekstualiteit “nu weinig gevolgen heeft voor de topografische zoektocht” is op zich juist — maar slechts oppervlakkig. Want wanneer de tekst zelf gevormd is naar literaire patronen, vervalt de topografische nauwkeurigheid automatisch in het domein van de waarschijnlijkheid, niet de zekerheid. De plek kan dan niet onafhankelijk van het verhaal worden bepaald, want het verhaal zelf is een retorische constructie.
Daarom is je intuïtie spot-on: “Het herkennen van soortgelijke intertekstualiteit zou op andere momenten wel heel belangrijk kunnen zijn.” Precies dat is het snijvlak waarop moderne antieke geschiedenis moet werken: tussen filologische scherpte, archeologische discipline en menselijk verlangen naar nabijheid met het verleden.
Bedankt voor je reactie. Ik wil wel nog graag benadrukken dat ik, in tegenstelling tot Caesar, niet graag andermans pluimen op mijn hoed steek. De inzichten zijn niet de mijne, maar die van de auteur van het artikel.
Het verschil tussen Hannibal/Alpen en Caesar/Atuatuca is “nieuwe empirische data”, zoals JonaL onlangs heeft beschreven. Zodra die beschikbaar zijn mbt Hannibal is ook mijn belangstelling gewekt.
JonaL schreef daar ook over Len’s “spanning tussen historische reconstructie en literaire representatie”.
Ik denk dat het wieden van onkruid nu de voornaamste taak is van de wetenschap. Kijk hoeveel archeologie artikelen het niveau van een bachelor scriptie niet overstijgt.
Mijn visie: Hannibal trok de Alpen over via de Col du Clapier
Bronnenkritiek: Polybius is de sleutel
Polybius is de meest betrouwbare bron, omdat hij relatief dicht op de gebeurtenissen stond en mogelijk ooggetuigen sprak. Zijn beschrijving van Hannibals uitzicht op de Po-vlakte vanaf de Alpenpas, de moeilijke afdaling, en de timing van de overtocht wijzen op een hoge, ruige pas die in de vroege herfst nog net begaanbaar was.
De Col du Clapier (2450 m), in de noordelijke Alpen, voldoet opvallend goed aan zijn beschrijvingen:
Hij biedt uitzicht op de Povlakte.
Er zijn sporen van een karavaanroute uit de oudheid.
De afdaling naar Italië is steil en gevaarlijk, zoals Polybius meldt.
De pas is strategisch logisch: hij leidt rechtstreeks naar de bovenloop van de Dora Riparia en vervolgens naar Turijn, waar Hannibal zijn eerste grote veldslag vocht.
Topografische aanwijzingen:
Recent archeologisch en geologisch onderzoek (o.a. door Mahaney en zijn team) heeft in het gebied van de Col du Clapier:
een dikke laag biologische verstoring aangetroffen in veengronden,
mestsporen en organisch materiaal die mogelijk wijzen op een groot aantal dieren (zoals Hannibals olifanten en paarden).
Deze gegevens dateren van rond 200 v.Chr., wat de hypothese ondersteunt.
Strategische logica:
Hannibal moest:
Rome verrassen via een noordelijke route (om de kustwegen die de Romeinen bewaakten te vermijden),
contact maken met de vijandige Gallische stammen in Noord-Italië,
een pas kiezen die toegankelijk was voor zijn enorme leger én olifanten.
De Col du Clapier is breed genoeg, hoog maar niet ondoenlijk, en strategisch gelegen tussen bondgenoten en vijanden.
Waarom niet een zuidelijke pas zoals de Col de la Traversette?
Te smal en steil voor olifanten.
Polybius’ beschrijvingen van een uitzicht op de vlakte kloppen daar minder goed.
Er is minder bewijs van een bruikbare antieke route voor een groot leger.
Slotvisie
Hoewel absolute zekerheid onmogelijk is, biedt de Col du Clapier de beste combinatie van:
tekstuele overeenstemming (met Polybius), fysieke en geografische plausibiliteit, strategisch nut en (beperkt) archeologisch bewijs.
Met andere woorden: als ik Hannibal was, dan was dit mijn weg naar Italië geweest.
Opgepast: “mestsporen die mogelijk wijzen op” zijn geen “archeologisch bewijs”. Heb je Jona’s boek hierover al gelezen? Zoniet, zeker doen!
Het is onverstandig om bij gebrek aan empirische data onverkort te kiezen voor één hypothese. Dat leidt bijna altijd tot tunnelvisie.
Het mestverhaal klopt om allerlei redenen niet, die Jona in zijn boek uiteenzet. Hij toont ook aan waarom Livius niet elimineerbaar is.
Dat sommige problemen geen oplossing kennen, is onprettig maar wel waar.
Hebben historici niet de onverbeterlijke neiging alles nodeloos ingewikkeld te maken heb ik een historicus weleens zien verzuchten op tv…🤔
Hier is het niet ingewikkeld. Hannibal kwam aan in Turijn. Meer kunnen we niet weten en hoeven we niet weten.
Waarom niet?
Na duizenden jaren zijn alle Alpen-passen toch wel bekend, waarom zou de meest voor de hand liggende niet gelokaliseerd kunnen worden?
Maar als het zo’n hobbyisme geworden is dat allerlei stukken eigenwijs hun speculaties erop los laten, ja dan wil men nooit een sluitend antwoord vinden.
De meest voor de hand liggende is de Mont-Genèvre. Hannibal wilde die nemen, maar ontdekte dat de Romeinen in de regio waren. Dus begon hij aan een andere route. Die kan evengoed naar de Mont-Genèvre hebben geleid. Maar we weten het niet, we kunnen het niet weten en wetenschappers moeten geen publicaties doen over zaken die niet te weten zijn, tenzij het is om dat simpele gegeven te erkennen.
Dat we een gebrek aan empirische data hebben, wil volgens mij nog niet zeggen dat we de vraag niet (meer) hoeven te stellen…
Zijn die mestsporen al op DNA geanalyseerd?
Ja, zie het boek van Jona, die er geen spaan van heel laat. Alleen de onwelriekende geur van pseudowetenschap in een wetenschappelijk tijdschrift resteert.
Klopt. Die artikelen hadden nooit door de peer review mogen komen en dat de auteurs de classici, die terechte kanttekeningen plaatsten, uitscholden voor onoprecht, is een gotspe. Dat de redactie dit toestond, is schandalig.
Hier lijkt mij de Thor Heyerdahl benadering een geweldig idee: een stuk of tig aanhangers van een specifieke route die allemaal tegelijkertijd hun route nareizen met een aantal olifanten. Zou je ook een prachtige televisieserie van kunnen maken door er een wedstrijd van te maken. Beetje sneu voor de olifanten, vermoedelijk, dat wel ;-(
Waarom zover buiten de deur puzzelen? Alsof we geen Romeinse puzzels in huidig Nederland hebben. Zoals waar Julius Civilis met Cerialis vredesbesprekingen hield. Daar is goed uit te komen, maar het komt me voor dat nog nooit iemand dat serieus deed. Tip: Lees Tacitus’ Historien 5.14 en vraag je af of het mogelijk is om bij Xanten de Rijn af te dammen om het omringende land te doen overstromen. Hint: de rivier is in de zomer 13 meter lager dan het land. In de winter is het verschil bij hoge uitzondering nog altijd 4 meter…..
Komende zomer ga ik toch weer eens op zoek naar versteende olifantenpoep in zowel de Ouvèze als in de Eygues….beide rivieren komen langs de noordzijde van de Mont Ventoux en hebben een behoorlijk lange bovenstroom….tot in de (pré-)Alpen. Het onderzoek zal geen baanbrekende resultaten opleveren, maar het is wél leuk! Bovendien bieden beide rivieren enige verkoeling in de augustushitte…