
Je ziet stuifmeel nauwelijks, maar het is vervelend poeder. Als het droog weer is en als het spul vrijuit kan zweven, kun je er hooikoorts van krijgen. Maar voor archeologen zijn stuifmeelkorrels leuk, heel erg leuk. Eenmaal onder de (elektronen)microscoop gelegd zijn de verschillende soorten stuifmeel namelijk te identificeren en dat helpt ons iets zeggen over de antieke vegetatie. Overigens gebeurt determinatie vaak niet met het menselijk oog, maar met de computer en artificiële intelligentie.
Mogelijkheden
De conclusies hebben diverse toepassingen. Je kunt niet alleen uitspraken doen over het dieet van de mensen van weleer, maar ook over het oude klimaat. Als een landschap eerst is begroeid met allerlei grassoorten, later met dennen en berken, en daarna met loofbomen, mag je aannemen dat de temperatuur is gestegen. Als er in een gebied meer en meer struikheide is geweest, is dat een aanwijzing voor ontbossing en dat kan weer een aanwijzing zijn voor landbouw. De conclusies beperken zich niet tot de vegetatie. Omdat in de voedselpiramide de flora de basis vormt voor de fauna, kunnen stuifmeelonderzoekers vertellen welke dieren waarschijnlijk in de buurt hebben gewoond.
Eén van de leukere conclusies is dat er landschappen hebben bestaan die we nu niet meer kennen, zoals de zogeheten mammoetsteppe uit de laatste ijstijd. De begroeiing en temperatuur leken wel wat op die van een toendra, maar dat type landschap/vegetatie bestaat alleen op hoge breedten, terwijl de mammoetsteppe ook in onze contreien heeft bestaan. Omdat de vegetatie hier niet hoefde te zijn toegesneden op extreem lange dagen en nachten, groeiden op onze breedten meer en andere kruiden.
Een ander voorbeeld van stuifmeelonderzoek heb ik al eens genoemd. We weten dat rond het midden van de eerste eeuw v.Chr. delen van zuidelijk Limburg opnieuw bebost zijn geraakt. Akkers werden opgegeven. Dat moet haast wel betekenen dat er minder boeren waren en archeologen brengen dat in verband met de genocidale campagne van Julius Caesar tegen de Eburonen. 101% zeker is het niet, maar ik zou zo snel ook geen andere verklaring kunnen noemen. Verwant voorbeeld: de Slag in het Teutoburgerwoud vond niet plaats in een woud maar in een open, moerasachtig gebied.
Beperkingen
Nu zijn er wel wat beperkingen. Om te beginnen: het stuifmeel moet er natuurlijk wel zijn, en zoals alles is ook dat vergankelijk. In een zuurstofarm milieu blijft het eeuwenlang intact. Planten en bomen die bij een riviertje of in het veen staan, zijn dus al snel oververtegenwoordigd, net als gewassen met een lange bloeiperiode en gewassen die heel veel stuifmeel produceren (zoals de berkenboom).
Een andere complicatie is het verspreidingsgebied. De hommels die zoemen rond de bloemen op mijn balkon zullen het stuifmeel niet verder brengen dan de binnentuin van een Amsterdams huizenblok, maar het stuifmeel van een populier wordt meegenomen door de wind en kan honderden meters verderop neerkomen.

Een onderzoeker moet dus weten hoe het tegenwoordige verspreidingsgebied van deze of gene stuifmeelsoort eruitziet, maar we leven inmiddels in een geïndustrialiseerde en verstedelijkte samenleving. Dat maakt vergelijking ietwat lastig. Een precies beeld van de prehistorische, antieke of middeleeuwse vegetatie is mede daardoor wat hoog gegrepen, maar je kunt wel uitspraken doen over wat waarschijnlijk en minder waarschijnlijk is. In dat opzicht verschilt het onderzoek naar antieke stuifmeelkorrels natuurlijk niet wezenlijk van digitale paleografie, onderzoek naar de historische Jezus of welk ander oudheidkundig specialisme dan ook. Wie volkomen zekerheid wil, moet geen wetenschapper worden.
Jargon
Ik rond af met twee jargontermen. Stuifmeel wordt ook wel pollen genoemd, en stuifmeelonderzoek heet ook wel palynologie. Wanneer u dit blogje tot hier hebt kunnen volgen, weet u dat je ook kunt spreken van “stuifmeel” en “stuifmeelonderzoek”. De jargontermen zijn handig als wetenschappers communiceren met collega’s uit andere taalgebieden, maar verder zijn ze eigenlijk niet zo nodig.
[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

Ik weet niet in hoeverre palynologisch onderzoek nu gedaan wordt met AI. Maar het was altijd noeste arbeid, dat turen door de microscoop en eindeloos tellen.
Vanaf eind jaren 1940 tot en met de jaren 1970 werd stuifmeelonderzoek veel toegepast toen Nederland bodemkundig in kaart werd gebracht. Archeologie heeft hier ook veel baat bij gehad met deze onderzoeken.
In Leiden heeft Corrie Bakels (nu 82 jaar en nog steeds actief!) heel veel onderzoek gedaan op dit gebied. Specialistische bureaus als Biax hebben heel veel bijgedragen aan de kennis die we nu hebben over de paleo-economie en het oude landschap.
In mijn beleving zijn het met name vrouwen die zich veel hebben bezig gehouden met stuifmeelonderzoek, macroresten en houtonderzoek. Botanische/organische resten zijn enorme informatiebronnen binnen de natte archeologie van Nederland. Deze vrouwen hebben dan ook enorm veel bijgedragen aan de kennis die we nu hebben over het verleden. Dat wordt nog wel eens vergeten. Hulde!
Zie ik het goed, dan kunnen vrouwelijke onderzoekers vooral vooruit komen op nieuwe terreinen, zoals momenteel het isotopen-onderzoek. Misschien is dat mogelijk omdat er geen mannelijke vooroordelen zijn, al wil ik niet van alles de schuld geven aan een slecht gedefinieerd patriarchaat.
Gelukkig zijn er veel topvrouwen (junior-senior) al werkzaam binnen de archeologie. Tijdens de jaarlijkse Reuvensdagen bijvoorbeeld ging de afgelopen twee jaar de prijs voor beste scriptie/proefschrift naar een vrouw.
En binnen de commerciële archeologie hebben we heel veel vrouwen als senior/specialist. Dat is dus het reguliere werkveld. Dat is een groot verschil met de Nederlandse archeologie in de periode 1946-1990. Dat was toen echt een mannenwereld.
Diligente Jona,
bedoel je dat er op ‘nieuwe terreinen’ geen mannelijk voorgangers waren en/of concurrenten zijn die je daar in je carrière aldaar zouden kunnen en willen hinderen?
Bovendien, in ’terra incognita’ valt er meer te ontdekken, omdat niemand jou is voor geweest.
‘Carrière’ betekent overigens letterlijk ‘steengroeve’, wat ik een o zo mooie metafoor vind voor een ‘loopbaan’.
Ja Pek, ik denk dat je het zo beter formuleert; waar nog geen voorgangers zijn, is de competitie wat eerlijker.
Wie last heeft van hooikoorts: bij Etos verkopen ze Loratidine. Werkt goed.
Een computer, ccq AI, moet getraind worden op een database van pollen die op het oog herkend zijn.
Vaak is het vrij moeilijk om een determinatietabel te maken voor dingen die vrij gemakkelijk op het oog te herkennen zijn. Mijn zus werkte aan begrazingsonderzoek: dat houdt in dat je nagaat wat de grote grazers in natuurgebieden nu eigenlijk eten aan de hand van plantenresten in hun poep. Dat is, fragmenten opperhuid van bladen of stengels herkennen onder de microscoop. Goed te doen met ervaring, maar lastig samen te vatten.
Idem botfragmenten. Dit gaat om onderzoek dat niet spectaculair is, geen grote apparatuur nodig heeft (nou ja, microscoop, autoclaaf), dus handarbeid en niet erg technisch. Typisch vrouwenbanen. Betaalt ook niet erg goed, behalve bij vaste aanstelling (VROEGER).
Aan de andere kant, palynologie is in Nederland op de kaart gezet door Willem van Zeist, Biologisch-Archaeologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen.