WvdK | De slag in het Teutoburgerwoud

Reconstructie van het antieke landschap bij Kalkriese, de locatie van een van de gevechten in het Teutoburgerwoud: moeras vooraan, palissade van het Romeinse kamp achteraan

[De slag in het Teutoburgerwoud is een van de beroemdste gebeurtenissen uit de Oudheid. Een van de bronnen is het in het jaar 30 n.Chr. door de Romeinse officierVelleius Paterculus gepubliceerde historische zakboekje, waarin hij de wereldgeschiedenis samenvatte. Ook de gebeurtenissen in het Teutoburgerwoud komen aan bod. Paterculus was bevriend met keizer Tiberius (ze hadden samen gevochten in het Midden-Donau-gebied) en een ooggetuige van de regering van keizer Augustus. Zijn verslag van de slag in het Teutoburgerwoud gaat terug op andere ooggetuigen.

Over de betekenis van de Romeinse nederlaag zijn lange tijd te stellige uitspraken gedaan. Dit was echter niet het moment waarop Duitsland werd geboren. De Romeinen gaven hun posities op de oostelijke Rijnoever pas later op. Hier is een alweer wat ouder stukje waarin ik het een en ander bij elkaar plaats.]

***

Tiberius had de Pannonische en Dalmatische oorlog nog maar net afgerond toen, nog geen vijf dagen nadat hij die enorme onderneming tot een goed einde had gebracht, de ongelukstijding uit Germanië kwam: Varus dood, drie legioenen, evenveel eskadrons en zes cohorten afgeslacht. Het was alsof de enige gunst die het Noodlot ons bewees, eruit bestond dat deze slag ons niet werd toegebracht terwijl onze leider elders bezig was. Zowel de oorzaak van de ramp als de persoonlijkheid van de gouverneur vragen om een toelichting.

Quintilius Varus stamde uit een eerder beroemde dan adellijke familie. Hij was een zachtmoedig man, rustig in zijn optreden, wat traag van lichaam en geest, meer gewend aan de rust van het kamp dan aan actieve krijgsdienst. Dat hij niet afkerig was van geld, bleek in Syrië, waar hij gouverneur was geweest: arm betrad hij een rijke provincie, rijk verliet hij een verarmd gewest. Eenmaal aan het hoofd van het leger in Germanië geplaatst, verbeeldde hij zich dat de mensen daar – die behalve een stem en ledematen niets menselijks hadden en die zelfs niet te bedwingen waren met geweld – tot beschaving konden worden gebracht door rechtspleging. Met deze intentie trok hij naar het hart van Germanië, waar hij, alsof hij te maken had met mannen die eraan gewend waren van vrede te genieten, de zomer in zijn rechterstoel doorbracht met rechtspraak en het afhandelen van formaliteiten.

Wie hen niet kent, kan zich nauwelijks voorstellen hoe slim in al hun barbaarsheid de Germanen zijn. Ze verzonnen een hele reeks processen, die ze de ene keer lieten escaleren in scheldpartijen, terwijl ze de andere keer de Romeinen dankbaar zeiden te zijn, omdat hun rechtspraak aan scheldpartijen een einde maakte en deze nieuwe en onbekende orde hun woeste volksaard temperde. Wat voordien gewapenderhand was uitgevochten, zou voortaan worden beslist door rechtspraak. Zo bereikten ze dat Quintilius zijn voorzichtigheid liet varen, en dat hij zich eerder recht zag spreken als voorzitter van het hooggerechtshof, dan dat hij zich beschouwde als commandant van een leger aan het Germaanse front.

Nu was er een jonge, sterke edelman, sneller van begrip dan bij de barbaren gebruikelijk is: Arminius, de zoon van de Germaanse heerser Sigimer. Zijn enorme geestkracht straalde van zijn gezicht en uit zijn ogen. Bij de voorafgaande veldtochten was hij onze onvermoeibare bondgenoot geweest, en hij bereikte daarom na het Romeinse burgerrecht ook de rang van ridder. Bijgevolg kon hij, toen de gelegenheid zich voordeed, de meegaandheid van de Romeinse aanvoerder misbruiken voor het plegen van een misdaad. Slim als hij was, zag hij in dat niemand zo eenvoudig te overweldigen is als degene die niets vermoedt, en dat een gevoel van veiligheid maar al te vaak rampen veroorzaakt. Dus maakte hij anderen – eerst slechts enkelingen, later meer – deelgenoot van zijn plannen: hij zei hun dat de Romeinen konden worden overrompeld en wist hun te overtuigen. Hij voegde de daad bij het woord en bepaalde het tijdstip voor de hinderlaag.

Zijn stamgenoot Segestes, een loyale man met een solide reputatie, bracht dit nieuws over met de suggestie enkele personen te arresteren. Het Noodlot beheerste echter Varus’ gedachten en had zijn geest verduisterd. Zo gaat het immers: als een god iemands geluk wil verstoren, tast hij meestal diens oordeelsvermogen aan en bereikt daarmee – en dat is het erge! – dat de gebeurtenis iemands verdiende loon lijkt te zijn, waardoor toeval verandert in schuld. Daarom weigerde Varus Segestes te geloven en verklaarde hij dat hij de vriendschapsbetuigingen van de Germanen beschouwde als een erkenning van zijn verdiensten. Na de eerste waarschuwing was er echter geen tijd meer voor een tweede.

Het verloop van deze afschuwelijke catastrofe wil ik ooit nog in een boek met een gepaste omvang uiteenzetten, zoals anderen dat hebben gedaan. Hier zal ik slechts onder tranen het belangrijkste vertellen. Het leger dat van alle Romeinse troepen als het sterkste, gedisciplineerdste, dapperste en ervarenste gold, is omsingeld door de zorgeloosheid van de generaal, de onbetrouwbaarheid van de vijand en de onrechtvaardigheid van het Lot, zonder dat het een kans kreeg onbelemmerd te vechten – hoe graag het dat ook had gewild – of een uitval te doen. Enkelen hebben zelfs zwaar moeten boeten voor het feit dat ze de wapens opnamen en streden zoals Romeinen betaamt. Omringd door wouden, moerassen en hinderlagen werden ze tot de laatste man afgeslacht door dezelfde vijanden die zij zelf altijd als vee hadden afgeslacht, op zo’n manier dat hun leven of dood afhankelijk waren van Germaanse woede of genade.

Hun aanvoerder toonde meer moed bij het sterven dan bij het vechten. Naar het voorbeeld van zijn vader en grootvader doorstak hij zichzelf. Van de twee kazernecommandanten gaf de een, Lucius Eggius, een voortreffelijk voorbeeld en de ander, Ceionius, een schandelijk: toen het grootste deel van de troepen was omgekomen, nam hij het initiatief tot overgave. (Blijkbaar wilde hij liever sterven als gevangene dan als soldaat.) Ook Numonius Vala, de onder normale omstandigheden kalme en betrouwbare ondercommandant van Varus, stelde een afgrijselijk voorbeeld: hij vluchtte met zijn eskadrons naar de Rijn en ontnam aan de infanterie zo de dekking door de cavalerie. Zijn vergrijp werd echter door het Noodlot gewroken: hij overleefde degenen van wie hij deserteerde niet en vond de dood als deserteur.

Het halfverbrande lijk van Varus werd door de hysterische vijanden verscheurd. Zijn hoofd werd afgehouwen en naar [de Germaanse leider] Marbod gebracht, die het naar Augustus zond. Ondanks het gebeurde heeft deze het de eer waardig geacht van een familiebegrafenis.

Toen Tiberius van de ramp hoorde, schoot hij zijn vader [keizer Augustus] te hulp. … Uitgezonden naar Germanië verzekerde hij de Gallische provincies, reorganiseerde hij de legers en versterkte hij de garnizoenssteden om daarna … met zijn leger de Rijn over te steken. Daar zette hij een offensief in tegen de vijand terwijl zijn vader en het land al tevreden waren geweest als hij de vijand in bedwang had gehouden. Maar hij drong door tot in het hart van Germanië, heropende de militaire wegen, verwoestte de velden, verbrandde de huizen, verjoeg degenen die zich tegen hem te weer wilden stellen en keerde, zonder noemenswaardige verliezen, terug naar de winterkampen, beladen met roem.

Op deze plaats moet Lucius Asprenas, die diende als onderbevelhebber van zijn oom Varus, met ere worden genoemd. Met de dappere en energieke steun van de twee door hem gecommandeerde legioenen wist hij de [aan de Rijn achtergebleven] niet-actieve legereenheden van deze catastrofe te redden. Door snel op te rukken naar de winterkampen in Neder-Germanië heeft hij het vertrouwen van de wankelmoedige volken aan deze zijde van de Rijn versterkt. (Overigens zijn er die geloven dat hij weliswaar de levenden in veiligheid bracht, maar dat hij de bezittingen van de doden confisqueerde en naar hartenlust erfenissen aanvaardde van degenen die met Varus waren omgekomen.)

Prijzenswaardig was ook de moed van kazernecommandant Lucius Caedicius en degenen die in Aliso door een enorm aantal Germanen werden belegerd. Ze overwonnen alle moeilijkheden, die door het gebrek aan middelen bijna onverdraaglijk en door de kracht van de vijanden nagenoeg onoverkomelijk waren. Met een goed doordacht plan en na kort beraad loerden ze op een kans en verschaften zich gewapenderhand een terugkeer naar hun kameraden.

Uit deze voorbeelden blijkt dat Varus, stellig een serieus man met goede bedoelingen, zijn leven en zijn magnifieke leger eerder verloor door onvoldoende militair inzicht dan door gebrek aan moed bij zijn soldaten. Toen de Germanen de gevangenen mishandelden, verrichtte Caelius Caldus, een jongeman die zijn aloude familie eer aandeed, een heldendaad: hij greep een stuk van de ketting waarmee hij gebonden was en sloeg dat zo hard op zijn hoofd, dat zijn hersens en bloed eruit spatten en hij ogenblikkelijk stierf.

***

[Velleius Paterculus, Romeinse geschiedenis 2.117-120; vertaling Jona Lendering. De (uitgestelde) Week van de Klassieken, met als thema “controverses”, is van donderdag 3 tot en met zondag 13 september.]

Misverstand: Teutoburgerwoud

Reconstructie van het antieke landschap bij Kalkriese: moeras vooraan, palissade achteraan

Misverstand: Het Teutoburgerwoud was een woud

In het najaar van 9 n.Chr. verloren de Romeinen in de slag in het Teutoburgerwoud drie legioenen. Het gevecht vond echter niet plaats in wat tegenwoordig het Teutoburgerwoud heet, en ook al niet in een woud.

Weliswaar spreekt de Romeinse historicus Tacitus van een Saltus Teutoburgiensis, maar geen mens wist waar dat lag, tot enkele Renaissancegeleerden begrepen dat het ergens voorbij de bovenloop van de Lippe moest worden gezocht, naar ze meenden in een rijkelijk bebost gebied. Dat was er ook, namelijk de heuvelrug die vanaf Rheine naar Detmold loopt, destijds Osning geheten. In de negentiende eeuw kreeg deze de antieke naam waaronder hij ook nu bekendstaat en verrees bij Detmold een enorm monument ter ere van de Germaanse leider Arminius. Inmiddels hebben archeologen het slagveld echter teruggevonden bij Kalkriese, ten noorden van Osnabrück. De naam bleek dus toegekend aan de verkeerde plaats.

Lees verder “Misverstand: Teutoburgerwoud”

De slag in het Teutoburgerwoud (7)

Reconstructie van het antieke landschap bij Kalkriese: moeras vooraan, palissade achteraan

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In de voorgaande stukjes beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden en hoe generaal Varus drie legioenen verloor. Bij Kalkriese is (een deel van) het slagveld gevonden. Vandaag een enkel woord over de wraakexpedities en het recente onderzoek.]

De Romeinse wraakoperaties leken succesvol. De Chauken werden opnieuw onderworpen en de vallei van de Lippe bleef voorlopig Romeins. Haltern is na 9 zeker in gebruik geweest en de Romeinen exploiteerden de loodmijnen van het Taunusgebergte werden tijdens de regering van Tiberius. De verloren gegane veldtekens werden op de Cheruskische bondgenoten heroverd: in 15 werd de adelaar van het Negentiende bij de Bructeren aangetroffen en in het volgende jaar werd er een heroverd op de Marsen. De derde standaard zou in 41 worden aangetroffen bij de Chauken.

Tiberius had echter al voordat hij de keizerstroon besteeg besloten dat de bezetting van Germanië niet zinvol was. Voor de verdediging van Gallië volstond het de Rijn te bewaken, want door de veranderingen in de Gallische economie was het niet langer noodzakelijk de Lippe- en Mainvalleien te exploiteren. Tiberius oordeelde dat de wraakacties voldoende waren geweest. Germanicus mocht in 17 een triomftocht houden en de bewoners van het Overrijnse werden met rust gelaten. Aloude stammentwisten werden hernomen en Rome had – hoewel onrust bekend is uit de regering van zo’n beetje elke keizer tot en met Trajanus – gedurende ruim twee eeuwen weinig te duchten van de oude vijanden.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (7)”

De slag in het Teutoburgerwoud (6)

Een van de gesneuvelde Romeinen (Kalkriese Museum)

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus en het vierde en vijfde boden de problematische informatie van Cassius Dio. Vandaag de afloop.]

De Romeinen probeerden verder te marcheren, maar werden van alle kanten bestookt. Wellicht bereikten ze, na de bovenloop van de Eems te zijn overgestoken, op de derde dag de vlakte – vol door regen gezwollen waterlopen – waar nu de stad Münster is. Daar achter begon een groot moeras waardoor Lucius Domitius Ahenobarbus tien jaar eerder een knuppeldam had aangelegd die eindigde bij de Lippe. Als de legionairs die zouden bereiken waren ze op veiliger terrein, want ook de Germanen konden zich niet eenvoudig een weg banen door het moeras.

Het mocht echter niet zo zijn. De Romeinse legermacht desintegreerde voordat ze de knuppeldam bereikte. Tacitus vermeldt een droom van generaal Germanicus, waarin deze Varus bij Ahenobarbus’ knuppeldam in het moeras ziet. Cassius Dio schrijft:

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (6)”

De slag in het Teutoburgerwoud (5)

Slingerstenen, gevonden bij Kalkriese: bewijs voor de aanwezigheid van lichtbewapende soldaten in Romeinse dienst

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus, het vierde bood de problematische informatie van Cassius Dio en eindigde met de constatering dat de Romeinen door een smalle corridor moesten trekken.]

Zoals gezegd was de Romeinse weg over de smalle strook droog land tussen de heuvels van het Wiehengebirge en de moerassen niet gemakkelijk, maar veel keuze hadden de Romeinen niet. De opstand die “een eind verderop” uitbrak, vond namelijk vrijwel zeker plaats bij de vier jaar eerder onderworpen Chauken aan de monding van de Eems. Vanaf de plaats waar Varus vertrok, vermoedelijk bij Minden, kon hij alleen oprukken over de genoemde smalle strook. Nogmaals de vertaling van Gé de Vries:

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (5)”

De slag in het Teutoburgerwoud (4)

Kalkriese, vandaag de dag; rechts werd, op de dag dat we deze foto maakten, nog onderzoek gedaan

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus. We weten echter meer.]

In zijn selectie van de gebeurtenissen concentreert Velleius Paterculus zich op de verraderlijkheid van een onmenselijke vijand “die behalve een stem en ledematen niets menselijks hadden”, op de moed van de soldaten en op het feit dat sommige officieren het hoofd niet koel hielden. Het resultaat is meer een pleitrede dan geschiedschrijving, temeer daar het is gebaseerd op de verslagen van ooggetuigen die, zoals te verwachten viel, alleen konden vertellen wat ze hadden gezien in hun eigen sector van het slagveld.

Cassius Dio, die twee eeuwen later schreef, biedt wel een echt overzicht. Zijn bron, een auteur die de verslagen van enkele ooggetuigen met kennis van zaken tot een geheel wist te smeden, is vermoedelijk Plinius de Oudere, een cavalerie-officier die zich een generatie na de gebeurtenissen in het Rijnland bevond, overlevenden van de ramp hielp bevrijden en een Geschiedenis van de Germaanse oorlogen schreef. Hoewel Dio een nauwgezet auteur is, lijkt hij bepaalde informatie niet goed te hebben begrepen en maakt hij soms vergissingen als hij aanvullende informatie biedt. Dat is ook gebeurd in zijn verslag van het gevecht. De vertaling is van Gé de Vries.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (4)”

De slag in het Teutoburgerwoud (3)

Varus (Römisch-Germanisches Zentralmuseum, Mainz)

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Hier is het verslag van de gevechten van Velleius Paterculus, dat volgt op zijn beschrijving van een oorlog op de noordelijke Balkan.]

Hij had deze oorlog nog maar nauwelijks voltooid, toen de ongelukstijding uit Germanië kwam: Varus was dood, drie legioenen, evenveel eskadrons en zes cohorten waren afgeslacht. Het was alsof de enige gunst die het Noodlot ons bewees, eruit bestond dat deze slag ons niet werd toegebracht terwijl onze leider [Tiberius] elders bezig was. Zowel de oorzaak van de ramp als de persoonlijkheid van de gouverneur vragen om een toelichting.

Quinctilius Varus stamde uit een eerder beroemde dan adellijke familie. Hij was een zachtmoedig man, rustig in zijn optreden, enigszins traag van lichaam en geest, meer gewend aan de kalmte van het kamp dan aan actieve krijgsdienst. Dat hij niet afkerig was van geld, bleek in Syrië, waar hij gouverneur was geweest: arm betrad hij een rijke provincie, rijk verliet hij een verarmd gewest. Toen hij aan het hoofd van het leger in Germanië stond, beeldde hij zich in dat de mensen daar – die behalve een stem en ledematen niets menselijks hadden en die zelfs niet te bedwingen waren met geweld – door rechtspleging tot beschaving konden worden gebracht. Met deze intentie trok hij naar het hart van Germanië, waar hij (alsof hij te maken had met mannen die eraan waren gewend van vrede te genieten) de zomer in zijn rechterstoel doorbracht met rechtspraak en het afhandelen van formaliteiten.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (3)”

De slag in het Teutoburgerwoud (2)

Maquette van Haltern

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste stukje beschreef ik hoe de Romeinse generaals Drusus en Tiberius het gebied van de Main en Lippe veroverden.]

Met de annexatie van de valleien van de Main en Lippe kwam een einde aan de eerste fase van de Romeins-Germaanse Oorlog. De Gallische provincies waren veiliggesteld en zouden in de volgende jaren een economische transformatie ondergaan. Tot dan toe was het tribuut in natura afgedragen aan de over heel Gallië verspreid gelegerde legioenen. Nu die naar de Rijn waren verplaatst en werden gevoed vanaf beide oevers van de Rijn, konden de Romeinen de belasting in Gallië contant gaan innen, wat betekende dat de boeren voor de markt moesten gaan produceren om aan het benodigde muntgeld te komen. Dat pakte uit als stimulans voor de economie. De steden zouden groeien, er kwamen betere wegen en in het stroomgebied van de Maas nam de productiviteit van de akkerbouw snel toe. De bevolking moet het buitengewoon moeilijk hebben gehad in deze jaren, maar na een kwart eeuw produceerde de economie van het Maasland voldoende om de legioenen aan de Rijn te voeden, zodat de valleien van de Main en de Lippe in theorie zouden kunnen worden opgegeven.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (2)”

De slag in het Teutoburgerwoud (1)

Gezichtsmasker van een Romeinse helm, gevonden te Kalkriese

Uiteindelijk is het een kwestie van psychologie. De oudhistoricus is getraind om te gaan met tekortschietende bronnen en kent geen correcte interpretaties, hooguit aannemelijkere en mindere aannemelijke. En die past hij voortdurend aan. Geschiedenis is, met een bekend woord van Geijl, “een discussie zonder eind”. De archeoloog heeft een overvloed aan ambigue data en is getraind om die ambiguïteit te verminderen door zoveel mogelijk bij de concrete vondsten te blijven. Geef de historicus en de archeoloog dezelfde teksten en vondsten – bijvoorbeeld de Romeinse militaire voorwerpen bij het Duitse Kalkriese en de teksten over de slag in het Teutoburgerwoud – en ze komen, extreem gezegd, tot tegengestelde conclusies. De historicus ziet geen bezwaar in de gelijkstelling van de vondsten aan het uit de teksten bekende gevecht, omdat hij weet dat het morgen weer kan worden aangepast, terwijl er voor de archeoloog nooit voldoende vondsten zullen zijn. Ook het rijke archeologische materiaal is voor dit type vraag namelijk altijd te weinig.

Vandaag het eerste van zeven stukjes over de zojuist genoemde slag in het Teutoburgerwoud. Er is namelijk een interessant nieuwtje te melden dat een nieuwe verbinding van de twee soorten bewijsmateriaal mogelijk zou kunnen maken. Maar eerst eens een verhaal, gebaseerd op teksten.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (1)”

MoM | Wat is een grens? (1)

Baktriërs brengen tribuut aan de koning van Perzië (Oostelijke Apadana-trap, Persepolis)

Ik heb op deze plaats al vaker verteld over Baktrië, een Iraans gebied waar een uitloper van de Grieks-Romeinse wereld in contact stond met de culturen van Centraal-Azië en de Indusvallei. Hier en daar presenteren de bewoners zich onmiskenbaar als Grieks en dat wil zeggen dat de “dooie stenen” in Noord-Afghanistan en Zuid-Oezbekistan illustreren wat de bewoners beschouwden als het voor hun relevantste deel van het Griekse culturele aanbod. Een oudheidkundige die wil begrijpen wat de kern is van de Grieks-Romeinse beschaving, moet niet zijn in centra als Athene en Rome, waar deze cultuur vanzelfsprekend was, maar aan de periferie, waar ze niet vanzelfsprekend was, waar keuzes moesten worden gemaakt en waar we, om zo te zeggen, het klassiekste der klassieken zien.

Een grenszone, maar grappig genoeg zijn er geen aanwijzingen voor een grens. We weten dat dit gebied vanaf de zesde eeuw het uiterste noordoosten was van het Perzische Rijk, van het rijk van Alexander de Grote en van het Seleukidenrijk. De kastelen van de lokale heersers zijn opgegraven, maar je kunt archeologisch niet vaststellen dat dit de grens was van de Perzische of Macedonische heerschappij. Terwijl de kastelen van de plaatselijke heersers bekend zijn, kennen we geen douaneposten, geen grensforten, geen versterkte wegen. Sterker nog: als we het niet uit geschreven bronnen zouden weten, zouden we nooit op het idee zijn gekomen dat dit gebied onderdeel was geweest van het Perzische Rijk. Opvallend is bijvoorbeeld dat de monetaire economie die in de westelijke gebiedsdelen heeft bestaan en die een systeem van belastingheffing documenteert, volledig ontbreekt in Oezbekistan, Afghanistan en Pakistan.

Lees verder “MoM | Wat is een grens? (1)”