De slag in het Teutoburgerwoud (1)

Gezichtsmasker van een Romeinse helm, gevonden te Kalkriese

Uiteindelijk is het een kwestie van psychologie. De oudhistoricus is getraind om te gaan met tekortschietende bronnen en kent geen correcte interpretaties, hooguit aannemelijkere en mindere aannemelijke. En die past hij voortdurend aan. Geschiedenis is, met een bekend woord van Geijl, “een discussie zonder eind”. De archeoloog heeft een overvloed aan ambigue data en is getraind om die ambiguïteit te verminderen door zoveel mogelijk bij de concrete vondsten te blijven. Geef de historicus en de archeoloog dezelfde teksten en vondsten – bijvoorbeeld de Romeinse militaire voorwerpen bij het Duitse Kalkriese en de teksten over de slag in het Teutoburgerwoud – en ze komen, extreem gezegd, tot tegengestelde conclusies. De historicus ziet geen bezwaar in de gelijkstelling van de vondsten aan het uit de teksten bekende gevecht, omdat hij weet dat het morgen weer kan worden aangepast, terwijl er voor de archeoloog nooit voldoende vondsten zullen zijn. Ook het rijke archeologische materiaal is voor dit type vraag namelijk altijd te weinig.

Vandaag het eerste van zeven stukjes over de zojuist genoemde slag in het Teutoburgerwoud. Er is namelijk een interessant nieuwtje te melden dat een nieuwe verbinding van de twee soorten bewijsmateriaal mogelijk zou kunnen maken. Maar eerst eens een verhaal, gebaseerd op teksten.

Dat kan alleen beginnen bij de stichting van het Romeinse keizerrijk door keizer Augustus, die de eerste jaren van zijn regering gebruikte om zijn macht te consolideren en zijn troepen naar enkele verafgelegen gebieden te sturen. Illyrië had hij al eerder veroverd, Egypte was de eerste buit na de laatste burgeroorlog, en daarop volgde de campagne naar Arabia Felix waarover ik onlangs blogde. Daarna volgden campagnes in het noorden van Spanje die ik ook al eens aanstipte.

In 19 v.Chr. verlegde hij zijn aandacht naar het noorden. Daar waren moeilijkheden ontstaan met de Germanen, zoals de Romeinen alle bewoners van het gebied ten oosten van de Rijn noemden, na de stichting van Nijmegen in dat jaar. Toen de Sugambren, die leefden in het Roergebied, daarop het imperium binnenvielen, achtte Augustus een reeks campagnes ten oosten van de Rijn wenselijk.

Zijn stiefzonen Drusus en Tiberius annexeerden eerst de cliëntkoninkrijken aan de Boven-Donau. Nadat aldus de weg van de Povlakte naar het Rijnland was beveiligd, kon een begin worden gemaakt met de Germaanse Oorlog. Enkele legioenen werden naar de Rijn gedirigeerd. Het eerste doel was de verovering van de vruchtbare lössgronden langs de Main en de Lippe, waar overvloedig graan kon worden verbouwd voor de nieuwe legioensbases. De legionairs, afkomstig van de Povlakte of uit de Provence, zullen bij de overplaatsing niet hebben staan juichen. “Het terrein is er woest, het klimaat ruw, het leven en landschap somber”, zoals de Romeinse historicus Tacitus het verwoordde.

Sommige moderne auteurs beweren dat Drusus als opdracht had de grens van de Rijn naar de Elbe op te schuiven, maar voor die hypothese bieden de antieke bronnen geen aanknopingspunt. Erg waarschijnlijk is het ook niet, omdat het idee natuurlijke grenzen te zoeken pas ontstond toen de Romeinen een defensieve strategie ontwikkelden, en zover was het nog niet. Rome gold nog als hoofdstad van een immer uitdijend, beschaafd wereldrijk dat werd omringd door een reeks cliëntstaten die in toenemende mate de Romeinse cultuur overnamen en uiteindelijk de status van provincie zouden krijgen.

Drusus leidde in 12-9 vier operaties in het Overrijnse. Elk jaar brandschatte hij het land der Sugambren, wat het einde van de stam betekende. In het rivierengebied sloot Drusus verdragen met de Bataven, Cananefaten en Friezen. In het oosten maakte hij contact met de Cherusken, een Germaanse stam in de omgeving van het huidige Paderborn, waarmee de betrekkingen aanvankelijk hartelijk waren. De Romeinen namen de overgave van de bewoners van de Lippevallei in ontvangst en bouwden een dwangburcht bij het huidige Oberaden, waar drie legioenen comfortabel overwinterden. De vallei van de Main werd veiliggesteld door de Chatten te onderwerpen. Uiteindelijk bereikte Drusus de Elbe, maar op de terugweg viel hij van zijn paard en overleed aan de gevolgen daarvan.

Zijn broer Tiberius rondde de oorlog af door de overlevende Sugambren te deporteren naar de westelijke Rijnoever, waar ze zich als boeren in de omgeving van Xanten moesten vestigen. Er was geen reden meer om drie legioenen in het oosten te handhaven en de reusachtige basis bij Oberaden werd ontruimd. In plaats daarvan werd Haltern gesticht, waar het Negentiende Legioen zijn intrek nam.

[Wordt vervolgd]

15 gedachtes over “De slag in het Teutoburgerwoud (1)

  1. Ik was aanvankelijk wel gecharmeerd van ‘het woord van Geijl’ (Geschiedenis als discussie zonder eind), maar het geldt natuurlijk voor elke wetenschap.

    1. Ja, maar er zit iets meer in. Het typeert de historicus, die voortdurend van perspectief en interpretatie wisselt. Het is heel anders dan de archeoloog, die als het ware van beneden af naar boven toe kennis opbouwt. Voor allebei gelden vanzelfsprekend zowel de coherentie- als de correspondentietheorie van de waarheid, maar de archeoloog kijkt vooral naar die laatste en de historicus kijkt (in dit geval) vooral naar de eerste.

      Ooit begrepen ze dat van elkaar. De gedeelde wetenschapstheoretische taal is verdwenen. Vandaar dat die discussies steeds ontsporen: ze meten elkaar aan de eigen, niet langer voldoende doorgronde en daardoor impliciete, criteria voor wetenschappelijke kwaliteit.

      1. Jeroen

        Is dat niet een te zwart-wit beeld van de tegenstelling tussen archeoloog en historicus?
        Neem de recente Eburoonse muntschat; een ‘sec’ correspondentie benadering zou de archeoloog nimmer de termen ‘Eburoons’, ‘Ambiorix’ of ‘Caesar’ doen laten gebruiken, aangezien deze archeologisch gezien uiteraard niet aan de muntschat te koppelen zijn.

        Maar de archeoloog (een goede, althans) leent wel degelijk van de historicus, en past zijn interpretaties continu aan; net als de historicus op zijn beurt.

        Of zie je dat anders?

      2. FrankB

        Mwah, je zou van experimenteel natuurkundigen ook kunnen beweren dat ze kennis van beneden naar boven toe bouwen en theoretisch natuurkundigen andersom. Hiermee ontken ik vakspecifieke eigenaardigheden overigens niet. Ik beweer alleen dat ze precies dat zijn en dat elke tak van wetenschap zulke eigenaardigheden kent.
        Dat historici, classici en archeologen elkaar niet meer begrijpen blijft hoe dan ook uiterst schadelijk.

  2. Bestaat toeval? Verdulleme Jona, net 1 minuut voor ik je blog binnenhaalde zond ik een recensie naar Histoforum over de aflevering van History Channel met betrekking tot Teutoburgerslag. (aflevering die me niet voldeed wegens foute beeldvorming in wapenrustingen enz.)
    Aanleiding was een roman van Robert Fabbri: Arminius (2017), blijkbaar de aanzet tot een nieuwe reeks, nu zijn negendelige serie over Vespasianus met Keizer van Rome (2019) het eindpunt bereikt heeft. (zie: http://histoforum.net/romans/keizer.html)
    Voeg daarbij de roman van Ben Kane, Krijgsbanier van de Adelaars (Nederlands: 2018), plus de vijfdelige stripreeks voor volwassenen De Adelaars van Rome door Enrico Marini (2007-2016).
    Ben nu bezig aan recensie van 2 uitvoerige documentaires op YouTube over zelfde onderwerp.
    Maar zal je blogs afwachten en de lezer daarheen linken (wegens groot vertrouwen in wat je schrijft)

  3. Robert

    Missing word round:
    “Daarna volgden campagnes in het noorden (van) Spanje die ik ook al eens aanstipte.”

  4. Rob Duijf

    Livius –> Haltern:

    ‘(…) Drusus, Tiberius, and Varus attempted the subdue the Germanic tribes.’

    Ik neem aan dat het hier ‘to subdue’ moet zijn?

Reacties zijn gesloten.