De Arabische verovering van Andalusië (2)

Dirham uit Andalusië; het centrale opschrift luidt dat er geen god is dan Allah alleen, die geen deelgenoot heeft; het randschrift luidt dat de munt is geslagen in de naam van god in het jaar 106 (725 na Chr.; Archeologisch museum, Córdoba)

[Tweede van drie blogjes over de Arabische verovering van het Iberische Schiereiland. Het eerste was hier.]

Het veroveren van een gebied is één ding, het behouden is een ander. Het was de Arabieren en Berbers die met Tariq ibn Ziyad naar Iberië waren gekomen, te doen geweest om buit, maar vanaf de komst van Musa ibn Nusayr was de opzet het gebied te behouden. Dat riep de vraag op hoe de veroveraars het land moesten pacificeren en dat betekende samenwerking met de rijksgroten van het overrompelde Rijk van Toledo.

Verdragen

Musa sloot verdragen met de diverse lokale heersers, mannen met de rang van comes; de Latijnse titel zou later worden gebruikt om graven te typeren, de militaire bestuurders van een bepaalde regio. Eén zo’n verdrag is over: het is in 713 gesloten met een zekere Theodomir, die heerste over enkele oostelijke havensteden. Het kwam erop neer dat Theodomir de Arabische hegemonie erkende, dat de steden zichzelf mochten blijven besturen, dat er geen religieuze dwang was en dat Theodomirs mensen geen hulp mochten verlenen aan de vijanden van het Kalifaat. Verder was er een jaarlijkse belasting (jizya) van één dinar en wat landbouwproducten per persoon en de helft voor een slaaf. De rijken werden ontzien: niet alleen was de hoofdelijke belasting laag, er werd ook geen land geconfisqueerd. Na enkele jaren werd het tarief overigens verhoogd (721).

Er moeten meer van dit soort verdragen geweest, en omdat de lasten licht waren, was het niet moeilijk voor de bewoners van het Rijk van Toledo om de nieuwe heersers te erkennen. Enkele steden boden weerstand, maar moesten capituleren: Sevilla, Toledo, Mérida en vermoedelijk Elvira.

De Arabieren hadden de gewoonte nieuwe, islamitische steden aan te leggen, die de oude bestuurscentra moesten vervangen. Kufa kwam dus in de plaats van Ktesifon, Caïro verving Alexandrië en Kairouan nam de plaats in van Karthago. In Andalusië verrees Granada naast het oude bestuurscentrum Elvira. Toledo raakte, nu er geen koning meer resideerde, in verval; de voornaamste residentie van de Arabische heersers zou in Córdoba komen, waar men ook de munten van El-Andalus sloeg.

Landverdeling

Anders dan wanneer de bevolking zich meteen onderwierp en de grondbezitters hun land mochten houden, confisqueerden de Arabieren het land van een stad die ze hadden moeten veroveren. Zulke grond heette jund en werd toegewezen aan legereenheden die in onze bronnen de naam dragen van oude Arabische stammen. Of het werkelijk gaat om de familieleden van mensen die een eeuw eerder op het Arabische Schiereiland hebben gewoond, staat te bezien. Er is wel geopperd dat het feitelijk gaat om de namen van regimenten.

Er is ook wel beweerd dat de Berbers slechtere junds kregen dan de Arabieren, maar wellicht ligt dat genuanceerder. Het is mogelijk dat elke groep land zocht dat leek op wat in het vaderland was achtergelaten. De Berbergroep die bekendstaat als Baranis zou dan land in de noordelijke bergen hebben gekregen omdat ze uit de Algerijnse bergen waren gekomen. Ik kan dit niet beoordelen. De kwestie zou al snel heel belangrijk zijn.

[Wordt vervolgd]

Deel dit:

Een gedachte over “De Arabische verovering van Andalusië (2)

Reacties zijn gesloten.