Koningin Kahina

Moskee in Annaba

[Zesde van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Met de val en verwoesting van Karthago, waarover ik schreef in het vorige blogje, kwam een einde aan de Byzantijnse aanwezigheid in Ifriqiya. Als er al verder naar het westen al vlootsteunpunten zijn geweest, zijn die snel daarna opgegeven. Alleen rond de Straat van Gibraltar heerste nog de al genoemde exarch Julianus, die feitelijk een post-Romeins staatje voor zichzelf was begonnen tussen het Rijk van Toledo en de Berbers van het huidige Marokko. De Byzantijnen waren dus feitelijk verdwenen, maar hun Berber-bondgenoten waren er nog, en zij zetten de strijd tegen de Arabische veroveraars voort.

Kahina

Hun leider was koningin Kahina. Rond haar bestaat een hoop legendevorming: ze was een tovenares, een profetes wier voorspellingen opvallend vaak uitkwamen, een feministe, voorbeeld voor het verzet tegen koloniale mogendheden (lees: Frankrijk), heldin in het Berber-verzet tegen de Arabieren, Afrikaanse heerseres, joodse verzetsstrijder. Dat laatste gaat terug op een opmerking van de veertiende-eeuwse geleerde Ibn Khaldun, maar de meeste hedendaagse geleerden vermoeden dat ze een christelijke Berber-prinses was die haar positie tevens te danken had aan het feit dat ze getrouwd was geweest met een van de laatste Byzantijnse bestuurders.

Lees verder “Koningin Kahina”

Het einde van Karthago

De haven van Karthago

[Vijfde van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Terwijl de Arabische legers oprukten naar Marokko, overleed kalief Yazid I, en gedurende anderhalf jaar was onduidelijk wie de macht zou overnemen. In 685 trad Abd al-Malik aan, die u kunt kennen als de bouwer van de Rotskoepel in Jeruzalem. Pas in 688 kon een nieuw Arabisch leger naar Ifriqiya komen, gecommandeerd door de stokoude Zuhayr ibn Qays, een van de metgezellen van de profeet Mohammed. Kusayla realiseerde zich dat het nog niet ommuurde Kairouan niet te verdedigen was en trok zich terug naar de westelijke bergen, maar werd verslagen en gedood.

Zuhayr kreeg de kans niet om zijn gezag in Ifriqiya afdoende te consolideren, want kort na de overwinning kreeg hij het bericht dat de Byzantijnen in de tegenaanval waren gegaan en de Cyrenaica hadden aangevallen. Zijn aanvoerlijnen waren afgesneden. Hij haastte zich terug en kwam om het leven in een gevecht met de Byzantijnse soldaten.

Lees verder “Het einde van Karthago”

Uqba ibn Nafi al-Fihri (2)

Byzantijnse versterkingen in Lambaesis

[Vierde van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Het was in het nog jonge Kalifaat niet ongebruikelijk dat succesvolle generaals werden weggepromoveerd of gearresteerd vóór ze een eigen machtsbasis hadden die een bedreiging voor de kalief kon worden. Dat overkwam ook Uqba ibn Nafi al-Fihri, die door een nieuwe gouverneur werd gevangengenomen.

Kusayla

De nieuwkomer, Abu ’l-Muhajir, consolideerde het gezag in Ifriqiya door een verdrag te sluiten met een Berberleider die in de bronnen Kusayla wordt genoemd, mogelijk een weergave van het Latijnse Caecilius of het Berbers Kasil, “luipaard”. Volgens de veertiende-eeuwse geleerde Ibn Khaldun kwam Kusayla uit Tlemcen, in het uiterste westen van het huidige Algerije, terwijl moderne historici hebben geopperd dat het gaat om het niet ver daarvandaan gelegen Altava, dat we in de voorafgaande blogjes al tegenkwamen. De Byzantijnse generaal Gennadius had het daar bestaande koninkrijk weer in het keizerlijke bestel geïntegreerd, maar dat was nu voorbij: Kusayla verruilde zijn christelijke religie voor de islam en vestigde zich in Kairouan.

Lees verder “Uqba ibn Nafi al-Fihri (2)”

Uqba ibn Nafi al-Fihri (1)

Moskee van Kairouan

[Derde van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Ik heb Uqba ibn Nafi al-Fihri (622-683) al eens eerder genoemd: hij is de stichter van de Tunesische stad Kairouan en een voorouder van enkele leiders die een belangrijke rol speelden in de jaren na de Arabische verovering van het Iberische Schiereiland. Uqba is in Nederland niet zo bekend, en een mens hoeft ook niet alles te weten, maar hij is een van de grote namen uit de geschiedenis van de Maghreb.

Eerst even zijn afkomst. Hij was een neef van Amr ibn al-As, een van de gezellen van de profeet Mohammed en de man die in 639-642 leiding had gegeven aan de Arabische verovering van Egypte. Al in 642 was hij doorgestoten naar de Cyrenaica, het noordoosten van het huidige Libië. Amr nam Uqba, die als kind overigens de profeet nog had gekend, met zich mee en wees hem aan als gouverneur van de stad Barka, het huidige El Marj in Libië. Uqba was pas drieëntwintig jaar oud.

Lees verder “Uqba ibn Nafi al-Fihri (1)”

De Maghreb in de Late Oudheid (2)

Het Byzantijnse fort van Madauros

[Tweede van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Ik eindigde mijn vorige blogje over de Maghreb in de Late Oudheid met de onderwerping van het Vandaalse koninkrijk door de Byzantijnse generaal Belisarius in het jaar 533. Hij sloot een verdrag met een Berber-koning genaamd Massonas, die lijkt te hebben geheerst vanuit Altava in het noordwesten van het huidige Algerije. De twee partijen werkten in de volgende jaren samen, onder meer tegen andere groepen Berbers. De Byzantijnen bouwden een reeks forten. In Tunesië is te denken aan Sufetula (Sbeitla), Mactaris (Makhtar) en Ammaedara (Haïdra). In Algerije gaat het om Theveste (Tebessa), Madauros (M’daourouch), Lambaesis (Tazoult), Thamugadi (Timgad), Sitifis (Sétif) en Tipasa. Meer naar het westen ontbreken de forten, omdat het gebied in handen was van de bevriende Berbers van Altava.

Demografische neergang

Wie die forten ziet, valt op hoe klein ze zijn. Ze zijn ook grotendeels gebouwd uit gerecycled ouder bouwmateriaal, vaak de enorme stukken natuursteen waarop inscripties hadden gestaan. (De Byzantijnse forten zijn een paradijs voor epigrafen.) Omvang en bouwmateriaal zullen wel samenhangen met de demografische neergang in Late Oudheid. Het meest opvallende aspect daarvan is de pest-epidemie die uitbrak in 541, maar de neergang had al eerder ingezet.

Lees verder “De Maghreb in de Late Oudheid (2)”

De Maghreb in de Late Oudheid (1)

Latijnse ostrakon uit Timgad, waarin iemand met een Berbernaam een transactie dateert aan de hand van een Vandaalse koning

Toen Augustinus in 430 in Hippo Regius overleed, belegerden de Vandalen zijn stad, die ze kort daarna bezetten. Karthago volgde in 439. Onder leiding van Geiserik stichtten de Vandalen een eigen koninkrijk binnen de grenzen van het aloude Romeinse imperium. De tijden waren aan het veranderen.

Eén van de redenen waardoor het zo ver had kunnen komen, is dat het keizerlijk hof in Ravenna en Constantinopel lang weinig belangstelling had gehad voor de Maghreb. De Duitse oudhistoricus Mischa Meier typeert het als een proces van terugtrekking.

Lees verder “De Maghreb in de Late Oudheid (1)”

Het Kalifaat van Córdoba

De door Al-Hakam II gebouwde mihrab in de moskee van Córdoba

[Derde van vier blogjes over het Emiraat van Córdoba, dat zo meteen verandert in een kalifaat. Het eerste blogje was hier.]

Ik heb al eens geschreven over de geschiedenis van Ifriqiya, het gebied tussen zeg maar Tripoli in Libië en Algiers in Algerije, met als hoofdstad het Tunesische Kairouan. Het gold, zoals in het vorige blogje aangegeven, als bufferstaat tussen het Emiraat van Córdoba en het Kalifaat van Bagdad, en werd bestuurd door de Aghlabiden. Dat veranderde in 910, toen de macht in Ifriqiya in handen kwam van een nieuwe dynastie, de Fatimiden, die in de loop der tijd haar gezag zou doen gelden in heel noordelijk Afrika en Palestina, en bovendien het kalifaat opeiste.

Het Kalifaat van Córdoba

Dit laatste kon de emir van Córdoba niet over zijn kant laten gaan. Als er dan toch meer dan één kalief moest zijn, dan was hij niet de mindere van de Abbasidische heerser in Bagdad en de Fatimidische kalief in Caïro. Vanaf 929 presenteerde Abd al-Rahman III (r.912-961) zich dus ook als “heerser der gelovigen”. Hij had enig recht van spreken, want zijn staat was machtiger dan ooit. In het noorden was Asturië uiteengevallen, de diverse opvolgersstaatjes en de ooit door Karel de Grote ingestelde markgraafschappen betaalden tribuut aan Córdoba en erkenden de emir/kalief als leenheer. Abd al-Rahmans zoon Al-Hakam II (r.961-976) vergrootte zijn macht nog in de richting van Marokko.

Lees verder “Het Kalifaat van Córdoba”

Het Emiraat van Córdoba (1)

Puerta de Sevilla, Carmona

[Eerste van vier blogjes over het Emiraat van Córdoba. De vestiging van de Arabische macht op het Iberische Schiereiland beschreef ik hier.]

Ik eindigde mijn vorige blogje op het moment waarop Yusuf al-Fihri zich had uitgeroepen tot koning en bezig was zijn macht op het Iberische Schiereiland te consolideren. Hij had geprofiteerd van het conflict waarmee de Abbasiden een einde hadden gemaakt aan het Kalifaat van Damascus. De leden van de zittende dynastie, de Umayyaden, waren allemaal vermoord. De cliffhanger van het blogje van gisteren was dat desondanks in september 755 een overlevende in Andalusië arriveerde: Abd al-Rahman.

Abd al-Rahman

Alle berichten over Abd al-Rahmans ontsnapping uit Damascus en zijn zwerftocht gaan terug op hemzelf, en we kunnen niet zonder meer aannemen dat de man werkelijk de prins was die hij voorgaf te zijn. Ik heb die materie al eens behandeld, dus ik laat het nu rusten. Het wezenlijke punt is dat de Andalusiërs hem erkenden als lid van het Umayyadische huis en dus als legitieme heerser. Met hun steun wist Abd al-Rahman af te rekenen met Yusuf en zijn macht stapsgewijs naar het noorden uit te breiden.

Lees verder “Het Emiraat van Córdoba (1)”

De Arabische verovering van Andalusië (3)

De Pyreneeën

[Laatste van drie blogjes over de Arabische verovering van het Iberische Schiereiland. Het eerste was hier.]

In de twee voorafgaande blogjes beschreef ik de manier waarop de Arabieren het Iberische Schiereiland onderwierpen en hun veroveringen consolideerden. In de volgende jaren staken de Arabische legers de Pyreneeën over voor strooptochten in het Frankische Rijk, waar de Merovingische koningen weinig gezag lijken te hebben gehad. (Ik schrijf “lijken” omdat er kanttekeningen zijn geplaatst bij het beeld van rois fainéants, al herinner ik me niet welke.) In 719 veroverden de Arabieren Narbonne, in 724 namen ze Carcassone en Nîmes, in het volgende jaar plunderden ze Autun, in het hart van Bourgondië. De Languedoc en de Provence waren op dat moment feitelijk Arabisch gebied en Aquitanië vormde een buffer tegen de Franken.

De slag bij Poitiers

Er is veel gemaakt van het gevecht bij Poitiers, waar Karel Martel, de hofmeier van alle Frankische gebieden, de Arabieren in 732noot Het jaartal is feitelijk niet met zekerheid bekend. Dat het precies honderd jaar na het (evenmin met zekerheid bekende) jaar van de dood van de profeet Mohammed is, verklaart de voorkeur voor 732. zou hebben verslagen. Als de Arabieren zouden hebben gewonnen, is de redenering, zouden ze het verdeelde Frankenrijk onder de voet hebben gelopen. Deze redenering, die dateert uit de negentiende eeuw, is vooral nog populair bij mensen die vandaag de dag een clash of civilizations ontwaren.

Lees verder “De Arabische verovering van Andalusië (3)”

De Arabische verovering van Andalusië (2)

Dirham uit Andalusië; het centrale opschrift luidt dat er geen god is dan Allah alleen, die geen deelgenoot heeft; het randschrift luidt dat de munt is geslagen in de naam van god in het jaar 106 (725 na Chr.; Archeologisch museum, Córdoba)

[Tweede van drie blogjes over de Arabische verovering van het Iberische Schiereiland. Het eerste was hier.]

Het veroveren van een gebied is één ding, het behouden is een ander. Het was de Arabieren en Berbers die met Tariq ibn Ziyad naar Iberië waren gekomen, te doen geweest om buit, maar vanaf de komst van Musa ibn Nusayr was de opzet het gebied te behouden. Dat riep de vraag op hoe de veroveraars het land moesten pacificeren en dat betekende samenwerking met de rijksgroten van het overrompelde Rijk van Toledo.

Verdragen

Musa sloot verdragen met de diverse lokale heersers, mannen met de rang van comes; de Latijnse titel zou later worden gebruikt om graven te typeren, de militaire bestuurders van een bepaalde regio. Eén zo’n verdrag is over: het is in 713 gesloten met een zekere Theodomir, die heerste over enkele oostelijke havensteden. Het kwam erop neer dat Theodomir de Arabische hegemonie erkende, dat de steden zichzelf mochten blijven besturen, dat er geen religieuze dwang was en dat Theodomirs mensen geen hulp mochten verlenen aan de vijanden van het Kalifaat. Verder was er een jaarlijkse belasting (jizya) van één dinar en wat landbouwproducten per persoon en de helft voor een slaaf. De rijken werden ontzien: niet alleen was de hoofdelijke belasting laag, er werd ook geen land geconfisqueerd. Na enkele jaren werd het tarief overigens verhoogd (721).

Lees verder “De Arabische verovering van Andalusië (2)”