Mohisme 10: De late mohisten en de praktijk

Zomaar een steenbok uit de Periode van de Strijdende Staten (Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

We moeten het nog hebben over de late mohisten. Zij verschillen op een aantal punten van de eerdere mohisten en vormen daarmee een apart en opvallend hoofdstuk in de Chinese filosofie. Hun ideeën laten zien dat de mohistische school een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt, en verschillende filosofische disciplines is gaan verkennen.

Van metafysica naar psychologie

Wat vooral opvalt is dat in de teksten van de late mohisten de verwijzingen naar de Hemel en de geesten volkomen verdwenen zijn. In de geschriften van de vroege mohisten vormt de metafysica een ultieme rechtvaardiging van hun ideeën, in de teksten van de late mohisten is het metafysische aspect simpelweg niet aanwezig.

De late mohisten staan echter vooral bekend om de hoge theoretische vlucht die ze maken. Maar voordat we dat uitdiepen gaan we eerst eens kijken naar enkele praktische wendingen die ze maakten, naar aanleiding van kritiek van andere filosofische scholen.

Hoe is universele liefde in praktijk mogelijk?

Om te beginnen stuitten de late mohisten op praktische problemen met hun idee van Universele Liefde als voorschrift. Als we liefde voor iedereen moeten hebben, hebben we dan ook tegenover alle mensen dezelfde verplichtingen? Dat is natuurlijk problematisch, want we kunnen wel voor één persoon goed zorgen en misschien voor een paar, maar voor de hele mensheid zorgen is domweg onmogelijk, omdat we maar beperkte kennis en handelingsvermogen hebben.

De late mohisten erkennen dat. Ze stellen vast dat de persoonlijke verplichtingen groter zijn naarmate mensen dichter bij ons staan, zonder aan de aanhangers van het confucianisme toe te geven dat hier ook alle verantwoordelijkheid ophoudt.

En wat als de mensheid nu oneindig groot is? Dat is ook geen probleem, want er is altijd een limiet aan het aantal mensen dat we daadwerkelijk kennen. Het gaat er niet om alle mensen op de wereld te helpen, want dat is onmogelijk, maar het gaat om de intentie te doen wat je kunt voor degenen die zich daadwerkelijk in je invloedsfeer bevinden.

Selectieve zorg zonder dubbele standaard

De mohisten moesten zich daarbij ook wapenen tegen een argument van Mencius, een latere confucianist die we in een toekomstig blogje nog eens zullen behandelen. Mencius stelde dat wanneer we evenveel geven om iemand anders’ vader als onze eigen vaders, we onze eigen vader tekort doen, omdat we hem dan niet meer behandelen als vader, maar gewoon als een van alle mannen op leeftijd.

De late mohisten erkenden daarop dat er relaties zijn die nu eenmaal handig zijn voor de inrichting van de maatschappij, zoals de ouder-kind-relatie en de relatie van superieur en ondergeschikte, en dat je meer zorg en gehoorzaamheid verschuldigd bent aan degene met wie je zulke relaties onderhoudt. Daarbij is er de verplichting om eerst goed voor jezelf te zorgen, om überhaupt in staat te zijn om voor anderen te zorgen.

Maar het is volgens de late mohisten geen zonde tegen de universele liefde om zulke relaties meer gewicht te geven, integendeel: het is juist de vorm waarmee we die universele liefde in onze samenleving invulling geven. Het principe blijft onaangetast, het doel blijft bewaard, en het wordt niet geschaad door individuele selectiviteit: uiteindelijk blijft iedereen gerespecteerd.

Hier voegden ze aan toe dat de superieuren altijd het hogere doel voor ogen moeten houden. Dit betekent dat als je de mensheid kunt dienen door een ander of jezelf op te offeren, je dat moet doen. Voor de mohist is de oplossing van morele dilemma’s als het beruchte trolleyprobleem dus duidelijk: kies voor het goede voor zoveel mogelijk mensen. Het morele dilemma wordt daarmee kwantitatief opgelost.

Geluk als morele maatstaf

Daarnaast komen de late mohisten met het statement dat wat moreel juist is, gelijk is aan wat mensen gelukkig maakt. Het geluk van mensen is volgens hen dus een goede maatstaf om te bepalen wat moreel juist is.

Dit is opvallend, want eerdere mohisten hadden meer concrete criteria aangenomen als maatstaf voor wat moreel juist was, zoals: welvaart, bevolkingsgroei, stabiel bestuur en vrede. Er is wel opgemerkt dat de late mohisten het zich met deze draai naar genot als maatstaf vooral moeilijk maken. Want sommige mensen worden toch heel erg blij van muziek? En maakt bijvoorbeeld het gebruik van opium niet tijdelijk heel erg gelukkig? Het is jammer dat we niet méér weten van de discussies die de mohisten hierover ongetwijfeld voerden.

De wet als grens

Er staan in de Canons meer onverwachte stellingen die op gespannen voet staan met het eerdere mohistische denken. We vinden bijvoorbeeld de stelling dat als geen wet wordt overtreden, er ook geen misdaad is gepleegd.

Dit is niet alleen een nogal strikte en gewaagde stelling waar niet iedereen het zomaar mee eens zal zijn, het staat ook nog eens haaks op het eerdere mohistische idee dat de samenleving niet geordend dient te worden met wetten en regels, maar dat het gaat om het belonen en bestraffen van het juiste gedrag en intenties. De stelling dat er altijd een regel nodig is om een overtreding vast te stellen doet nogal legalistisch aan. (We bespreken het Chinese Legalisme later in deze reeks.)

Psychologie

Een andere opvallende stellingname: volgens de late mohisten is er leven “wanneer lichaam en geest niet gescheiden zijn”. Kennelijk waren de late mohisten aanhangers van een vorm van dualisme, al menen ze dat geest en lichaam onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en voorwaarde zijn voor elkaar.

Verder vinden we in de teksten van de late mohisten praktische morele adviezen over leiderschap waarmee ze een zekere mensenkennis etaleren, zoals “geef nooit een commando dat je zelf niet zou uitvoeren”.

Praktijk en theorie

Maar de Canons en de twee hoofdstukken Daque en Xiaoque die de late mohisten aan de Mozi toevoegden kenmerken zich vooral door het hoge theoretische gehalte en de breedte van filosofische disciplines die erin betreden worden. Het is vooral op dit punt dat de late mohisten nog generaties geleerden hebben gefascineerd. Een goede reden om hier de volgende keer eens in te duiken.

[Wordt om 11:00 vervolgd]

Deel dit:
Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.