
[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.]
De late mohisten discussieerden, zoals we in het vorige blogje zagen, met vertegenwoordigers van andere scholen uit de Chinese filosofie. De debatten brachten hen er zo nu en dan toe hun standpunten aan te passen, maar dwongen hen ook om zich verder te verdiepen in theoretische vraagstukken. De Canons en de twee daarop volgende hoofdstukken in de Mozi zijn opmerkelijk door hun hoge vlucht in taaltheorie, kennisleer en logica. De fundamentele manier waarop de mohisten hier het denken onderzoeken wordt wel vergeleken met het werk van Aristoteles.
Namen als bruggen
Zoals we eerder zagen veronderstelden het mohisme dat uitspraken óf juist óf onjuist waren. In hun zoektocht naar definities van juiste en onjuiste beweringen ontwikkelden de late mohisten een taaltheorie. Daarin bestaan drie soorten woorden of namen:
- algemene woorden, zoals “ding”, dat op van alles kan slaan,
- soortnamen, zoals “paard”, dat op allerlei paarden kan slaan,
- eigennamen, zoals “Mr Ed”, waarmee dat sprekende paard uit de oude televisieserie wordt bedoeld.
Soortnamen zijn volgens de mohisten eigenlijk vergelijkingen van objecten en activiteiten met andere objecten en activiteiten. Als wij iets een “paard” noemen, dan roepen wij daarmee de associatie op met andere paarden die de luisteraar ooit heeft gezien. Door hem paard te noemen krijgt de luisteraar zo een idee van wat voor verschijnsel die Mr Ed nu eigenlijk is.
Deze visie op taalgebruik verschilt wezenlijk van de klassieke westerse taaltheorieën, waarin namen doorgaans gelijk worden gesteld aan een idee, of een mentale representatie. In de mohistische taaltheorie is een woord niet zozeer een mentaal idee, maar een brug tussen mentale ideeën: tussen het nieuwe dat we trachten te omschrijven, en alle oude dingen waarvoor we het woord ook gebruikten. Voor de mohisten is de taal dus niet zozeer het benoemen van dingen, maar het maken van vergelijkingen. En dit is voor hun zoektocht belangrijk, omdat er sprake kan zijn van juiste en verkeerde koppelingen.
Wanneer taal misleidt
De late mohisten onderzoeken zodoende de verschillende manieren waarop verschijnselen gelijk kunnen zijn aan elkaar. Daarbij vonden zij taalkundige problemen in het benoemen van gelijkenissen.
Bijvoorbeeld wanneer we twee woorden combineren om iets te omschrijven: als we het hebben over “ossen en paarden”, dan maken we een verzameling waar alle ossen en paarden onder vallen, maar als we het hebben over “hard en wit”, dan hebben we een verzameling waar niet alle harde dingen onder vallen, en ook niet alle witte dingen.
De taal, zo concluderen de late mohisten, is niet eenduidig in het gebruik. De taal is een verzameling labels die niet zomaar een afspiegeling is van de wereld. Om te begrijpen wat gezegd wordt zijn daarom semantische discussies cruciaal.
Waarnemen, weten en begrijpen
Daarnaast moeten we ook kritisch kijken naar hoe wij tot onze kennis komen. De late mohisten ontwikkelden daarom een eigen kennisleer (epistemologie). Ze maken onderscheid tussen waarnemen, weten en begrijpen.
Waarnemen is de simpele sensatie van het waarnemen. Dit kan zelfs onbewust en zonder verdere kennis plaats vinden.
Weten wordt door de mohisten niet gedefinieerd als het hebben van een mentale representatie, zoals in de westerse filosofie gebruikelijk is. Zij definiëren “weten” als “in staat zijn iets te beschrijven”. Wanneer we iets weten kunnen we wat we zien classificeren, en dus vergelijken met andere zaken. Door te vergelijken vergroten we onze kennis, en leren we de wereld om ons heen te begrijpen.
Begrijpen is volgens de late mohisten de capaciteit om te handelen naar aanleiding van wat we waarnemen. Kennis is voor hen dus niet zomaar een mentale verworvenheid, maar know-how, het weten hoe ergens mee om te gaan.
Een toolkit voor juiste vergelijkingen
Vervolgens doen de mohisten uitgebreid theoretisch onderzoek naar onze structuur van kennis, die volgens hen dus vooral bestaat uit het koppelen van namen en zaken. Ze onderzoeken ook de drie mogelijke bronnen van kennis: zelf waarnemen, beredeneren, en leren van anderen. Daarnaast onderscheiden zij ook vier oorzaken van twijfel en vergissingen:
- atypische verschijnselen oftewel toeval, dat onterecht als kenmerkend kan worden genomen,
- het ontbreken van bewijs,
- het aannemen van een verkeerde oorzaak van een verschijnsel,
- het niet opmerken van veranderende omstandigheden.
Op deze vier manieren ontstaan volgens de mohisten alle vergissingen die we kunnen maken.
Een glijdende schaal
Het mohistische denken fundamenteel is op zoek naar zwart-witoordelen: een uitspraak is óf juist óf fout. Dit is natuurlijk een beetje simplistisch voor iemand die geconfronteerd wordt met allerlei tegenstrijdige waarheden en nuances. Wanneer je zaken gaat vergelijken, zie je dat overeenkomsten nooit honderd procent zijn. En veel zaken die je als “verschillend” zou beoordelen, hebben toch nog het een en ander gemeenschappelijk.
De late mohisten erkennen daarom dat gelijkenissen in gradaties komen. Het gaat dus om relatieve verschillen: de ene situatie is meer gelijkend op het model dan de andere. Wanneer we moeten kiezen is de meer gelijkende situatie daarmee de goede vergelijking, en de minder gelijkende situatie de foute.
Daarbij worstelen zij met het feit dat het ook om een andere reden niet altijd mogelijk is om zaken zomaar in te delen in “goed” en “fout”, bijvoorbeeld wanneer we moeten kiezen tussen zaken met twee conflicterende belangen.
Ze vinden de oplossing door te stellen dat het dan toch altijd mogelijk is om het minste van de kwaden of het beste van twee belangen te kiezen, door die belangen tegen elkaar af te wegen. Wanneer we kiezen voor het minste van twee kwaden maken we een keuze voor iets dat ons schaadt, maar soms kan dat dan toch een moreel juiste keuze zijn, als we daarmee een groter kwaad vermijden. Zo kunnen we toch altijd spreken van een juiste en een verkeerde keuze.
Mohistische retorica
Al dit onderzoek naar taal en vergelijkingen dient voor de mohisten om zich te wapenen in debatten. Zij waren op zoek naar een absolute waarheid, en dit leidde ertoe dat er in een debat altijd één partij moest zijn die gelijk had.
Maar tussen gelijk hebben en gelijk krijgen zit nogal wat, vandaar dat het ook nuttig is om goede argumenten naar voren te kunnen brengen. De late mohisten beschrijven daarom in hun werk ook verschillende mogelijke retorische technieken. Deze technieken komen weer allen neer op het op een handige manier gebruik maken van vergelijkingen, zowel inhoudelijk als qua vorm van het argument dat gemaakt wordt.
Theorie in dienst van de praktijk
Al deze theoretische exercities dienden ter ondersteuning en extrapolatie van de vroegere mohistische manier redeneren. Wat opvalt is dat het denken in vergelijkingen fundamenteel blijft in het mohistische denken: daarop gaat hun retorica terug, hun kennisleer, en ook hun taaltheorie. De voorkeur om te redeneren door middel van een analogie wordt overigens niet alleen als kenmerkend gezien voor het mohisme, maar voor de hele Chinese filosofie. Dit in tegenstelling tot de Griekse denktraditie, die vooral focust op deductie, oftewel als-dan-relaties.
Hoe dan ook is het theoretische gehalte van het werk van de late mohisten opmerkelijk. Ook al is het zeer gebrekkig aan ons overgeleverd, het is duidelijk dat de late mohisten een logica ontwierpen die in vorm en diepgang vergelijkbaar is met de stelsels van Aristoteles en de Stoa, die ongeveer gelijktijdig ontstonden. Onderlinge uitwisseling van kennis in die tijd is vrijwel uitgesloten: niet alleen is er geen enkele aanwijzing van diepzinnig contact tussen de beide culturen uit die tijd, de logica van de late mohisten verschilt ook wezenlijk van die van Aristoteles en de Stoïcijnen.
Zoals gezegd valt het op dat mentale representaties in de mohistische filosofie geen zelfstandige rol spelen, of zelfs geen enkele rol. Dit is anders dan in de westerse filosofie, waarin ideeën een heel centrale rol spelen, vooral sinds Plato. De mohisten nemen geen mentale pasvormen aan die ergens aan vooraf gaan. Onze waarneming is direct, en de individuele zaken die wij waarnemen zijn in hun filosofie het uitgangspunt. De bruggen tussen individuele zaken die wij door middel van het gebruik van namen leggen zijn er slechts voor de oordelende en communicatieve functie ervan.
Wat verder opvalt is dat de mohisten geen twijfel hebben aan het correcte werken van de waarneming. Ze nemen impliciet aan dat er een wereld met bepaalde kenmerken bestaat los van ons bewustzijn, en dat die kenmerken objectief zijn te achterhalen. Ze zijn in die zin dus weinig relativistisch. Dit relativisme vinden we wel in andere scholen van de Chinese filosofie, zoals de School van de Namen en het taoïsme: deze scholen behandelen we nog in volgende series.
Zelfde tijdvak
Pamfyliëaugustus 27, 2024
De sofist Protagorasjuni 8, 2022
Bespiegelingen over Belgrado (2)maart 12, 2025

‘Toolkit’ is overbodig Engels.
sorry 😉