Zes vragen aan Theo Toebosch

Theo Toebosch

De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarmee ik de aandacht voor archeologische vondsten en ongefundeerde parallellen tussen toen en nu wil verplaatsen naar het proces waarmee wetenschappelijke inzichten ontstaan, worden getoetst en worden gedeeld. Aan het einde van deze keten staan de communicatieafdelingen van de diverse instellingen en de onafhankelijke wetenschapsjournalistiek. Vandaag geef ik het woord aan Theo Toebosch, die als journalist veel schrijft over archeologie en erfgoed.

***

Wat doet u?
Als freelance journalist schrijf ik over archeologie, de Oudheid, erfgoed en geschiedenis. Onderwerpen waar ik wat van af weet, omdat ik ervoor heb doorgeleerd. Ik mag me doctorandus in de Griekse en Latijnse Taal en Cultuur noemen, met als hoofdvak Klassieke Archeologie, en Latijn en Oud-Grieks als bijvakken. Maar ik voel me geen echte archeoloog, omdat mijn hoofdvak zeer kunsthistorisch van aard was; ik had kunnen afstuderen zonder ooit een keer gegraven te hebben. Hoewel Oidipous Tyrannos van Sofokles nog steeds een van mijn favoriete literaire werken is en ik een groot liefhebber ben van  Cicero’s redevoeringen, noem ik mezelf ook geen echte classicus. Dan had ik toch een van beide talen als tweede hoofdvak moeten doen en had ik nog steeds de 88 lettertekens van het Lineair B moeten kunnen herkennen. Hoewel ik geen journalistieke opleiding heb gedaan beschouw ik mezelf wel als een echte journalist: ik ga op onderzoek uit en als het moet ben ik niet bang om in mijn niche tegels te lichten. Lezers kunnen mijn artikelen tegenkomen in onder andere de NRC, EW Magazine en Archeologie Magazine. Daarnaast schrijf ik boeken met een archeologisch dan wel historisch onderwerp.

Wat doet u nou concreet?
De meeste onderwerpen voor mijn artikelen bedenk ik zelf. Daaraan gaan wetenschappelijke artikelen lezen, websites bijhouden en contacten onderhouden met (academische) onderzoekers vooraf. Al in het begin van mijn journalistieke carrière, vijfendertig jaar geleden, heb ik besloten om te laten zien dat wetenschap mensenwerk is en onderdeel is van de maatschappij. En dat bijvoorbeeld archeologie meer is dan “kijk eens, wat we hebben gevonden”.

Dus als ik een persbericht krijg dat er iets “unieks” is gevonden, ben ik eerder wantrouwig dan enthousiast. Overigens kan ik ook wel onder de indruk van een vondst zijn, hoor. Ik zal bijvoorbeeld nooit vergeten hoe het was om in de opgravingsput te staan van de De Meern 1, het Romeinse vrachtschip dat in 1997 is ontdekt. Maar uiteindelijk gaat het mij er vooral om op te schrijven wat zo’n vondst betekent voor de kennis van in dit geval de scheepvaart in de Romeinse tijd in Nederland.

Daarbij vind ik het belangrijk om te laten zien hoe theorieën tot stand komen: dat ze niet uit de lucht komen vallen, maar steunen op of zich afzetten tegen eerdere theorieën. Tegelijkertijd ben ik benieuwd naar de achterkant van onderzoek: naar geldstromen die onderzoek mogelijk maken, naar carrières van al dan niet academische onderzoekers, en naar de maatschappelijke, economische en politieke achtergronden. Aangezien ik intussen een tijdje meeloop ruim ik in een artikel ook wel eens ruimte in voor de geschiedenis van een discipline of onderzoek. En dan heb ik ook nog oog voor nieuwe onderzoeksmethoden. Tot slot heb ik een “stokpaardje”: de handel in illegale oudheden. Ik ben denk ik de enige journalist in Nederland die zich serieus in het onderwerp heeft verdiept en er zelf onderzoek naar doet. Koning éénoog in het land der blinden, zullen we maar zeggen.

De onlangs door het Allard Pierson Museum teruggegeven Centuripe pyxis, kort voor de teruggave

Wat is de voornaamste hindernis bij uw werk?
Hindernis is een groot woord. Voor ik een artikel schrijf vraag ik eerst aan een redactie of ze interesse hebben. Als een chef van een redactie zelf te weinig specifieke kennis heeft vragen ze soms aan iemand anders bij de redactie of wat ik voorstel echt de moeite waard is. Meestal levert dat geen problemen op. Wat ik wel merk is dat ik vaker dan vroeger dingen die ik als algemene kennis beschouw moet uitleggen, omdat ze denken dat de lezer het anders niet zou begrijpen. Ik heb zelfs een keer het verzoek gekregen om uit te leggen wie Homerus was.

En in de archeologische wereld hebben ze vanwege mijn studie wel eens gedacht dat ik “één van hen” zou zijn. Daarom heb ik wel eens het verzoek gehad om een passage die “schadelijk” zou zijn voor de archeologie er uit te halen. En ook moest ik een keer van een directeur van wat toen nog de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek was kaltgestellt worden omdat ik over problemen bij de dienst had geschreven. Een jaar heeft hij niet met me willen praten, daarna kreeg ik weer een klap op mijn schouder en bekende hij dat hij eigenlijk ook journalist had willen worden. Bij het Allard Piersonmuseum in Amsterdam was niet iedereen blij toen ik in 2009 voor het eerst schreef over het feit dat ze illegaal opgegraven oudheden in de collectie hadden. De ene vroegere directeur heeft me toen voor “rioolrat” uitgemaakt, en een andere heeft me zwart proberen te maken door te zeggen dat ik een gefrustreerde oud-student zou zijn.

Dit soort dingen zijn niet leuk, maar ze belemmeren m’n werk niet en ik laat me daardoor niet van een onderwerp afbrengen. Toch doet het me wel genoegen dat huidige medewerkers van het museum onlangs in het vaktijdschrift Museum international hebben geschreven dat ze in 2023 mede door mijn artikelen voor de NRC begonnen zijn om de herkomst van alle oudheden in de collectie te onderzoeken.

Hoe vergroot dit welk inzicht?
Ik ben geen journalist met een missie. Met dit werk doe ik vooral mezelf een groot plezier. Maar hopelijk geven mijn artikelen een beetje inzicht in hoe wetenschap, met name archeologie, werkt. En als lezers verder nooit meer vergeten dat de Oudheid meer is dan Griekenland en Rome, en beseffen dat spullen niet vanzelf in een museum terechtkomen, ben ik tevreden.

Romeinse schoenen in het Rijksmuseum van Oudheden (Leiden)

Welk boek over uw onderwerp zou eigenlijk iedereen moeten lezen?
Mijn onderwerp is net als mijn belangstelling breed. Ik kan het niet laten om Autour de te epique te noemen van mijn oude leermeester C.J. Ruijgh (1930-2004) – na mijn afstuderen mocht ik Kees zeggen. Ruim duizend pagina’s over het partikel te dat op zich niks betekent maar wel betekenis aan woorden en zinnen geeft.

Voordat The Medici Conspiracy van Peter Watson en Cecilia Todeschini in 2006 was verschenen wisten museumdirecteuren en veilinghuizen al hoe de handel in illegale oudheden vanuit Italië werkte. Maar daarna kon niemand van hen meer zeggen dat ze van niets wisten. Het wordt langzamerhand tijd voor een nieuw boek, over de nieuwe netwerken in de handel in illegaal opgegraven oudheden.

Is er iets dat u zelf nog kwijt wil?
Als het over het verleden en geschiedenis gaat, gebeurt dat vaak in combinatie met “wij” en “onze”. Men doet er goed aan om zich dan af te vragen: over wie gaat het dan? Wie zijn die “wij” en die “onze”?

***

Archeologiejournalist Theo Toebosch schrijft in onder meer het NRC Handelsblad, EW Magazine en Archeologie Magazine, en ook voor deze blog. Hij publiceerde eerder boeken over het zogenaamde Kasteel van Amstel, over de familie Josephus Jitta en de Sloveense stad Kobarid. Een overzicht van de rubriek “zes vragen” is daar.

Deel dit:
Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.