Literaire hoogtepunten

Een boekenkast van vijftien meter hoog (Lootsstraat 34, Amsterdam)

Er was een tijd, niet eens zo lang geleden, dat op hotelkamers nog weleens een Bijbel lag. Die werd goed gelezen; Hunter S. Thompson begint een van zijn boeken met herinneringen aan de hotellectuur van de Openbaring van Johannes, waarvan de verschrikkingen in het niet vallen bij wat hij in de rest van zijn boek zou gaan vertellen. De bijbels werden vaak gestolen, zeer tot vreugde van de organisatie die ze plaatste, de Gideons, aangezien diefstal betekende dat Gods woord in vruchtbare aarde was gevallen. Ze grapten dat de Bijbel het meest gestolen boek ter wereld was.

Bijbels waren niet de enige boeken die je kon aantreffen naast je bed. In een Franse hotelkamer heb ik weleens een boek gevonden met hoogtepunten uit de Franse literatuur. Dat spookt nog steeds door mijn hoofd omdat ik altijd het idee heb te weinig te weten van de Franse cultuur. Een recent bezoek aan Parijs rakelde weer op wat een verlies dat is. Hoe één boek op een hotelkamer je na tientallen jaren nog een schuldcomplex kan bezorgen.

Lees verder “Literaire hoogtepunten”

De catalograaf

Ik denk dat ik iets snap van de passie van catalogusmakers ofwel catalografen. Niet dat ik ooit een catalogus heb vervaardigd, en zeker niet met de moderne digitale systemen, maar ik heb tienduizenden foto’s gemaakt en daarvan heb ik er, werkend in Tresoar in Leeuwarden, twee jaar geleden met een aardige collega 27.000 beschreven om ze in het publieke domein te plaatsen. Je werkt binnen een systeem en daarbinnen zijn nogal eens twijfelgevallen en uitzonderingen; even vaak is er de voldoening als je daarvoor een goede oplossing weet te vinden.

En geloof me of niet: je krijgt er honger van, van al dat puzzelen en peinzen. Ik herinner me de wandelingen van Tresoar naar De Broadsje Bakker, een vast ijkpunt in de dag. Mijn buurtgenote Diana Tjin schrijft in haar derde roman, De catalograaf, over de enorme hoeveelheden eten die catalogusmakers tot zich nemen.

Als ze dat niet zouden doen, zouden ze hun concentratie verliezen en fouten maken. En fouten maken was op hun afdeling een doodzonde, en dus geen optie.

Lees verder “De catalograaf”

Het Teheran van F. Springer

“Het Shayad-monument doemde op. ‘De pik van Arie. Kijk er nog eens goed naar. Die moet een nieuwe naam krijgen.” (p.344)

Er is een romantisch idee over literatuur dat een goede auteur zich onderscheidt van vakbekwame auteurs doordat hij een bepaalde intuïtie bezit die hem of haar doet aanvoelen wat nog belangrijk zal gaan worden. De auteur als profeet: ik weet dat ik me aan obscurantisme te buiten ga. Maar toch: sommige boeken overstijgen de plaats- en tijdgebondenheid van hun auteur. Dan blijkt die aangevoeld te hebben, misschien niet eens bewust, dat er andere visies mogelijk zijn, en een latere generatie ontdekt dat die perspectieven in zo’n boek dan al aanwezig zijn. Teheran, een zwanezang van F. Springer (pseudoniem van C.J. Schneider) is volgens mij zo’n boek.

Springer zelf was niet bepaald positief over de Iraanse Revolutie, die hij meemaakte terwijl hij als diplomaat was gestationeerd in Teheran. Hij zou later opmerken dat hij zelfs niet meer over Iran wilde vliegen en in zijn roman laat hij een Nederlandse diplomaat samenvatten dat de Middeleeuwen op de stad neerdalen. Omdat de revolutie in Teheran, een zwanezang zo negatief wordt beoordeeld, blijft wat mysterieus waarom een van de vrouwelijke personages thuisblijft in Iran en een kans laat lopen zich in veiligheid te brengen.

Lees verder “Het Teheran van F. Springer”

Circus

(foto Needpix)

Het televisieprogramma Het Klokhuis zou eind maart in het Amsterdamse museum Nemo een vragendag hebben georganiseerd, waarbij wetenschappers kindervragen zouden hebben beantwoord. Mijn vriendinnetje E. had inderdaad een vraag: waarom is de letter C in het woord “circus” de ene keer een /s/ en de andere keer een /k/? De redactie vond het leuk genoeg om E. en haar moeder uit te nodigen die vraag in de uitzending te komen stellen.

Door de corona is die uitzending niet doorgegaan maar omdat ik wilde dat E. een antwoord kreeg, ben ik het zelf gaan uitzoeken. Kinderen die nieuwsgierig genoeg zijn om vragen te stellen verdienen serieuze uitleg.

Lees verder “Circus”

Vergeten woord

De Belvedere-Apollo (Vaticaanse Musea, Rome) heeft alleen met het onderstaande te maken omdat de boogschutter-god geacht werd epidemieën te veroorzaken, maar dit leek me een leuker plaatje dan een afbeelding van een middeleeuwse pestlijder.

Een nieuwsbericht dat ik, ondanks mijn voornemen niet teveel over het corona-virus te lezen, toch heb gelezen: volgens Harvard-onderzoekers is

een lockdown van enkele maanden niet genoeg om de coronapandemie in te dammen. Zolang er geen vaccin is, komen er “vervolgpieken”, die zonder maatregelen groter kunnen worden dan de huidige uitbraak.

Virussen en bacteriën verdwijnen als mensen afweer hebben, maar het schijnt dat de immuniteit die we voor het corona-virus opbouwen niet permanent is, zodat de ziekte kan terugkeren. En anders zullen kinderen die na de huidige uitbraak geboren worden geen weerstand hebben en het virus een gelegenheid geven om terug te keren.

Lees verder “Vergeten woord”

Literaire quiz (11)

Een verlaten plein, midden in de nacht. Ik heb er zelf heel mooie herinneringen aan. Dat het een persoonlijke lieu de mémoire is, deel ik met een beroemde auteur, die er een al even beroemd gedicht over schreef. Het gedicht is zo beroemd dat ik de vraag niet eens hoef te stellen.

Uw goede antwoord zal, zoals de trouwe lezers van deze blog weten, nooit worden vergeten. Het Nationaal Archief en Archive.org (kijk maar) maken namelijk geregeld backups van deze site, dus zowel uw antwoord als uw vermoeden over wat de vraag zou kunnen zijn geweest, zullen tot in de voorzienbare eeuwigheid terug zijn te vinden.

Het verlangen van Nescio

Een enkel woord betekent soms meer dan je denkt. Je moet het kraken als een noot om te ontdekken wat erin schuil gaat.

Waarom bijvoorbeeld heet Nescio’s derde verhaal, dat over de ongelukkige Eduard, eigenlijk Dichtertje? De hoofdpersoon heeft weliswaar een bundel gepubliceerd en de kritiek noemde hem veelbelovend, maar hij is in de eerste plaats echtgenoot, vader, kostwinner, kantoorman. Die kwaliteiten domineren zijn bestaan. Hij is een burgerman. Dichten is vooral wat hij níet doet.

‘Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan al ’t onverschillige levende en doode, dat maar deed of hij er niet was en zich wederom zat wilde vreten tot ’t alles opgevreten had en alleen over was met ’t niet.

Lees verder “Het verlangen van Nescio”

Sprookjes, gecatalogiseerd

Na lang intensief speuren ben ik dankzij een antiquariaat in Niesky (Saksen) voor een schappelijk bedrag in het bezit gekomen van een exemplaar van de catalogus uit 1943 van J.R.W. Sinninghe (1904-1988): Katalog der niederländische Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten. Deze rubriceringscatalogus inclusief literatuurverwijzingen is na de index van Aarne-Thompson-Uther (ATU) zo’n beetje de belangrijkste indexering op dit gebied. Hij wordt bij gebrek aan een alternatief nog steeds gebruikt.

Richt de ATU zich in principe op sprookjes, Sinninghe richt zich meer op sagen en legenden. Beginnen de rubriceringen uit de Aarne-Thompson-Uther-index met de letters ATU, gevolgd door een doorlopend volgnummer, de rubriceringen uit Sinninghe worden gecodificeerd met de letters SIN gevolgd door

  • AT voor sprookjes (deze zijn namelijk een toevoeging aan de toenmalige Aarne-Thompson-index – Uther kwam er pas later aan te pas),
  • SAG voor sagen,
  • UR voor oorsprongssagen (Ursprungssagen) en
  • LEG voor legenden.

SINAT, SINSAG, SINUR en SINLEG worden telkens gevolgd door een volgnummer. Zo verwijst SINSAG 0689 op p.98 naar het motief van de rattenvanger (b.v. van Hamelen).

Lees verder “Sprookjes, gecatalogiseerd”

Mest en stront

Mest als brandstof

Even een vies praatje over mest en stront. We hebben het over hondenstront, kattenstront en varkensstront. Maar we hebben het over paardenmest, kamelenmest, kippenmest, koeienmest en olifantenmest.

In een gesprek zaterdag attendeerde iemand erop dat stront smeriger ruikt en dat dit komt doordat het gaat om vleeseters. De uitwerpselen van planteneters zijn niet werkelijk welriekend maar een stuk beter te verdragen.

Lees verder “Mest en stront”