De ketter van Carthago (2)

De vorig jaar verschenen historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas gaat niet en wel over Augustinus, de bisschop van Hippo over wie ik gisteren blogde. De hoofdpersoon heet Spes en wordt aangetrokken, afgestoten, opnieuw aangetrokken, weer afgestoten en tot slot weer aangetrokken door de bisschop, die dus wel centraal staat in het boek. In feite is het samen te vatten als “hoe Spes bleef kijken naar Augustinus”.

Zoals zoveel historische romans moet je het boek niet lezen omdat het allemaal precies klopt. Nog voor de eerste zin gaat het al fout als er een datering anno Domini wordt gebruikt. Er waren in de Oudheid verschillende dateringssystemen, maar deze is pas in de zesde eeuw gemeengoed geworden. Augustinus dateerde bijvoorbeeld gebeurtenissen regelmatig aan de hand van de Romeinse consuls: zo lezen we in De stad van God dat Christus is gestorven toen Lucius Rubellius Geminus en Gaius Fufius Geminus het consulaat bekleedden. Er zijn in De ketter van Carthago wel meer dingen waar ik als historicus door afgeleid raakte, maar ik vind het niet helemaal eerlijk het boek daarop af te rekenen. Een roman die het verleden toont zoals het werkelijk was, zou zo saai zijn als het menselijk leven nu eenmaal is.

Lees verder “De ketter van Carthago (2)”

Welke Nederlandse boeken moet een Iraniër lezen?

Dat ik de zoon ben van een leraar Nederlands maakt mij nog niet tot kenner der letteren, maar toch: ik kreeg de vraag voorgelegd wat een Iraniër zou moeten lezen om wat van onze literatuur te leren kennen. Dat is zo makkelijk nog niet. Ooit heb ik geprobeerd het Graf te Blauwhuis van Gerard Reve uit te leggen aan een vluchtelinge die vloeiend Nederlands had leren spreken, maar het lukte niet om de afwisseling van aanstellerig melodrama, plagerige ironie en oprechte hartenkreet uitgelegd te krijgen.

Het probleem is natuurlijk dat elke roman, ieder gedicht, elk essay ontstaat op een specifiek moment en in een bepaalde culturele omgeving, en dat er nogal wat kennis van de West-Europese cultuurgeschiedenis is te overwinnen voor iemand die is opgegroeid in de islamitische republiek Iran. En als we ons dan niet willen beperken tot het inburgeringsniveau, maar iets dieper willen gaan, wordt het lastig. Maar toch, ik probeer het.

Lees verder “Welke Nederlandse boeken moet een Iraniër lezen?”

Geliefd boek: De Kapellekensbaan

Ik zou graag eens de aandacht willen vestigen op één van de kleurrijkste schrijvers uit het Nederlands taalgebied, omtrent wie de laatste twintig jaar weinig meer gehoord wordt. Louis Paul Boon, chroniqueur van de arbeidersstrijd in Oost Vlaanderen. Of meer uitgebreid: chroniqueur van het leven van het gewone volk van de Middeleeuwen tot heden. Hij maakte dat leven aanschouwelijk door in Wapenbroeders het Middeleeuws verhaal Van den vos Reynaerde na te vertellen. Hij schreef historische romans over de Geuzentijd, de bokkenrijders en het Daensisme aan het eind van de 19e eeuw. Maar zijn magnum opus is De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren. Deze laatste romans wil ik graag met deze beschouwing aan de vergetelheid ontrukken.

Romans in de klassieke zin van het woord zijn het niet. Het zijn eerder collages of raamvertellingen, maar het feit dat er door alle verschillende verhalen een rode draad loopt, rechtvaardigt de term “roman”. De roman wordt bevolkt door personages in hetzelfde buurtje die elkaar dagelijks ontmoeten en becommentariëren. Ieder personage is op één of andere manier wel auteur.

Lees verder “Geliefd boek: De Kapellekensbaan”

Kraaien in het paradijs

Ik schrijf dit op een mooie vrijdagmorgen. Ik zette zojuist de balkondeuren open en zag in de tuin van de buren een paar groene halsbandparkieten. Mooie beestjes, waarvan de herkomst in Amsterdam een bekend verhaal vormt, maar ze hebben de huismussen verdrongen die hier vroeger nog weleens zaten. Ook de duiven zijn er niet langer. Het is een kleine herinnering aan het feit dat onze leefomgeving permanent verandert. Op zich niets catastrofaals maar het valt ook niet helemáál los te zien van de klimaatcrisis waarin we verkeren. Ik las gisteren dat wereldwijd nog maar drie procent van de ecosystemen onaangetast is.

Ik weet niet wat dat betekent. Ik ben geen bioloog of klimaatwetenschapper. Vermoedelijk kunnen ook biologen en klimaatwetenschappers zich geen goede voorstelling maken van wat ons op de middellange termijn precies te wachten staat. Dan kan de verbeeldingskracht van een romanschrijver te pas komen. Ik heb het over Kraaien in het paradijs, de net verschenen tweede roman van Ellen de Bruin, waarin de neergang wordt beschreven van een geïsoleerd jungle-eiland. (Full disclosure: ik heb De Bruin weleens ontmoet en ze signeerde mijn exemplaar.)

[Hierna volgen enkele spoilers]

Lees verder “Kraaien in het paradijs”

Geliefd boek / geliefde film: De Vierde Man

Voor mij is de grote makke van de Nederlandse literatuur het grote aandeel autobiografische romans over jeugdjaren verpest door religie. Ik hoef geen tientallen romans te lezen om te begrijpen dat voor een naar vrijheid en ontplooiing hunkerende geest het een hel is op te groeien in een klein, benauwd dorp of stadje met een heersende streng-christelijke of anderszinse moraal. Noch heb ik behoefte aan de vruchten van therapeutisch-van-je-afschrijven. Eén Anton-Wachter-roman vond en vind ik ruimschoots voldoende.

Bovendien is de ultieme semi-autobiografische roman al lang geleden geschreven: De Avonden. Dat geldt dus ook voor vele opvolgers van dat boek. En daarom was De vierde man voor mij een aangename verrassing. Dat boek ging over de auteur en toch weer niet.

Lees verder “Geliefd boek / geliefde film: De Vierde Man”

Geliefd boek: Herinneringen van een engelbewaarder

De meest gewaardeerde romans van W.F. Hermans zijn De donkere kamer van Damokles en Nooit meer Slapen. De eerste maakte hem beroemd in Nederland, de tweede wordt volgens Wikipedia als zijn meesterwerk beschouwd en werd besproken en geprezen op mijn middelbare school tijdens Nederlandse les. Maar ja, ik was toen al een dwarskikkertje; het eerste boek dat ik van hem las was Herinneringen van een engelbewaarder. De twee eerder genoemde vielen me licht tegen, ook vergeleken met het werk dat hij de eerste paar jaar na de Tweede Wereldoorlog schreef.

Dus toen Nooit Meer Slapen op deze blog werd besproken moest ik meteen aan de literaire verkenningen tijdens mijn tienerjaren terugdenken. Of daar een engelbewaarder bij kwam kijken laat ik in het midden. Wel besloot ik mijn favoriete boek van Hermans te herlezen. Dat is uiteraard een riskante onderneming; ik ben niet dezelfde meer als veertig jaar geleden en bijgevolg is mijn smaak dat ook niet meer.

Lees verder “Geliefd boek: Herinneringen van een engelbewaarder”

Geliefd boek: De zwarte met het witte hart

De eerste tien jaar van mijn leven was ik niet zwart. Ik was op veel manieren anders dan de mensen om mij heen, maar donkerder was ik niet. Dat weet ik. Er is een dag geweest waarop ik een verkleuring gewaarwerd. Later, toen ik dan eenmaal zwart wás, ben ik weer verschoten.

Zo begint De zwarte met het witte hart, Arthur Japins prachtige vertelling van een wonderlijke geschiedenis. Twee Ashanti-prinsen, Kwasi en Kwame, werden in 1837 cadeau gedaan aan onze koning Willem I. De Trans-Atlantische Slavenhandel was afgeschaft, maar de Nederlanders misten de inkomsten. Generaal-majoor Verveer sloot namens onze regering een deal met de Ashanti: zij zouden jaarlijks duizenden soldaten leveren aan het Nederlands-Indisch leger. De Ashanti-koning leverde slaven en krijgsgevangenen uit de omliggende regio’s die van de Nederlanders een voorschot kregen waarmee ze zichzelf vrij konden kopen. Dit voorschot dienden ze uit hun soldij terug te betalen. Omdat hun soldij hiervoor niet toereikend was, bleven ze vaak tot hun al dan niet voortijdige dood in Nederlandse dienst. Als onderpand voor deze verkapte slavernij werden de beide prinsjes geschonken aan onze koning. In Nederland kregen zij een opleiding.

Lees verder “Geliefd boek: De zwarte met het witte hart”

Geliefd boek: Nooit meer slapen

In het najaar van 1960 werd Nederland opgeschrikt door de verschijning van een volstrekt nieuw tijdschrift: Twen. Het volgende nummer heette Taboe, daarna verschenen nog twee nummers en toen was het afgelopen.

In het eerste nummer stond een verhaal van W.F. Hermans, getiteld Nooit meer slapen. Ik begreep er niet veel van, maar de titel vond ik prachtig en toen een kleine zes jaar later de gelijknamige roman verscheen, aarzelde ik geen moment, al sloeg de prijs van f  9,50 voor deze literaire reuzenpocket (LRP173) een fikse deuk in mijn bescheiden budget.

Lees verder “Geliefd boek: Nooit meer slapen”

Geliefd boek: Goëtia

De canon van de literatuur is niet voor de niets de canon van de literatuur. Daar zijn de beste werken bijeen verzameld. Maar zijn het wel de beste werken? Zien we niet af en toe wat over het hoofd? Nou zeker zien we wel eens wat over het hoofd. Ver voorbij de randen van de canon ligt Goëtia van Frits Lapidoth op ons te wachten. Een roman uit 1893 die het satanistisch-decadente oplichtersleven van Olga beschrijft. We zien alle clichés uit het mondaine Parijs van het fin-de-siècle voorbijkomen: rijkdom, verveling, decadentisme, dandyisme en occultisme. En tegelijkertijd worden al die clichés onderuitgehaald, juist omdát het clichés zijn – dat weten schrijver Lapidoth en hoofdpersoon Olga zelf ook wel!

Lees verder “Geliefd boek: Goëtia”

Geliefd boek: Hanesteen

De jaren tachtig zijn in volle gang als de dertigjarige Chiel Hanesteen de grip op zijn bestaan verliest. Alles moet kunnen, we zijn modern, niet vastgeroest en bepalen zelf wel wat we geloven of wat onze moraal is. De wat ouderwetse Chiel heeft daar geen antwoord op en is bang voor de nieuwe mens die hij moet worden. Na een zoektocht door vrije liefde en de aankoop van een leren jasje om erbij te horen, wordt hij voor het eerst psychotisch na het eten van hasjcake bij een bevriend echtpaar met een open huwelijk. Hij verliest zijn vriendin Evy met wie hij samenleeft, aan die nieuwe moraal en belandt met een psychose in de Marnixkliniek.

Een gek gezin

Als Hanesteen, het debuut van Michael Elias, begint, is Chiel al anderhalf jaar verder en zit hij in de psychiatrische inrichting Duinoord, met Noorderslag I, een gesloten afdeling en Noorderslag II, waar de inwoners klaargestoomd worden op terugkeer naar de maatschappij. Chiel, in de eerste Noorderslag, vraagt zich af hoe hij daar is gekomen. Hij had toch zulke enige ouders, die van alles een feestje maakten. De opgelegde vrolijkheid van moeder Hanna en de kinderen moest echter dienen om het concentratiekamp Buchenwald, waar vader Maarten had gezeten, er onder te houden. Zou dat de oorzaak zijn van Chiels problemen? Moeder doordrong hem er te pas en te onpas van dat ook zij haar portie ellende in de Hongerwinter had gehad, maar niets kon hun huwelijksgeluk kapot maken. Dat nu juist hun oudste zoon gek is geworden zien ze dan ook als een smet op dat geluk.  Hanna was een verstikkende moeder die beschamend lieve briefjes in zijn broodtrommeltje stopte, maar die hem ook steeds voorhield dat hij geen vriendinnetje had. Was hij maar als zijn neef Raf, die aan iedere vinger een meisje kan krijgen. Chiel leeft daardoor in een beangstigend universum van aantrekken en afstoten. Geen wonder dat hij als de familieclown een verbinder wordt om het gezin in stand te houden, een Messias die tijdens zijn tien doorgemaakte psychoses de wereld op zijn nek voelt drukken. In normale tijden gebruikt hij een cynisch getinte ironie om die beangstigende werkelijkheid op afstand te houden. Hij voelt zich als een ‘participerende observant’, die de ‘macabere folklore’ van de therapieën op Noorderslag gaat beschrijven.

Lees verder “Geliefd boek: Hanesteen”