Historische taalkunde

Germaanse runentekst uit Tiel (“Van Halethwas, die de zwaardvechters zwaarden geeft”)

Een paar jaar geleden sprak ik een studente neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam die niet wist wat Gotisch was. Een medestudent wist het evenmin. Dat hoeft ook helemaal niet, maar het contrasteert wel wat met mijn vader, die de Germaanse taal nog moest leren om les te mogen geven op een middelbare school. Ik heb er weleens over geblogd. Ik zal in het midden laten of dit contrast helemaal representatief is voor het huidige hoger onderwijs, maar ik denk dat weinig mensen zullen tegenspreken dat de oude MO-opleidingen verrotte grondig waren terwijl de huidige academische opleidingen verrekte kort zijn.

Dat geldt – ik vertel de trouwe lezers van deze blog weinig nieuws – ook voor mijn eigen studietijd. Veel van wat ik had moeten leren om als oudheidkundige mijn vak te overzien, heb ik nooit onderwezen gekregen. Zoals historische taalkunde. Dat is echt een gat in mijn algemene ontwikkeling. Gelukkig zijn er alleszins toegankelijke boeken over dit onderwerp, waarop ik werd geattendeerd via de al even toegankelijke blog Neerlandistiek. Ik noem vier titels.

Lees verder “Historische taalkunde”

Spreektaal, blogtaal en boekentaal

Dit weekend rondde ik Bedrieglijk echt af, mijn boek over papyrologie. Het gekke is dat je nooit precies kunt aanwijzen wanneer een boek klaar is. Ik weet dat ik begin te spreken over een voltooid boek als ik het denkwerk heb gedaan, als ik de materie heb verdeeld over hoofdstukken, paragrafen en alinea’s en als ik het beeldmateriaal heb uitgezocht. Dan hoef ik alleen nog maar de zinnen te schrijven, wat in principe ook iemand anders zou kunnen doen. Tegelijk weet ik dat er tijdens het schrijven van de zinnen altijd nog ideeën komen. En soms grove ingrepen. Dit keer is bijvoorbeeld een paragraaf over Kellis, waar papyri de manichese geloofspraktijk documenteren, op het laatste moment geschrapt, waar ik eigenlijk van baal.

Maar ook als ik de zinnen heb geschreven en het manuscript naar de uitgever zou kunnen, is het niet af. Toen ik de tekst afgelopen weekend af had, ben ik die nog eens met de stofkam doorgelopen en uiteindelijk heb ik alles nog 5% ingedikt. Dat doe ik met boeken altijd en het maakt een tekst beter, maar ik snap niet goed wat er in die fase nu werkelijk gebeurt. Nou ja, ik heb een vermoeden.

Lees verder “Spreektaal, blogtaal en boekentaal”

Een soirée met Drs.P.

[Vanavond even een gastbijdrage aan deze blog, ingezonden door egyptologe/archeologe Sigrid van Roode, die u vorige week zag in dit filmpje.]

Een broze Drs.P. zit in een rolstoel naast de vleugel in de OBA te Amsterdam. Zijn jonge begeleider speelt De Gezusters Karamazov, de dan al demente doctorandus zingt de tekst. Kraakhelder en foutloos komen de vertrouwde woorden voorbij. Als de laatste akkoorden wegsterven, licht het gezicht van de hoogbejaarde doctorandus op. Hij straalt en zegt enthousiast: “Júist!” Het is één van de korte filmfragmenten in het eerbetoon dat Erik van Muiswinkel in de Leidse schouwburg opvoerde en waar ik in gezelschap van twee mede-adepten op een koude dinsdagavond naartoe was gegaan.

Ik hou van taal, van mensen die zich daarvan weten te bedienen en van mensen die daar net zo blij van worden als ik. Ik hou van Vondels rinkinkerende Aeneas en val als een blok voor de elegante zinnen van Frits van Oostrom in zijn Maerlants Wereld. Eén van de cassettebandjes, in onze studententijd door mijn beste vriendin meegebracht naar een opgraving, leverde eenzelfde plezier: dat was Drs.P. Compilé sur CD, of althans zoveel daarvan als op het bandje paste. De enjambementen in De Grenadiertjes, het enthousiasme in Sla, de uitsmijter van De Commensaal: ik genoot van zijn taalbehendigheid en oubollig krakende stem. Sneker Café en O wat leuk werden tot officieuze opgravingsliederen, en bij nader inzien bleek ik Dodenrit en Knolraap en Lof, Schorseneren en Prei allang te kennen. Want zo gaat dat, zei mijn gezelschap tijdens ons diner voorafgaand aan de voorstelling: Drs.P. hoef je niet uit je hoofd te leren, dat ken je op een gegeven moment gewoon.

Lees verder “Een soirée met Drs.P.”

Leidens Ontzet

Leidens Ontzet
Leidens Ontzet

P.C. Hooft is geen schrijver die nog veel lezers trekt. We kennen hem zoals we Vondel kennen: er is een straat of een park naar zo iemand genoemd, en dat is het dan. Zo gaan die dingen nou eenmaal en dat is niet erg. Dat laat onverlet dat die auteurs wel wisten hoe ze een verhaal moesten vertellen en mooi Nederlands schreven. Hieronder volgt een stukje uit Hoofts Nederlandse Historiën (1642) dat ik tijdens een slapeloze nacht heb overgetypt. Gegeven de datum – dit gaat online op 3 oktober – kunt u het onderwerp wel raden: het ontzet van Leiden.

De situatie: de dijken zijn doorgestoken, de vloot van Lodewijk van Boisot nadert de belegerde stad en hoeft alleen de Lammenschans nog in te nemen, maar de postduif waarmee dit de Leidenaren wordt aangekondigd, valt in Spaanse handen. De belegeraars besluiten echter geen soldaten nodeloos op te offeren en trekken zich geordend terug. Het geschut, dat ze niet kunnen meenemen door het geïnundeerde gebied, wordt onklaar gemaakt door de stukken in het water te werpen.

Lees verder “Leidens Ontzet”

Vondel in Keulen, bis

Gedenksteen voor Vondel in Keulen

Een tijdje geleden blogde ik over een bezoekje aan Keulen, waarbij ik in de Große Witschgasse vergeefs had gezocht naar het gedenksteentje op het geboortehuis van Joost van den Vondel. Ik schreef:

De moderne straat herinnerde ik me goed. De seksbioscopen in de omgeving herinnerde ik me eveneens goed. De nabijheid van de Rijn herinnerde ik me eveneens correct. Maar die gevelsteen? Niets.

Speelt mijn geheugen me parten? Het zou kunnen. Ik ben vierenvijftig. Heb ik slecht gekeken in een drukke straat? Kan ook. Of is die gevelsteen verwijderd? Het zou ook kunnen. Ging het om het huis dat in verbouwing was? Ik weet het niet maar in elk geval hoort er op die plek gewoon een gevelsteen te zijn, klaar.

Lees verder “Vondel in Keulen, bis”