Sprookjes, gecatalogiseerd

Na lang intensief speuren ben ik dankzij een antiquariaat in Niesky (Saksen) voor een schappelijk bedrag in het bezit gekomen van een exemplaar van de catalogus uit 1943 van J.R.W. Sinninghe (1904-1988): Katalog der niederländische Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten. Deze rubriceringscatalogus inclusief literatuurverwijzingen is na de index van Aarne-Thompson-Uther (ATU) zo’n beetje de belangrijkste indexering op dit gebied. Hij wordt bij gebrek aan een alternatief nog steeds gebruikt.

Richt de ATU zich in principe op sprookjes, Sinninghe richt zich meer op sagen en legenden. Beginnen de rubriceringen uit de Aarne-Thompson-Uther-index met de letters ATU, gevolgd door een doorlopend volgnummer, de rubriceringen uit Sinninghe worden gecodificeerd met de letters SIN gevolgd door

  • AT voor sprookjes (deze zijn namelijk een toevoeging aan de toenmalige Aarne-Thompson-index – Uther kwam er pas later aan te pas),
  • SAG voor sagen,
  • UR voor oorsprongssagen (Ursprungssagen) en
  • LEG voor legenden.

SINAT, SINSAG, SINUR en SINLEG worden telkens gevolgd door een volgnummer. Zo verwijst SINSAG 0689 op p.98 naar het motief van de rattenvanger (b.v. van Hamelen).

Lees verder “Sprookjes, gecatalogiseerd”

Mest en stront

Mest als brandstof

Even een vies praatje over mest en stront. We hebben het over hondenstront, kattenstront en varkensstront. Maar we hebben het over paardenmest, kamelenmest, kippenmest, koeienmest en olifantenmest.

In een gesprek zaterdag attendeerde iemand erop dat stront smeriger ruikt en dat dit komt doordat het gaat om vleeseters. De uitwerpselen van planteneters zijn niet werkelijk welriekend maar een stuk beter te verdragen.

Lees verder “Mest en stront”

Historische taalkunde

Germaanse runentekst uit Tiel (“Van Halethwas, die de zwaardvechters zwaarden geeft”)

Een paar jaar geleden sprak ik een studente neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam die niet wist wat Gotisch was. Een medestudent wist het evenmin. Dat hoeft ook helemaal niet, maar het contrasteert wel wat met mijn vader, die de Germaanse taal nog moest leren om les te mogen geven op een middelbare school. Ik heb er weleens over geblogd. Ik zal in het midden laten of dit contrast helemaal representatief is voor het huidige hoger onderwijs, maar ik denk dat weinig mensen zullen tegenspreken dat de oude MO-opleidingen verrotte grondig waren terwijl de huidige academische opleidingen verrekte kort zijn.

Dat geldt – ik vertel de trouwe lezers van deze blog weinig nieuws – ook voor mijn eigen studietijd. Veel van wat ik had moeten leren om als oudheidkundige mijn vak te overzien, heb ik nooit onderwezen gekregen. Zoals historische taalkunde. Dat is echt een gat in mijn algemene ontwikkeling. Gelukkig zijn er alleszins toegankelijke boeken over dit onderwerp, waarop ik werd geattendeerd via de al even toegankelijke blog Neerlandistiek. Ik noem vier titels.

Lees verder “Historische taalkunde”

Spreektaal, blogtaal en boekentaal

Dit weekend rondde ik Bedrieglijk echt af, mijn boek over papyrologie. Het gekke is dat je nooit precies kunt aanwijzen wanneer een boek klaar is. Ik weet dat ik begin te spreken over een voltooid boek als ik het denkwerk heb gedaan, als ik de materie heb verdeeld over hoofdstukken, paragrafen en alinea’s en als ik het beeldmateriaal heb uitgezocht. Dan hoef ik alleen nog maar de zinnen te schrijven, wat in principe ook iemand anders zou kunnen doen. Tegelijk weet ik dat er tijdens het schrijven van de zinnen altijd nog ideeën komen. En soms grove ingrepen. Dit keer is bijvoorbeeld een paragraaf over Kellis, waar papyri de manichese geloofspraktijk documenteren, op het laatste moment geschrapt, waar ik eigenlijk van baal.

Maar ook als ik de zinnen heb geschreven en het manuscript naar de uitgever zou kunnen, is het niet af. Toen ik de tekst afgelopen weekend af had, ben ik die nog eens met de stofkam doorgelopen en uiteindelijk heb ik alles nog 5% ingedikt. Dat doe ik met boeken altijd en het maakt een tekst beter, maar ik snap niet goed wat er in die fase nu werkelijk gebeurt. Nou ja, ik heb een vermoeden.

Lees verder “Spreektaal, blogtaal en boekentaal”

Een soirée met Drs.P.

[Vanavond even een gastbijdrage aan deze blog, ingezonden door egyptologe/archeologe Sigrid van Roode, die u vorige week zag in dit filmpje.]

Een broze Drs.P. zit in een rolstoel naast de vleugel in de OBA te Amsterdam. Zijn jonge begeleider speelt De Gezusters Karamazov, de dan al demente doctorandus zingt de tekst. Kraakhelder en foutloos komen de vertrouwde woorden voorbij. Als de laatste akkoorden wegsterven, licht het gezicht van de hoogbejaarde doctorandus op. Hij straalt en zegt enthousiast: “Júist!” Het is één van de korte filmfragmenten in het eerbetoon dat Erik van Muiswinkel in de Leidse schouwburg opvoerde en waar ik in gezelschap van twee mede-adepten op een koude dinsdagavond naartoe was gegaan.

Ik hou van taal, van mensen die zich daarvan weten te bedienen en van mensen die daar net zo blij van worden als ik. Ik hou van Vondels rinkinkerende Aeneas en val als een blok voor de elegante zinnen van Frits van Oostrom in zijn Maerlants Wereld. Eén van de cassettebandjes, in onze studententijd door mijn beste vriendin meegebracht naar een opgraving, leverde eenzelfde plezier: dat was Drs.P. Compilé sur CD, of althans zoveel daarvan als op het bandje paste. De enjambementen in De Grenadiertjes, het enthousiasme in Sla, de uitsmijter van De Commensaal: ik genoot van zijn taalbehendigheid en oubollig krakende stem. Sneker Café en O wat leuk werden tot officieuze opgravingsliederen, en bij nader inzien bleek ik Dodenrit en Knolraap en Lof, Schorseneren en Prei allang te kennen. Want zo gaat dat, zei mijn gezelschap tijdens ons diner voorafgaand aan de voorstelling: Drs.P. hoef je niet uit je hoofd te leren, dat ken je op een gegeven moment gewoon.

Lees verder “Een soirée met Drs.P.”