Een godsbewijs van Ǧibrīl ibn Nūḥ

De betekenis van dit plaatje zal u aanstonds duidelijk worden (Capitolijnse Musea, Rome)

[Dit is het tweede blogje dat Wim Raven schreef over zijn uitgave van Ǧibrīl ibn Nūḥ. Het eerste was hier en Wims eigen blog is daar.]

De godsbewijzen van Ǧibrīl ibn Nūḥ

Een godsbewijs gaat bij Ǧibrīl ibn Nūḥ meestal als volgt:

  • de aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, doelmatig of complex is.
  • vervolgens wordt gezegd dat zoiets toch onmogelijk door toeval zou kunnen ontstaan,
  • en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten, die het beste met de mensen voor heeft.

Dikwijls wordt er betoogd: wat fijn dat het is zoals het is; het had ook veel slechter, lelijker of onpraktischer kunnen uitpakken, zo in de trant van het moderne liedje: “Ik ben zo blij, ik ben zo blij, dat mijn neus van voren zit en niet opzij.”

Lees verder “Een godsbewijs van Ǧibrīl ibn Nūḥ”

Cicero (2): Filosofisch winkelen

[Tweede deel van een vijfdelige reeks over de wijze waarop de Romeinse senator Cicero de Griekse filosofie voor zijn landgenoten ontsloot. Het eerste deel was hier.]

Cicero tegen Epicurus

Hoewel hij zich niet expliciet voor of tegen een filosofische stroming uitspreekt, heeft Cicero duidelijk zijn voorkeuren, en vooral op het epicurisme heeft hij veel kritiek. Door het genot centraal te stellen maakt Epikouros volgens Cicero de fout het schone en de deugd tot onderdanen te maken van de zinnelijkheid.

Bij monde van de stoïcijnen maakt Cicero het epicurische geloof in het toeval belachelijk. Het idee dat alles puur toevallig zou zijn ontstaan, tart volgens hem iedere logica en waarneming. Hij verwijst naar het Romeins-stoïcijnse natuurwetenschappelijke wereldbeeld: die prachtige samenhang van vijf verschillende elementen die zich naar elkaar ordenen, dat kan toch niet zomaar toevallig zijn ontstaan?

Lees verder “Cicero (2): Filosofisch winkelen”