Archeologie van Israël (5): analyse

De zuidelijke stallen van Megiddo zijn een voorbeeld van een bouwwerk dat eerst ten tijde van Salomo werd gedateerd, maar jonger leek te zijn. Of misschien is het toch weer anders.

Ik heb de afgelopen dagen geblogd over de Vroege IJzertijd-archeologie van Israël. De eerste post is hier. De centrale vraag was daarbij of de maximalisten of de minimalisten de betere benadering kozen, en dat is afhankelijk van twee vragen. De eerste, waarover we het nog niet hebben gehad, is of er bewijs is voor de Intocht; de tweede is of er bewijs is voor monumentale architectuur op het moment waarop koning Salomo regeerde.

Er zijn inderdaad grote monumenten gevonden, waarvan die in Jeruzalem het meest tot de verbeelding spreken. Volgens de traditionele, “hoge” chronologie van het IJzer IIa-aardewerk zijn die op het juiste moment te dateren. Volgens een recentere, “lage”, chronologie begint het IJzer IIa echter later en kan de “large stone structure” in Jeruzalem alleen ná Salomo zijn gebouwd. De oplossing zal moeten komen van 14C-dateringen, en even leek er uit Tel Rehov bewijs dat het IJzer IIa-aardewerk al in gebruik was vóór het einde van de regering van koning Salomo. Bij nader inzien bleek het bewijs niet waterdicht. Lees verder “Archeologie van Israël (5): analyse”

Archeologie van Israël (2): de vragen

IJzertijdheiligdom uit Hazor

Ik schreef al over archeologie in Israël en vertelde dat er ruwweg twee stromingen waren. Minimalisten menen dat het bijbels verhaal een literaire constructie is, zoals ook de stichtingssage van Rome en het verhaal van koning Arthur, en dat het alleen mag worden gevolgd als archeologen het hebben bevestigd. Maximalisten daarentegen gaan uit van de maximale betrouwbaarheid van het verhaal van de Bijbel, en stellen dat dit verhaal ruwweg juist is, tenzij archeologen aanwijzingen hebben voor het tegendeel. Het is evident dat dit laatste standpunt iets beter past bij een zionistische staat. Om een misverstand te vermijden: maximalisten zijn niet per se religieuzer dan minimalisten.

Wat betekent dit concreet? Veel draait om de vraag of we een archeologische chronologie kunnen opstellen die overeenkomt met het verhaal van de Bijbel. En dat draait, in de praktijk, eigenlijk vooral om twee deelvragen:

Lees verder “Archeologie van Israël (2): de vragen”

Archeologie van Israël (1): de context

Hazor: Bronstijdcitadel. Achteraan de berg Karmel.

Ik heb er al eens vaker op gewezen dat archeologen soms op een vreemde manier de publiciteit zoeken. Het is ze niet altijd te verwijten, want archeologie is niet altijd eenvoudig uit te leggen. Maar als iemand beweert dat deze of gene opgraving bewijst dat een bijbels verhaal op waarheid berust, dan mag je er gerust van uitgaan dat er iets niet in de haak is. De kop dat “3,000-year-old wheat traces said to support biblical account of Israelite conquest” geeft in elk geval aan dat de journalist nattigheid voelde. Toch is de gerapporteerde vondst interessant, want ze illustreert wat momenteel de inzet is van de archeologie in de staat Israël.

Die is, om te beginnen, gepolitiseerd. Het archeologiebudget in Israël is enorm en wordt grotendeels besteed aan vondsten die op een of andere manier het joodse karakter van het land benadrukken. Niet dat een islamitische vondst wordt genegeerd – het Omayyadische paleis aan de voet van de Tempelberg is bijvoorbeeld keurig opgegraven en voor het publiek toegankelijk – maar het krijgt de nadruk niet. Dat is niet zó heel vreemd; in Nederland worden soortgelijke keuzes gemaakt. Nog vandaag hoorde ik hoe op een opgraving de Bataafse vondsten zeer zorgvuldig werden geregistreerd terwijl al het middeleeuwse materiaal ongezien verdween naar de stort. Die keuze is verdedigbaar, maar het is een keuze en die keuze zegt iets over beleidsprioriteiten.

Lees verder “Archeologie van Israël (1): de context”