Een tekst over Troje?

De oostelijke poort van Troje VI/VIIa

Zo op het eerste gezicht lijkt het nieuws behoorlijk belangrijk. En na deze eerste zin weet u al dat er een tweede gezicht is en dat het nieuws wellicht anders moet worden geduid. En u weet dan ook dat er een conclusie komt over de aard van het nieuws. Met andere woorden: op deze vroege zondagochtend kan ik, op een hotelkamer in het Kroatische Zadar, voor het volgende nieuws geen adequatere vorm bedenken dan een stomvervelend frame dat al veel te vaak is gebruikt. Niettemin is het bericht de moeite waard, dus lees even verder.

1. Op het eerste gezicht

De claim: onderzoekers hebben een 3200 jaar oude inscriptie vertaald waar informatie in blijkt te staan over de gebeurtenissen in westelijk Klein-Azië. Het interessante is dat daarin Troje wordt genoemd. De tekst, zo lezen we hier, is geschreven in het Luwisch (een Indo-Europese taal uit het westen van Klein-Azië) en beschrijft enkele gebeurtenissen uit het koninkrijk Mira. Als ik het goed samenvat nam een koning Mashuittas van Mira de macht over van koning Walmu van Wilusa (de oude naam van Troje). Deze Walmu was uit zijn stad verdreven maar Mashuittas gaf hem die stad terug in ruil voor beloftes een trouwe vazal te zullen zijn.

Na de dood van Mashuittas volgde Kupantakuruntas hem op. Als koning van Mira bleef hij Troje beheersen zoals zijn voorganger had gedaan. We lezen verder dat de Trojaanse prins Muksus naar het oostelijk Middellandse Zee-gebied trok en daar onder meer Askelon veroverde en er een fort bouwde.

Dit alles past aardig bij wat we weten. In de vijftiende eeuw v.Chr. bestond in Klein-Azië een federatie genaamd “Assuwa”, die door de Hittieten rond 1400 werd ontbonden. Eén van de opvolgerstaten was Mira. We kennen koning Walmu van Troje uit Hittitische spijkerschriftteksten en kunnen hem dateren rond 1240. Het is heel wel mogelijk dat Mira zijn territoriale ambities deelde met Assuwa en belangstelling had voor Troje, dat ooit deel had uitgemaakt van Assuwa. Ook Muksus is een oude bekende: uit een inscriptie uit Karatepe-Aslantaş wordt duidelijk dat hij dezelfde is als degene die de Grieken Mopsos noemen. In de Griekse verhalen wordt Mopsos geassocieerd met de Griekse expansie naar het oostelijk Middellandse Zee-gebied in de tijd na de Trojaanse Oorlog. Dat is de periode van de Zeevolken, van wie al lang wordt vermoed dat ze deels afkomstig zijn uit West-Turkije.

2. Het tweede gezicht

De problemen zijn samen te vatten als “als het te mooi is om waar te zijn, is het meestal niet waar”. Ik ben niet de enige die het niet kan geloven: de website die dit bericht afgelopen week de wereld in hielp, LiveScience, heeft vragen gesteld aan andere onderzoekers om zo de claim te verifiëren. Er zijn namelijk wat alarmbellen.

Om te beginnen: waar is die dekselse inscriptie? Die is, zo lezen we, in 1878 nagetekend en sindsdien verdwenen. Vervolgens kwamen de tekeningen in handen van een onderzoeker met een Turkse naam, Bahadır Alkım, die ze weer doorspeelde aan een Amerikaanse onderzoeker, James Mellaart, die naar de vondst verwees maar het niet publiceerde. De onderzoeker die er nu aan werkt is de Nederlandse taalkundige Fred Woudhuizen. De Zwitserse geo-archeoloog Eberhard Zangger, president van de Luwian Studies Foundation, heeft nu gezorgd voor een uitgave. De officiële publicatie is er ondertussen nog niet, die is er pas in december.

Het eerste deel van de vorige alinea is al verdacht: de inscriptie is zoek. En dan de namen. De Luwian Studies Foundation heeft zichzelf al eens eerder overschreeuwd door de ontdekking van een totaal nieuwe cultuur aan te kondigen. Dat is echt overdreven want de Luwische taal is allang bekend. Woudhuizen heeft, als ik het me hier op mijn Kroatische hotelkamer goed herinner, eens geclaimd de Faistos-schijf te hebben vertaald, en die zou nog verwijzen naar de Homerische koning Nestor ook. Daar heeft hij weinig erkenning voor gekregen. En tot slot James Mellaart, die (al dan niet te goeder trouw) betrokken is geweest bij enkele vervalste oudheden. Dit is geen gezelschap dat buitengewoon veel vertrouwen inboezemt – en dat schrijf ik met forse tegenzin, want het is natuurlijk een argumentum ad hominem. Vóór Woudhuizen wil ik zeggen dat hij gelijk heeft dat er iets pleit tegen het vermoeden dat we te maken hebben met een vervalsing: een vervalser moet Luwisch kunnen en dat is niet zo gemakkelijk. In elk geval Mellaart kon het niet, maar hij kan het slachtoffer zijn van een slimmerik die het wel kan.

Kortom: als dit een factcheck zou zijn, zou het oordeel zijn “onwaarschijnlijk maar niet volledig uitgesloten”.

3. Tot besluit

Resteert nog de conclusie over de aard van de berichtgeving. Dit is dus waarom opgravingen meteen moeten worden gepubliceerd en waarom het belangrijk is dat vondsten afkomstig zijn uit een gecontroleerde opgraving. Ik hoop dat journalisten de wijsheid hebben niet over deze ontdekking te publiceren voordat de publicatie er is (als ik het goed begrijp in Talanta).

5 gedachtes over “Een tekst over Troje?

  1. Paul van der Erve

    James Mellaart wordt hier wel erg onaardig in de hoek gezet. In de eerste plaats was hij geen Amerikaan, maar de zoon van een Nederlandse vader van Schotse oorsprong, een deskundige op het gebied van de Nederlandse oude meesters. James Mellaart groeide dan ook grotendeels op in Nederland en was in de oorlogsjaren om aan de Arbeitseinsatz te ontsnappen via een relatie van zijn vader min of meer ondergedoken in Leiden in het Museum voor Oudheden. Hoewel van huis uit Egyptoloog was Mellaart de man die het Anatolische Çatal Hüyük ontdekte en daar de eerste opgravingen organiseerde. De publicaties van Mellaart over Çatal Hüyük hebben grote invloed gehad, al zijn sommige van zijn conclusies tegenwoordig omstreden.
    De kwestie van de “vervalste oudheden” betreft de zg. Dorak-affaire, waarbij Mellaart er door de Turkse politie van werd beschuldigd een antieke goudschat het land te hebben uitgesmokkeld. Duidelijkheid hierover is nooit gekomen en de vraag is zelfs of deze goudschat ooit heeft bestaan. In 1965 werden de beschuldigingen tegen Mellaart ingetrokken, maar moest hij wel de opgravingen in Çatal Hüyük beëindigen. Deze werden pas vanaf de jaren ’90 voortgezet o.l.v. Ian Hodder. Van 1965 tot 1991 doceerde Mellaart aan de London University. In 1980 werd hij Fellow of the British Academy. Hij overleed in 2012.

  2. Erik Bouwknegt

    Op de site van Woudhuizen ook een publicatie van hem (te bestellen à € 88,-) waarin hij uitlegt hoe het Etruskisch zou afstammen van het Luwisch. De verschillen zouden verklaarbaar zijn door Italisch en Keltische substraten, en Griekse en Foenicische adstraten.

    Het is geen ad hominem wanneer je eerder werk van iemand bekijkt om te zien of het iemand is op wiens vakkundig oordeel je kunt vertrouwen.

  3. Lennart Quispel

    Volgens mij heeft Jona gelijk en is dit wel degelijk een vorm van een ad-hominem. Laat ik een poging doen om uit te leggen waarom ik dat denk, met een historisch voorbeeld.

    In de 17e eeuw was er een alchemist, die het grootste deel van zijn tijd besteedde aan alchemistische doelen zoals lood in goud veranderen. Echter, hij had ook een paar natuurkundige ideeen, die hij bewerkte tot een boek en publiceerde. We weten inmiddels, dat alchemie onzin is, en dat lood in goud veranderen een nogal zinloze excercitie oplevert. De man was dus overduidelijk een pseudo-wetenschapper. We hoeven zijn natuurkunde dus ook niet serieus te nemen; hij is immers geen echte wetenschapper.

    Iedereen met enige kennis van wetenschapsgeschiedenis zal begrijpen waar ik heen wil. De man die ik beschrijf is Isaac Newton, grondlegger van de moderne natuurwetenschappen. En zijn natuurkunde klopt, zodanig goed zelfs dat we er mensen me op de Maan kunnen krijgen. Het feit, dat Newton ook een overtuigde alchemist was, heeft helemaal niets te maken met het waarheidsgehalte van de Principia. Het is eigenlijk non-informatie, als we het over natuurkunde hebben. Het is niet relevant; de gravitatieconstante zal niet plotseling gaan veranderen omdat Newton in transmutatie geloofde. We hebben er simpelweg niets aan. Als we willen weten of de Wetten van Newton kloppen, dan heeft het geen enkele zin om naar Newton als persoon te kijken.

    Dit is precies hetzelfde. Het kan best dat Alkim, Mellaart, Woudhuizen, of wie dan ook allemaal onbetrouwbare dingen hebben gedaan. Maar die informatie kunnen we niet gebruiken om uitspraken over die inscriptie te doen. Zelfs als Mellaart inderdaad een goudschat Turkije uit heeft gesmokkeld, dan nog kan het simpelweg zo zijn dat die inscriptie echt was. Het een heeft simpelweg niets met het ander te maken.

    Het is dus een ad-hominem, omdat de persoonlijke informatie niet gebruikt kan worden om het waarheidsgehalte van de bewering te bepalen. Dat betekent niet, dat het helemaal niets zegt. Je kan natuurlijk altijd beargumenteren, dat de kans dat iemand de boel belazerd groter is als hij dat in het verleden al eens heeft gedaan. Dat klopt in de meeste gevallen (alhoewel er ook wat op aan te merken is), maar dan nog gaat het hier slechts om kansen. De enige uitspraak die je zou kunnen doen, is het niet zo waarschijnlijk is dat de inscriptie echt is. Maar waarschijnlijkheid is iets heel anders dan zekerheid.

Reacties zijn gesloten.