WvdK | De val van Jeruzalem

Het “verbrande huis” in Jeruzalem: een van de herinneringen aan de verwoesting van Jeruzalem in 70.

Over de ondergang van Jeruzalem in het jaar 70 n.Chr. heb ik vorig jaar uitgebreid geblogd en ik wil er nu niet al teveel over schrijven. U leest het hier allemaal maar na. Onze voornaamste bron is Flavius Josephus, die geen verschrikking onvermeld laat en desondanks de aandacht weet vast te houden. Josephus is absoluut een van de boeiendste klassieke auteurs en mag zeker niet ontbreken in het reeksje bronnen dat ik hier tijdens de Week van de Klassieken aan u voorleg.

Josephus is echter een auteur met een agenda. Hij presenteert de vernietiging van Jeruzalem als het resultaat van de rebelse houding van mensen die niet wilden luisteren naar de Joodse elite, de Sicariërs. Hun obstinate houding en hun geweld zouden al zijn begonnen aan het begin van de jaartelling en daarna zou het van kwaad tot erger zijn gegaan. Josephus kan echter geen continuïteit van het geweld documenteren voor de eerste decennia van de eerste eeuw, wat voldoende is om zijn theorie terzijde te schuiven. Hoe het wel zit, is voor een andere gelegenheid. In het volgende leest u over de laatste uren van het Joodse Jeruzalem: de nacht van 6 op 7 september 70. Aan het einde geeft Josephus zijn favoriete zondebokken nog even een trap na.

***

Nadat [de opstandelingen] dus de torens verlaten hadden … vluchtten ze onmiddellijk naar het ravijn onder Siloam. Toen ze daar weer enigszins van de schrik bekomen waren, stormden ze op de ringmuur daar ter plaatse af. Maar ze konden met al hun onverschrokkenheid niet tegen de situatie op, hun krachten waren door de angst en door alle tegenslagen gebroken, ze werden door de bewakers teruggedreven, raakten elkaar kwijt en doken onder in de onderaardse gangen.

De Romeinen hadden intussen de muren bezet en hun vaandels boven op de torens geplaatst. Ze klapten in hun handen en begonnen in hun blijdschap overwinningsliederen te zingen. Het einde van de oorlog was veel gemakkelijker gebleken dan het begin. Ze konden het gewoon niet geloven dat ze zonder bloedvergieten de laatste muur hadden beklommen en ze wisten niet wat ze zagen: er was geen vijand meer te bekennen. Ze stroomden massaal met het zwaard in de aanslag de straten in, iedereen die ze te pakken konden krijgen maakten ze af. Voor zover er nog mensen de huizen in hadden kunnen vluchten, staken ze die huizen met man en muis in brand.

Vaak troffen ze, als ze een huis binnengingen om er te plunderen, hele families dood aan, kamers vol slachtoffers van de honger. Bij het zien daarvan liepen hun de rillingen over de rug …  Maar bij al hun compassie met de mensen die zo aan hun eind gekomen waren, voelden ze toch geen enkel mededogen met hen die nog in leven waren. Ze staken iedereen die ze tegenkwamen overhoop, ze barricadeerden de straten met lijken en ze zetten de hele stad onder stromen bloed, zoveel dat niet zelden het vuur onder het bloedvergieten uitging.

Ze hielden pas tegen de avond op met hun slachtpartijen. Het vuur brandde echter nog de hele nacht door. Op de achtste van de maand Gorpiaeus [7 september 70] kwam de zon op over een Jeruzalem in vlammen.

Als de stad vanaf haar stichting zoveel zegeningen ten deel waren gevallen als ze tijdens de duur van het beleg aan rampspoed heeft moeten ondergaan, dan zou iedereen haar benijd hebben. Ze zou zoveel ongeluk niet verdiend hebben, ware het niet dat ze zo’n generatie als die waardoor zij vernietigd is had voortgebracht.

***

[Flavius Josephus, De Joodse Oorlog 6.401-408; vertaling Fik Meijer en Marinus Wes. Het beeld van vuur dat door vergoten mensenbloed wordt gedoofd, is ontleend aan de apocalyptische literatuur. De (uitgestelde) Week van de Klassieken, met als thema “controverses”, is van donderdag 3 tot en met zondag 13 september.]

4 gedachtes over “WvdK | De val van Jeruzalem

  1. FrankB

    “Josephus is echter een auteur met een agenda.”
    Ik begrijp “echter” niet helemaal. “Een agenda” was regel, met de uitzonderingen op de vingers van één hand te tellen.

    Evengoed is er inderdaad veel lolligs te ontdekken (voor wie van slechte grappen houdt, zoals ik).

    “al hun onverschrokkenheid …. hun krachten waren door de angst ….. gebroken”
    Oftewel hoe in één zin een compliment uit te delen en het weer volledig teniet te doen.

    “staken ze die huizen met man en muis in brand.”
    Vrouwen en kinderen telden niet mee.
    Of zou het aan de vertalers liggen?

    De slotzin is inderdaad een juweeltje.

  2. Raymond Haselager

    Ze zou zoveel ongeluk niet verdiend hebben, ware het niet dat ze zo’n generatie als die waardoor zij vernietigd is had voortgebracht.

    Inderdaad een erg mooie zin. En ik moet toch ook onmiddellijk aan het Duitse volk op de puinhopen van 1945 denken.

Reacties zijn gesloten.