Curio in Italië

Portret van een Romein (eerste eeuw v.Chr.; British Museum)

Als ik u zeg dat het 20 augustus was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Marcellus en Lentulus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar 20 juli 49 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag gisteren 2069 jaar geleden?” Het antwoord is dat we dat niet weten maar dat het de dag was waarop Curio om het leven kwam.

Caesars kolonel

We zijn Gaius Scribonius Curio al een paar keer tegengekomen. Kort nadat Caesar de Rubico was overgetrokken, had hij Curio uitgestuurd naar Gubbio, waar het garnizoen van Senaatstroepen de strijd niet aandurfde en deserteerde. Enkele weken later, toen Caesar in Rome was aangekomen en enkele bestuursmaatregelen nam, wees hij Curio aan als nieuwe gouverneur van Sicilië. Zoals gezegd was het eiland van groot belang, omdat hier een groot deel van het graan van de stad Rome vandaan kwam.

Met niet minder dan vier legioenen en duizend man Gallische cavalerie slaagde Curio erin de eerdere gouverneur, Cato, te verdrijven. Deze vluchtte naar de provincie Africa, het huidige Tunesië, en Curio kreeg na Caesars overwinning te Ilerda toestemming of opdracht Cato te achtervolgen. De operatie moet zijn voorbereid, want je schudt niet zomaar even een vloot van 112 schepen uit de mouw.

Omkoping?

Voor we verder gaan: er was een voorgeschiedenis. Curio moet iemand zijn geweest om van te houden, want hij was bevriend met de behoudende Cicero, met de vernieuwer Clodius (met wiens weduwe hij trouwde), met zonnekoningen als Pompeius en Julius Caesar, en later ook met Caesars andere kolonels, zoals Marcus Antonius. (Men vertelde later dat Curio en Antonius als jonge mannen een relatie hadden gehad – ongetwijfeld bedoeld als laster, maar mogelijk ook bewijs dat ze elkaar van jongs af aan goed kenden.) Dit vriendennetwerk suggereert dat Curio geen onoverwinbare politieke overtuigingen had en inderdaad was hij aanvankelijk een aanhanger van de radicale Clodius, en tijdens Caesars verwarde consulaat van 59 een verdediger van de constitutie, wat hem de reputatie opleverde een opponent van Caesar te zijn.

Het is maar de vraag of dat klopt. Tijdens Caesars verblijf in Gallië zaagden zijn tegenstanders, mannen als Cato en andere conservatieven, aan zijn stoelpoten door de regels voor de verkiezingen zó aan te passen dat Caesar alleen als ambteloos burger kon meedingen naar een magistratuur, dus geen onschendbaarheid had en aangeklaagd kon worden. We bespraken de materie al in het stukje over Die Rechtsfrage. Curio, die in deze tijd volkstribuun was, beschouwde deze aanpassingen als onrechtmatig en bleek zo ineens een verdediger van Caesar.

Kwade tongen beweerden dat Caesar hem had omgekocht, en misschien was dat ook wel zo. Het zou niet vreemd zijn geweest dat Romeinse politici op die manier van partij wisselden. Maar van de andere kant: we kunnen Curio ook herkennen als een beginselvaste politicus. Er zou een vuistregel moeten zijn dat historici niet alles als nihilisme of cynisme moeten verklaren.

[Wordt vervolgd]

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

3 gedachtes over “Curio in Italië

  1. FrankB

    “nihilisme of cynisme”
    Dat is hoe dan ook veel en veel te gemakkelijk. Immers zijn de politieke mores uit de Oudheid naar 21e eeuwse maatstaven per definitie nihilistisch en/of cynisch.
    Bovendien, laten we wel wezen. Afgezien van het destijds normale gebruik van geweld verschilt de moderne politiek nauwelijks. Zie Pieter Omtzigt en Wopke Hoekstra.

  2. Frans Buijs

    Het is inderdaad te makkelijk om altijd meteen aan machtspolitiek en geld te denken. Het kan heel goed dat hij heeft gedacht: ik weet niet of die Caesar te vertrouwen is, maar wat de Senaat nu probeert is niet volgens de wet. En dat hij dus deed wat hem het beste leek voor Rome. En als je daar zelf beter van kunt worden is dat natuurlijk mooi meegenomen, want zo zijn mensen dan ook wel weer.

    1. Zoiets zal het zijn. Ik denk aan de conquistadores in Mexico, die een godgevallig werk meenden te doen en het niet vreemd vonden dat God hen rijkelijk met zilver en goud beloonde.

Reacties zijn gesloten.