Caesar in Rome: de “Rechtsfrage”

Caesar (Palazzo Altemps, Rome)

Ik liet u gisteren achter met de Senaatsvergadering die Marcus Antonius buiten de stad Rome had georganiseerd op de kalenden van april van het jaar waarin Marcellus en Lentulus consuls waren – 3 maart 49 v.Chr. op onze kalender, vandaag 2069 jaar geleden. In zijn Burgeroorlog 1.32 beschrijft Caesar de toespraak die hij bij die gelegenheid zou hebben gehouden. Daarin vertelt hij wat zijn beweegredenen waren geweest om de Tweede Burgeroorlog te ontketenen.

Uiteraard zijn de volgende woorden te lezen in de context van zijn propagandistische geschiedwerk, maar het zou een samenvatting kunnen zijn van wat op de dag feitelijk is gezegd. De vertaling is van de onlangs overleden classica Hetty van Rooijen.

In een Senaatsvergadering sprak hij over al het onrecht dat hem door zijn vijanden was aangedaan. Hij wees erop dat hij geen ambt buiten de wettelijke orde had verlangd, maar de wettige termijn voor een volgend consulaat had afgewacht en tevreden was geweest met datgene wat alle burgers was toegestaan. Het voorstel van de tien volkstribunen, dat hij ook bij afwezigheid als kandidaat zou worden geaccepteerd, had geleid tot verzet van zijn vijanden.

Caesars probleem was dat hij, zo gauw hij geen ambt bekleedde, aangeklaagd kon worden voor oorlogsmisdaden, vele jaren eerder begaan in het westen van het Iberische Schiereiland. Zou hij, als zijn ambtstermijn als gouverneur van Gallië afliep, als ambteloos burger naar Rome komen om zich te kandideren voor een ander ambt, dan was hij kwetsbaar. Daarom hadden tribunen voorgesteld dat hij in absentia mocht meedingen naar het consulaat. Daarvoor waren precedenten, maar conservatieve senatoren hadden dat geblokkeerd. Of dat legaal was, is een van de beroemdste vraagstukken uit de oude geschiedenis: het staat bekend als Die Rechtsfrage.

Het essay dat Theodor Mommsen er in 1858 aan wijdde, is een klassieke oudheidkundige tekst. U leest het hier. Mommsen zou de Nobelprijs voor de letteren krijgen en je begrijpt meteen waarom.

Pompeius was op dat moment consul geweest. Waarom had hij het voorstel doorgelaten als hij het er niet mee eens was? En als hij het er wel mee eens was, waarom had hij Caesar dan belet deze gunst van [de volkstribunen en] het volk te benutten?

Hij herinnerde aan zijn lankmoedigheid, toen hij vrijwillig had voorgesteld beide legers naar huis te sturen, wat voor hem verlies van ambt en aanzien zou betekenen. Hij wees op de starre houding van zijn vijanden, die wat ze van een ander eisten voor zich zelf afwezen en liever een complete chaos zagen ontstaan dan dat ze afzagen van hun commando’s en legers. Hij benadrukte de onrechtvaardige gang van zaken bij het terugvorderen van de legioenen en de meedogenloze willekeur bij het hinderen van de volkstribunen.

Dit slaat op enkele compromispogingen. Inderdaad was geprobeerd legers te ontbinden en had Pompeius een legioen teruggevraagd dat hij eerder aan Caesar had uitgeleend, toen deze de strijd moest aanbinden met Ambiorix en Vercingetorix. Caesar had het teruggestuurd met een enorme afzwaaibonus, waardoor de legionairs aan hem loyaal bleven, of daar door Pompeius van werden verdacht. De willekeur tegen de volkstribunen verwijst naar gefrustreerde pogingen van Caesars agenten om burgeroorlog te vermijden.

Caesar sprak over de voorstellen die hij had gedaan, over zijn herhaalde verzoeken om een persoonlijk onderhoud met Pompeius en diens weigeringen.

Dit is in elk geval mij niet bekend; wellicht een verwijzing naar de briefwisseling toen de Tweede Burgeroorlog eenmaal een feit was.

Om al deze redenen verzocht hij de senatoren dringend de staat onder hun hoede te nemen en samen met hem te besturen. Als ze daarvoor uit angst zouden terugdeinzen, zou hij hen niet verder lastigvallen en de staat alleen besturen.

Ik zal u niet hoeven uitleggen dat dit een eufemisme is voor coup d’état.

Er moest, zo zei hij, een delegatie naar Pompeius worden gestuurd om tot een vergelijk te komen. Want hij liet zich niet afschrikken door wat Pompeius recentelijk in de Senaat had verklaard: dat het sturen van afgezanten naar iemand erkenning van diens gezag inhield, en duidde op vrees bij degenen die ze stuurden. Zo’n opmerking getuigde van kleinzieligheid en zwakte.

Het valt niet meer te achterhalen hoe oprecht deze toespraak is geweest, en het is maar de vraag of er gezanten op pad zijn gegaan. Cassius Dio herinnert eraan dat senatoren in dat gezantschap dan aan Pompeius zouden hebben moeten uitleggen waarom ze partij tegen hem hadden gekozen.

In elk geval: Caesar nam de situatie eens op. Pompeius had enkele legioenen in Iberië en was zelf naar het oosten getrokken. Aan de ene kant was dus een generaal zonder leger, aan de andere kant een leger zonder generaal. Caesar besloot eerst de troepen in Iberië aan te pakken, terwijl hij, zoals gezegd, een vloot had laten bouwen én de landweg had laten openen om, na gedane zaken, alsnog de Adriatische Zee over te steken.

[Wordt vervolgd; dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]