Muiterij tegen Caesar

Re-enactors in de uitrusting van soldaten uit de tijd van Caesar

Als ik u zeg dat het november was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Marcellus en Lentulus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar oktober 49 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

En het antwoord is: een toespraak houden in Placentia, het huidige Piacenza op de Povlakte. Het verhaal wordt verteld door Appianus, van wie ik al eerder schreef dat het een van de beste historici is uit de oude wereld. In de vertaling van John Nagelkerken begon het Negende Legioen, dat na de gevechten bij Ilerda terug was gezonden naar de Povlakte,

te muiten en gaf het de officieren er de schuld van dat de expeditie zo traag verliep en dat de soldaten niet de vijf minae kregen die Caesar hun als beloning had toegezegd toen ze nog in Brundisium waren.

Vijf minae was het equivalent van 500 denariën, ofwel meer dan een gemiddeld jaarloon. Rebellie was wel het laatste dat Caesar kon gebruiken en hij haastte zich van Marseille naar Piacenza. Hij zal zijn gereisd door de vallei van de Durance, over de Col de Montgenèvre, en dan via Turijn langs de Po oostwaarts. Een gebruikelijke route die hij al eerder had genomen.

Hij wendde zich tot de soldaten, die hun muiterij nog niet beëindigd hadden, en sprak als volgt: ‘Hoe groot de haast is waarmee ik alles onderneem, dat weten jullie wel. Het trage verloop van de oorlog komt niet door ons, maar doordat de vijanden ons voortdurend ontwijken. Jullie hebben in Gallië groot voordeel gehad van mijn commando en hebben tegenover mij een eed gezworen ten aanzien van deze hele oorlog, niet een gedeelte ervan; nu laten jullie ons midden in de onderneming in de steek en komen jullie in opstand tegen jullie officieren en denken jullie opdrachten te kunnen geven aan degenen van wie jullie opdrachten dienen te krijgen. Omdat ik mij er ten volle van bewust ben hoe royaal ik jullie tot op dit moment heb behandeld, zal ik de traditionele regel toepassen en het Negende Legioen, dat met name de aanzet tot de muiterij heeft gegeven, decimeren.’

Het was menens. Decimatie betekende dat elke tien man lootjes trokken, dat één van hen aan het kortste eind zou trekken en door de andere negen zou worden  doodgeknuppeld. Het gold als de zwaarst denkbare straf en er zijn maar weinig aanwijzingen dat de Romeinen haar werkelijk voltrokken. Het kwam ook dit keer niet zo ver.

Daarop klonk een massale jammerklacht van heel het legioen, en de officieren wierpen zich smekend aan de voeten van Caesar. Deze bond onder die aandrang beetje bij beetje in en verzachtte uiteindelijk de straf in zoverre dat uit honderdtwintig man, die vooral de aanzet ertoe hadden gegeven, er door loting twaalf werden aangewezen om te worden terechtgesteld. Maar van die twaalf bleek er één niet aanwezig te zijn geweest toen de muiterij begon; daarop liet Caesar de centurio die hem had aangegeven terechtstellen in zijn plaats.

En dat zou, volgens Appianus, het einde van de zaak zijn geweest. We kunnen ons verder voorstellen dat Caesar, nu hij toch op de Povlakte was, heeft gekeken hoe de mannen die hier, conform de Lex Roscia, het Romeinse burgerrecht hadden gekregen, in dienst van de legioenen traden.

In dezelfde tijd versloegen de troepen van Pompeius, de generaal van de Senaat, in Illyricum de commandant die door Caesar was gestuurd om de landweg veilig te stellen naar de overzijde van de Adriatische Zee. Caesar zou met schepen moeten oversteken naar wat nu Albanië heet. Maar eerst ging de dictator op weg naar Rome.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]