Het Huis van de Europese Geschiedenis

Toen in de negentiende eeuw de nationale staten – ik kan het populaire anglicisme “natie-staten” niet uit mij pen krijgen – vorm kregen, moest nog aan de mensen worden uitgelegd dat ze voortaan één volk waren in één staat. Koningsdag, het volkslied, een vlag, een taal van vreemde smetten vrij, feestdagen, monumenten voor nationale helden, een gestandaardiseerde geschiedschrijving en natuurlijk ook nationale historische musea. Hoe succesvol dit programma was, blijkt wel uit het feit dat we nauwelijks meer herkennen hoe artificieel de nationale staten eigenlijk zijn.

Nieuwe perspectieven

De Dekolonisatie bracht verandering. Wilden de Europese economieën het wegvallen van de voormalige koloniën compenseren, dan moest men een grotere interne markt scheppen. Dat is dan ook gedaan. Generaties politici hebben het wegnemen van belemmeringen als prioriteit gehad. Er ontstonden supranationale instellingen, met als bekendste voorbeeld de reeks EGKS, EEG, EG en EU, die begon als orgaan voor permanent intergouvernementeel overleg en inmiddels is te beschouwen als een semidemocratische semistaat.

Politieke greep op de geschiedvorsing kon niet uitblijven. Ik heb nog ergens een beleidsstuk liggen over de Romeinse Limes Nederland waarin iets staat over de Romeinen als verbindend Europees verleden. Toevallig ben ik het ermee eens, maar dat wil niet zeggen dat ik niet herken dat dit politieke manipulatie is. Het is daarin niet onnatuurlijker dan vaderlandse geschiedenis. Net als aandacht voor zwarte bladzijdes. Of aandacht voor grote mannen. Of juist voor minderheden. De feiten zijn onveranderlijk, onze perspectieven veranderen. Vandaar dat ik met belangstelling ging naar het Huis van de Europese Geschiedenis in Brussel.

Koptelefoon

Laten we maar meteen het zwakke punt noemen: het gebruik van moderne technieken is doorgeslagen. De bezoeker krijgt een koptelefoon en een tablet, en hoort zo de uitleg. Ik begrijp dat geschreven toelichting in alle vierentwintig officiële talen van de Europese Unie ook wat ingewikkeld is, maar de combinatie van tablet en koptelefoon is de verkeerde oplossing voor het probleem.

Zeker aanvankelijk loopt iedereen dus in hetzelfde tempo langs dezelfde delen van de opstelling. Dit is onprettig. Een andere oplossing weet ik overigens niet.

Vragen en onzekerheden

De feitelijke presentatie is ondertussen alleszins prima. Men geeft meteen eerlijk aan dat Europa ondefinieerbaar is en noemt enkele thema’s die voor de geschiedenis van het oude werelddeel relevant zijn: filosofie, democratie, rechtsstaat, christendom, staatsgeweld, slavenhandel, kolonialisme, humanisme, verlichting, revoluties, kapitalisme, socialisme, de nationale staat en genocide. Stuk voor stuk dingen die in meerdere of mindere mate ook buiten Europa zijn aan te treffen, maar minder vaak in combinatie. En ze zijn wel in alle delen van Europa aanwezig.

Daarna volgt, op de hogere verdiepingen, een chronologisch overzicht. Napoleon krijgt ruimte – het is leuk de Code Napoléon in diverse talen te zien liggen – en de geschiedenis van de negentiende eeuw en twintigste eeuw. De Eerste Wereldoorlog, de Russische Revolutie, de strijd tussen totalitaire en democratische staten, de Spaanse Burgeroorlog, de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust: het komt allemaal langs. Ik vond de aandacht voor de Wederopbouw, de herinnering aan de Holocaust, de Koude Oorlog en de opbouw van de Verzorgingsstaat het boeiendst. En inderdaad: het ontstaan van pan-Europese instituties.

De gebroken welvaartscirkel na pakweg 1980 krijgt aandacht en ook de Val van de Muur. Dit was erg goed gedaan, met allerlei historische TV-beelden, zoals die van de verwarde Ceaușescu en van de gebeurtenissen op 9 november 1989. Er is ook ruimte voor zaken als toerisme en meertaligheid. De landbouwoverschotten en het falen van Europa in Joegoslavië ontbreken niet. Kortom, allerlei onderwerpen waarop een pan-Europees perspectief mogelijk is en zinvoller dan een nationaal perspectief.

Wat ontbreekt

Alles wordt gepresenteerd als onzekerheid; het doet wat denken aan de expositie “Fragen an die deutsche Geschichte” die tot 1989 te zien was in Bonn. Het einde is dan weer een afknapper: wie de bovenste verdieping heeft bereikt, heeft uitzicht op de gebouwen van de Europese Unie. We mochten eens niet doorhebben dat het Huis van de Europese Geschiedenis even politiek is als het Nederlandse Rijksmuseum en het godzijdank mislukte Nationaal Historisch Museum.

De ruimte hier is gewijd aan “mijn Europa”, wat mijn vriendin deed opmerken dat het beter was geweest hier het verhaal te vertellen van de laatste jaren: de Bankencrisis, de Brexit, Covid, de crisis in Oekraïne en de uitdaging van de Klimaattransitie.

Wat ook ontbreekt: de cultuur. Zoals Pieter Steinz zaliger nagedachtenis in zijn boek Made in Europe toonde, is er wel degelijk een cultureel DNA voor het oude continent. Daar had wat aandacht aan mogen zijn besteed. Je hoeft niet van het Songfestival te houden – het strekt zelfs tot aanbeveling om er niet van te houden – om te zien dat het mensen heeft doen realiseren dat er meer is dat ze verbindt dan scheidt.

Kortom

Natuurlijk zijn er dingen waar je het als bezoeker mee oneens bent. Je mag best een verband leggen tussen de koloniale oorlogen en het toerisme. De koloniale oorlogen waren immers de eerste gelegenheid waarbij zoveel jonge mensen zo ver op reis gingen en hun eigen land leerden relativeren. En zo zal iedereen wel iets herkennen dat anders moet. En zo hoort het ook bij een expositie die vragen willen stellen.

Dat gezegd zijnde: ondanks de domme koptelefoon en tablet, heb ik er een fijne ochtend doorgebracht, culminerend in een picknick in het nabijgelegen park. De museumbezoeker die liefst wat te lezen heeft, zal er wat moeite mee hebben, maar het is zeker voor jonge mensen de moeite waard. Wij zagen middelbare scholieren en studenten. En ook al ben je het misschien niet met alle gemaakte keuzes eens, het roept vragen op en doet je nadenken over de vraag wie je bent of wil zijn.

De vraag of identiteit niet een middenklasse-obsessie is, is overigens ook de moeite van het overwegen waard.

9 gedachtes over “Het Huis van de Europese Geschiedenis

  1. FrankB

    Hier in Zuid-Oost Groningen hebben mensen allerlei problemen, maar identiteit hoort daar niet bij. Autochtoon of immigrant als ik (dwz. van buiten de provincie), niemand die zich er druk om maakt.

  2. Frans Buijs

    Dat toont allemaal aan dat er helemaal niet zoiets is als “de” Europese geschiedenis.

    1. Karel van Nimwegen

      Maar “de” geschiedenis bestaat sowieso niet. Zoals Jona zegt: de feiten liggen vast, de perspectieven veranderen.

  3. Ben Spaans

    De directe link tussen dekolonisatie en Europese integratie als hier weergegeven zie ik niet zo.
    De integratie was al behoorlijk begonnen toen er nog heel veel te dekoloniseren viel.
    (Staat u er bijvoorbeeld weleens bij stil dat het eerste land dat de toen EEG verliet eigenlijk Algerije is…?).

    1. Frans Buijs

      Sapperdeflap! En nu zijn er juist weer heel veel Algerijnen (en andere Afrikanen) die juist verschrikkelijk graag de EU in willen.

  4. Ben Spaans

    Je moet de context zien hè – 1962…voor de Algerijnen leek het allemaal nog maar pas te beginnen….

  5. Dirk Zwysen

    Sinds ik het woord natiestaat te horen kreeg in de lessen sociolinguïstiek heb ik er geen problemen mee. Het geeft goed het idee weer dat een natie niet noodzakelijk hoeft samen te vallen met een staat. Een staat kan proberen een natie te worden (ik hoop dat dat in de EU lukt), naties dromen ervan te concretiseren in instellingen. De Vlaamsgezinde Ijzerbedevaart schreeuwde het uit: Volk, word staat!
    Ik geloof in meerlagige identiteit en het bestaan van vele naties in één staat. Verder vind ik vooral dat anderen me niet moeten vertellen hoe ik mijn identiteit moet beleven of uiten. Ik krijg het dus op mijn seskes van de flaminganten die fronsen als ik de driekleur buiten hang als de Rode Duivels weer eens een grote prijs gaan pakken, maar net zo goed van onderstaand vademecum van de gemeente Houffalize, waar mijn kinderen binnenkort op kamp gaan:

    Vous êtes bien sûr libre de faire flotter le drapeau de votre région. Pourtant, si tel est
    le cas, nous vous demandons de bien vouloir l’accompagner du drapeau national ou
    de celui des autres régions et ce dans le but de préserver les relations de bon
    voisinage.

    Kort vertaald: hang gerust een Vlaamse Leeuw op op je kampplaats, maar hang er een Belgische vlag naast om je Waalse buren niet te schofferen.

    Nu hangt onze jeugdbeweging geen leeuwenvlag op, dus maken ze zich meer zorgen over de paragraaf ervoor (totaal verbod op alcohol), maar ik vind deze bemoeienis belachelijk, contraproductief en laakbaar.

    1. FrankB

      Dat vind ik van elke obsessie met nationale symbolen. Zo zing ik elk volkslied dat ik ken vrolijk mee en vlaggen zijn mij te vermoeiend.
      Overigens klonk het in het Frans vriendelijker dan in uw vertaling. Dat maakt het in mijn ogen niet minder bcl.
      Niet dat men in de moerasdelta ten noorden vrij is van zulke flauwekul. In mijn favoriete dagblad is er een korte discussie geweest over de volgende vraag: is de Tour de France nog wel interessant nu er zo weinig Nederlanders mee doen? U zult mijn antwoord wel kunnen raden. Voor het klassement: hup Slovenië!

    2. Ben Spaans

      Ik weet niet of België nou zo werkt, met meerlagige identiteiten…
      Aan de andere kant, desondanks misschien juist wel…

Reacties zijn gesloten.