
Net als vorig jaar, toen u me een stuk of veertig vragen toestuurde, gebruik ik in 2023 de laatste blogjes van het jaar om uw vragen te beantwoorden. Het zijn er nu wat minder, maar ze zijn even leuk. Vandaag vier vragen over taal. Hier zijn de eerst twee antwoorden.
Hoe zit het met de taal/talen van de Avesta? Is dat Perzisch in zijn verschillende stadia?
Ik ben geen linguïst en heb in mijn kaartenbak ook geen specialist van de oostelijke Indo-Europese talen. Maar ik verbeeld me dat ik er wel iets van weet. Om te beginnen is er dus een oostelijke verspreiding van de Indo-Europese talen geweest, die we Indo-Iraans noemen. In de tweede helft van het tweede millennium v.Chr. moet die in Centraal-Eurazië gesproken zijn geweest. Zeg maar binnen de ruimte van de Andronovo-cultuur. Die groep is in tweeën uiteengevallen – ik beschreef het hier – en sommige mensen trokken naar India en andere naar Iran.

Uit deze vroege fase stammen zowel de Indische Veda’s als de Gatha’s, de oudste delen van de Avesta. Beide corpora van religieuze literatuur schijnen linguïstisch dicht tegen elkaar aan te liggen.
De Iraanse tak viel daarna uiteen in deelgroepen. Binnen Iran vond je bijvoorbeeld de Parthen in het noordoosten, de Meden in het noordwesten en de Perzen in het zuiden. Die hadden allemaal hun eigen Iraanse taal of dialect – over de grens zo meteen meer – en daarvan is het Perzisch gedocumenteerd in de Achaimenidische Koningsinscripties. We noemen deze spijkerschriftteksten ook wel Oud-Perzisch.
Vanaf deze tijd stonden de Iraanse volken meer met elkaar in contact en groeide een eenheidstaal rond het Perzisch. In een latere fase was het Parthisch wat dominanter; dat noemen we Midden-Perzisch. Het is visueel herkenbaar aan een ander schrift (Pahlavi), het naamvalstelsel verdwijnt en er komen meer voorvoegsels. Het jongere deel van de Avesta is in deze taal gesteld. Jong-Avestisch is dus een soort Midden-Perzisch.
Het moderne Perzisch wortelt in het Midden-Perzisch. Het heeft Arabische invloeden en wordt ook geschreven met een aangepast Arabisch alfabet. Die Arabische invloed was in het westen groter dan in het oosten, maar het Perzisch bleef wel een eenheid. In de Nieuwe Tijd is immers vanuit Isfahan en Teheran unificerende werking uitgegaan.
Ik heb Iraniërs horen zeggen dat het Dari, een oostelijke Iraanse taal gesproken in Afghanistan, ook het zuiverste Perzisch was omdat dat het minst is gearabiseerd. Dat laatste is waar, maar daar staan Indische invloeden tegenover. De zuiverheidsclaim zegt bovendien meer over de anti-Arabische sentimenten in Iran dan over taal.

Ik wilde vragen hoe het nou zat met dat Griekse muzikale accent.
Aan die vraag gaat een andere vooraf, namelijk wat met “accent” eigenlijk is bedoeld. Het is niet het accent waarmee iemand spreekt (bijvoorbeeld geaffecteerd), maar de nadruk die we op sommige lettergrepen leggen. De klemtoon dus, die het verschil vormt tussen voorkómen en vóórkomen. We zouden in principe talen kunnen ontwerpen zonder accent, zoals we ook talen kunnen bedenken zonder s-klanken, maar je ontzegt je dan een middel om woorden te vormen. Dat zou je dwingen de woorden langer te maken om toch onderscheid te maken: bijvoorbeeld “ietsvoorkomen” en “inderechtbankvoorkomen”. Onhandig.
Een accent kan op verschillende manieren worden gevormd. In het Nederlands zijn we eraan gewend de benadrukte lettergreep wat luider uit te spreken: Jántje zág eens prúimen hángen ó als éierén zo gróot. Je hebt ook duuraccenten, waarbij de spreker een lettergreep wat langer aanhoudt, en melodische accenten, waarbij we onderscheid scheppen door te variëren in toon. Vier vijfde van de ongeveer 6000 bekende talen kent zo’n melodisch accent.
Ik was verbluft toen ik bij het voorbereiden van dit blogje ontdekte dat het Nederlands ook een melodisch accent heeft, want ik herken dat zelf niet. Als u Jantje echter eens pruimen laat zien hangen, spreekt u de beklemtoonde lettergrepen iets hoger uit. In het Limburgs kan het melodisch accent een betekenisverschil aangeven. Marc van Oostendorp schrijft me dat in die taal het verschil tussen enkelvoud en meervoud voor bein met toon wordt gemaakt.
In het Grieks was het melodische accent bepalend voor de betekenis van een woord. Ik had, voordat ik dit blogje schreef, weleens iets gehoord over een kwint verschil: Altijd IS Kortjakje ziek. Dit suggereert – althans, dat dacht ik – dat de Grieken eigenlijk zongen als ze praatten. Wat is dan het verschil tussen taal en muziek, als we immers weten dat men ook een soort notenschrift had om een melodie te noteren? Ik legde dat voor aan Gert Knepper, die me vaker goede raad geeft over de Griekse taal.
Op gezag van Dionysios van Halikarnassos bevestigde hij dat er een kwint toonverschil kon zijn. Hij legde ook uit dat het verschil tussen praten en zingen in beide talen niet is dat er toonhoogteverschil wordt gemaakt tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen, maar dat dat het verschil bij zingen gevarieerder is dan bij spreken.
Wordt zo meteen vervolgd met nog twee vragen over taal. Morgen behandel ik enkele niet-talige vragen.

Het komt voor dat iemand probeert te voorkomen dat hij bij de rechter moet voor komen. Drie betekeissen dus 🙂
“een kwint verschil”
En hier ontmoet taalkunde wiskunde. Want hier is iets merkwaardigs aan de hand. Kwint komt van het Latijnse quintus, dat vijf betekent. Alleen bestaat de kwint (een interval) niet uit vijf, maar uit zeven intervallen van een halve toon. Plotten we de twaalftoonsladder (u weet wel, de zeven witte en de vijf zwarte toetsen van een piano) op een getallenlijn, dan begint die niet bij nul maar bij één. Twee tonen van dezelfde hoogte, die dus geen interval hebben, heten dan ook priem – van primus, één.
Merkwaardig is nu dat het getal nul al lang en breed bekend was toen de naamgeving priem tm octaaf werd ingevoerd. Het is een beetje alsof we de begane grond gelijk stellen aan de eerste verdieping.
De zo bekende toonladders (wiskundig: een deelverzameling van zeven tonen uit de twaalftoonsladder) zijn wiskundig bezien heel ingewikkeld. Tel maar na: do tm do zijn ácht elementen uit die deelverzameling, waarvan de kwint de so bevat. Als u het hier niet meer kunt volgen kan ik het u niet kwalijk nemen.
Ik vermoed dat de reactie badinerend was maar voor de goede orde:
de grote tertstoonladder (major scale) bevat 7 noten;
startend vanaf do is dat do re mi fa sol la si (en weer do)
de kwint is de afstand tussen de eerste en de vijfde noot
net zo is de kwart 1-4, de terts 1-3 en de secunde 1-2
naar boven toe hebben we de sext 1-6, de septiem 1-7 en het octaaf 1-8
Er komt inderdaad wiskunde bij kijken: in een octaaf verhouden de toonhoogtes (frequenties) zich als 1 tot 2. In de kwint als 2 tot 3. Of dat doen ze toch als stemmen ze zingen. In de middeleeuwen werden instrumenten gestemd volgens de toonsoort waarin men speelde, zodat kwinten “rein” waren zoals spontaan gezongen kwinten. Het lukt immers niet om in elke toonsoort reine kwinten te spelen met een vooraf gestemd instrument.
De wiskunde achter die onmogelijkheid en meteen ook de wonderlijke onderliggende reden voor onze 12 tonen met 7 laddertonen, is dat het eindresultaat van 12 gestapelde kwinten héél dicht bij 7 gestapelde octaven ligt. Wiskundige: (2/3)^12 ~ (1/2)^7
Het kleine maar hoorbare verschil tussen die twee frequenties was al bekend bij de Grieken. We noemen het namelijk de “pythagoreïsche komma”. In de barokperiode maakten piano-bouwers komaf met dat voortdurend herstemmen, ziedaar “das wohltemperierte klavier”. Een bevriende componist schreef 24 muziekstukken, alle in een andere toonsoort, om te bewijzen dat die door dergelijk klavier konden gespeeld worden zonder nausea bij de luisteraar. De naam was Bach.
Maar dat wist u en de meesten hier al, vermoed ik.
Ook in het standaardnederlands is ‘luidheid’ niet de belangrijkste manier waarop klemtoon wordt gerealiseerd. Dat zijn (ook weer) toonhoogte, duur, en de precieze realisatie van m.n. de klinkers (in onbeklemtoonde positie zijn die wat gecentreerder) – zie bijvoorbeeld het Taalportaal.
Het toonhoogteverschil betekent dat beklemtoonde lettergrepen wat hoger worden gerealiseerd dan onbeklemtoonde – al is meestal niet een kwint. Sterker nog, er is geen specifieke interval die je moet overbruggen, bij mijn weten geldt dat in geen enkele taal, en zal dat ook niet in het Grieks gegolden hebben: er is een verschil tussen hoog en laag, of eventueel tussen hoog, midden en laag, maar niet een die rechtstreeks op enige toonladder kan worden afgebeeld. Wel kan het in sommige culturen (of sociale) geconventionaliseerd worden om de sprongen groter of kleiner te nemen.
Een verschil tussen het Limburgs en het Nederlands is dus ook niet per se dat het Limburgs toonhoogte gebruikt en het Nederlands niet – maar waar in de lettergreep de hoge toon gerealiseerd wordt. Limburgse dialecten verschillen in dit opzicht van elkaar, maar bijv. in het Midden-Limburgs heeft enkelvoudig bein de hoge toon uitgespreid over de hele lettergreep en zit die hoge tijn bij het meervoud aan het begin van de lettergreep, en valt die daarna binnen de lettergreep naar beneden. Het gaat dus om TIMING van de hoge toon die zelf gegeven wordt door de klemtoon, althans dat lijkt me op dit moment de meest geaccepteerde analyse.
Voor de Griekse accenten geldt ook zoiets: het is vooral van belang dat er verschillende van zijn, en dat zijn verschillende kleine melodietjes op de beklemtoonde lettergreep, die beschreven kunnen worden als manieren om de hoge toon te realiseren.
Een leuk artikel in De Standaard van 15 december, dat ik kort samenvat:
Onderzoekers stellen dat talen uit zuidelijke, warme, landen over het algemeen luider klinken dan noordelijke talen. Dat heeft te maken met de temperatuur van de lucht die bepaalde klanken (sonoranten, klanken met een vrijere luchtstroom) verder zou doen dragen dan obstruenten (klanken waarbij de luchtstroom enigszins geremd wordt). Obstruenten (occlusieven als p en t en fricatieven als f en s) doen het beter in koude lucht: denk aan woorden die vooral uit medeklinkers bestaan, zoals het Georgische “prckvnis” (schillen) of het inheems-Amerikaanse “pk’m” (mug).
Sonoranten, zoals klinkers, half-klinkers (j,w), liquidae (l,r) en nasalen (m,n), gedijen beter in warme lucht. Zie Hawaïaans “wehewehe” (uitleggen). Daardoor klinken evenaarstalen luider dan de spraak op hogere breedten.
zie https://www.standaard.be/cnt/dmf20231214_96290674
Voor het oorspronkelijke onderzoek, zie https://academic.oup.com/pnasnexus/article/2/12/pgad384/7457938?login=false
Even in het kader van geheel terzijde onderwerpen waar niemand op zit te wachten: Iron Maiden heeft ooit een nummer over Alexander de Grote gemaakt https://youtu.be/JBieJ08ByPc?si=OgShHqUbZeA4HX3O
Zanger Bruce Dickinson blijkt ook nog historicus te zijn (en piloot). Heeft u ook meteen antwoord op een vraag waarop u nooit op zat te wachten, sterker, die nooit bij u zou zou zijn opgekomen!🙂
(Informatie opgedaan uit de door internet radiozender Pinguin Radio uitgezonden Snob 2000 editie 2023. Nog tot morgenavond twaalf uur te beluisteren.)
Onderschat nooit de populariteit van nutteloze informatie. Het Achterhoekse Heidevolk heeft wel eens Nehalennia bezongen en een beetje googelen leert mij dat ook Julius Caesar en Vercingetorix niet aan dit lot zijn ontsnapt. Maar ik geef meteen toe: Iron Maiden is de bekendste.
Toch hoor ik Bruce Dickinson het liefst met Therapy? in het liedje Black NIght van Deep Purple, dat nergens over gaat.
Brussels volkszanger Lange Jojo heeft de relatie Cleopatra-Caesar enigszins anachronistisch bezongen in “Juul Cesar”.
Ik denk dat de Romeinen niet al te vaak ‘bij Jupiter’ zeiden. Dat is eerder een Griekse uitdrukking, zij het met Zeus: nè Dia; die dan best door de vaak Grieks opgevoede Romeinse intellectuelen gebezigd kan zijn. Zoals wij, alvast in Vlaanderen, even goed het geleende nondedju (au nom de dieu) zeggen als het inheemse godverdomme (God, verdoem mij), al stonden we voornamelijk bekend voor dat laatste (iemand moet ooit het onderscheid hebben gemaakt tussen Waalse en Vlaamse soldaten aan het front in WO I door hen respectievelijk les nondedieus et les godverdommes te noemen).
De Romeinen gebruikten liever, voor zover ik daar zicht op heb, mehercule(s), hercle, (moge) Hercules mij (bijstaan); Hercules, die een soort voorbeeldfunctie had voor alvast mannen (degenen die we het meest horen ‘vloeken’, gezien het mannelijke karakter van de oude literatuur).
Overigens wordt het tussenwerpsel (geen voorzetsel) pro(h) gebruikt in combinatie met een nominatief, dus pro Juppiter (nu met 2 p’s, want Latijn). Van de (wezenlijk foutieve) combinatie met een accusatief vind ik wel enkele andere uitdrukkingen (pro deum ( = deorum) atque hominum fidem, maar niet met Jovem).
Wat pro Juppiter betreft, dat is bovendien een uitdrukking van bewondering, verwondering, vreugde, woede, verontwaardiging. Niet gebruikelijk in eden. Daar gebruikte men per + accusatief. Dus per Jovem kan perfect, maar dan niet als uitroep. Letterlijk is het dan: (ik zweer) via / met de hulp van Jupiter.