
Het was een bewering die onlangs op deze plek werd gedaan. Eigenlijk ging het om het Gallische woordje devos, dat ‘god’ betekent.
“Dat is inderdaad het Latijnse deus, het Griekse theós (θεός), het Indische deva”, meende de schrijver.
De redenering van de auteur zal zijn geweest: ‘devos, deus, theos en deva komen uit verwante talen, ze betekenen alle vier hetzelfde, en ze lijken ook nog eens behoorlijk op elkaar. Conclusie: ze zijn verwant.’
Ik kon het niet laten te reageren. Want het mag dan inderdaad zo zijn dat het Gallische devos, het Latijnse deus, het Indische (iets nauwkeuriger: het Sanskriet en het Pali) deva aan elkaar verwant zijn, het Griekse theós is hier the odd man out. Het hoort niet bij de familie van de andere drie. Hoe dat zit leg ik hieronder uit.
Verwante talen
Wat betekent het eigenlijk, die uitspraak dat talen verwant oftewel familie van elkaar kunnen zijn? We bedoelen ermee dat die talen, ergens in hun ‘stamboom’ dezelfde voorouder hebben. Het Nederlands is verwant aan het Oekraïens, doordat dat Nederlands zich ontwikkeld heeft uit -ik sla voor de overzichtelijkheid een paar stappen over- het Proto-Germaans, en het Proto-Germaans op zijn beurt uit het Proto-Indo-Europees. Het Oekraïens ontwikkelde zich uit het Proto-Balto-Slavisch, het Proto-Balto-Slavisch uit het Proto-Indo-Europees. Het Nederlands en het Oekraïens hebben dus een gemeenschappelijke voorouder (het Proto-Indo-Europees), en dat is de reden waarom we die talen ‘verwant’ noemen: het zijn (achter-)nichten.
Op diezelfde manier kunnen we de bewering dat het Latijn en het Grieks verwant zijn uitleggen: ruwweg kun je stellen dat het Latijn zich via het Proto-Italisch uit het Proto-Indo-Europees heeft ontwikkeld, terwijl het Grieks zich (via het Proto-Grieks) eveneens uit het Proto-Indo-Europees heeft ontwikkeld. Ergo: Grieks en Latijn zijn nichtjes.
Maar langzamerhand moeten we dan toch echt die vraag gaan beantwoorden: waarom zijn het Latijnse deus (en het Gallische devos en het Sanskriet/Pali deva – maar gemakshalve noem ik die verder niet meer) geen familie van het Griekse theós? Ze komen uit verwante talen, hebben dezelfde betekenis en bovendien lijken ze sterk op elkaar.
Verwante woorden
Nu hebben we het dus niet meer over verwante talen, maar over verwante woorden. Wanneer noemen we woorden verwant? Antwoord: als, en alleen als, ze te herleiden zijn tot dezelfde basisvorm. Het Latijnse duo (‘twee’) en het Griekse dúo (δύο) (‘twee’) zijn beide te herleiden tot het Proto-Indo-Europese duwo (‘twee’), of in wat wetenschappelijker notatie: PIE *duwo– ‘twee’. (Het sterretje geeft aan dat de vorm gereconstrueerd is, het streepje erachter dat er eventueel nog uitgangen achter geplakt kunnen worden.)
Maar nu wordt het echt interessant. Want als het enige criterium voor verwantschap van woorden is dat ze herleid moeten kunnen worden tot dezelfde basisvorm, hoe zwaar weegt dan het feit dat twee woorden erg op elkaar lijken? Antwoord: dat weegt helemaal niks.
Twee woorden kunnen op elkaar lijken (zoals deus en theós, zie hieronder) en toch niet verwant zijn, en twee woorden kunnen helemaal niet op elkaar lijken en toch verwant zijn. Een klassiek voorbeeld van die laatste mogelijkheid haal ik uit het Armeens. Armeens is een Indo-Europese taal, en het Armeense woord voor twee is afgeleid van PIE *duwo-. Maar ‘twee’ in het Armeens is: erku. Dat lijkt dus helemaal niet op duo, en evenmin op ons woordje ‘twee’, terwijl het daar wel degelijk aan verwant is.
Voor de duidelijkheid: als twee woorden erg op elkaar lijken (zoals deus en theós) lijken kán dat natuurlijk best een gevolg zijn van onderlinge verwantschap. En als die woorden bovendien nog dezelfde betekenis hebben (‘god’) is het de moeite waard zijn om te onderzoeken of ze verwant zijn. Maar dat onderzoek moet dan wel eerst gedaan worden.
Klankwetten
Hoe doen we dat, uitzoeken of deus en theós verwante woorden zijn, dus of ze tot dezelfde basisvorm zijn te herleiden?
Talen veranderen met de tijd. Die veranderingen kunnen zich op allerlei gebieden van de taal manifesteren: in de constructie van zinnen, in de woordenschat, in de klanken van woorden. Halverwege de negentiende eeuw werd de misschien wel belangrijkste ontdekking ooit op het gebied van de vergelijkende taalwetenschap gedaan. Deze: klankveranderingen gebeuren niet willekeurig, ze zijn te beschrijven als wetmatigheden. Die wetmatigheden noemen we klankwetten.
Klankwetten zijn misschien het best te vergelijken met natuurwetten (maar nu begeef ik me als niet-schaatser op glad ijs): op basis van waarneming kun je komen tot het formuleren van een wetmatigheid, die daarmee ook voorspellende waarde krijgt. Als die voorspelling een keer niet uitkomt, moet je ofwel de oorzaak en de verklaring daarvan zien te vinden (bijvoorbeeld: ‘de wet gold wel degelijk, maar hij is daarna overruled door een andere invloed’), of de wet aanpassen zodat de uitzondering er toch binnen valt. In de vergelijkende taalwetenschap hanteren we dus als uitgangspunt de Ausnahmslosigkeit der Lautgesetze: op klankwetten bestaan geen uitzonderingen. Schijnbare uitzonderingen zijn te verklaarbaar als latere doorkruising van die wet; en als niets helpt moet de klankwet worden aangepast.
Een voorbeeld van de klankwetten
Die formulering van die klankwetten kon gebeuren doordat er al eerder wetmatigheden tussen talen waren ontdekt. Bijvoorbeeld: als er in het Latijn, Grieks en Sanskriet in een woord een p stond, stond er, zo ontdekte men, in het woord met dezelfde betekenis in de Germaanse talen (bijv. Nederlands, Duits, Engels) een f of een v. Zo is het Latijnse woord voor ‘vader’, pater, het Griekse patḗr (πατήρ) en het Sanskriet pitár, waar Nederlands, Duits en Engels respectievelijk vader, Vater en father hebben. En het Latijnse voorzetsel pro, het Griekse pro (πρό) en het Sanskriet prá vond men in Germaanse talen terug als het Nederlandse voor, het Duitse vor en het Engelse for.
Inmiddels kunnen we het Proto-Indo-Europese woord voor vader reconstrueren: het luidde ph2tḗr (h2 is een zogeheten laryngaal, een h-achtige keelklank). En het woord voor voor zal in het PIE pro geweest zijn. In de Germaanse talen heeft de Proto-Indo-Europese p zich dus ontwikkeld tot een f (Engels) of een v (Nederlands, Duits). De v van het Duits en het Nederlands blijkt bovendien een latere ontwikkeling uit een oorspronkelijke f te zijn: in het Oudnederlands is een vader nog een fadar, in het Oudhoogduits heette hij fater.
Dit is dus een (vereenvoudigd) voorbeeld van het functioneren van een klankwet. (Deze werd trouwens voor het eerst geformuleerd door Jacob Grimm, dezelfde die met zijn broer Wilhelm Duitse volkssprookjes optekende).
Deus en theós
En nu zijn we er ook bijna. Want het Latijnse deus kunnen we probleemloos herleiden tot *PIE deiwos, omdat een Latijnse d klankwettig in principe teruggaat op een Proto-Indo-Europese d. Verwante woorden in andere talen zijn het Gallische devos (want ook in het Gallisch bleef de Indo-Europese d een d) en Sanskriet deva (ook de Sanskriet d gaat in principe terug op een IE d). Allemaal woorden die ‘god’ betekenen. En bij dat groepje hoort ook een Griekse woordje: dîos (δῖος), ‘goddelijk’: ook in het Grieks blijft de Proto-Indo-Europese d klankwettig een d.
Maar het Griekse theós dan? De Griekse th kan niet van een PIE d komen, want die bleef ook in het Grieks gewoon een d. Klankwettig moet hij zich ontwikkeld hebben uit een PIE dh, waardoor theós een ontwikkeling lijkt te zijn van het Proto-Indo-Europese *dhéh2s. En dat past dan weer prachtig bij wat we weten over de ontwikkeling van diezelfde PIE dh in het Latijn: die werd, zo vertellen ons de klankwetten, daar tot een f. Waardoor het bovengenoemde PIE *dhéh2s gemakkelijk te verbinden valt met een Latijnse woord voor heiligdom: fanum. En ook met het Latijnse festus, ‘betrekking hebbend op een religieus feest’, ‘feestelijk’.
Ja, vergelijkende taalwetenschap is een feest. Ook al hebben deus en theós niks met elkaar te maken.
***
Een gastbijdrage van Gert Knepper. Dank je wel Gert!

Harstikke helder, Gert! Ik ben me de laatste tijd een beetje aan het verdiepen in dat Proto-Indo-Europees, onder andere met behulp van de YouTube video’s van Jackson Crawford, een Amerikaanse hoogleraar die het allemaal heel rustig uitlegt.
Maar nu heb je me wel nieuwsgierig gemaakt. Armeens “erku” afgeleid van PIE “*duwo-“? Wow, God walks wonderous ways! Hoe gaat dat dan in vredesnaam?
De beste verklaring is (voorzover mij bekend dat PIE *du zich eerst klankwettig heeft ontwikkeld tot Oudarmeens -ku, waarna het element er- is toegevoegd naar analogie van het telwoord voor “drie”, erekc (huidig Armeens: yerek’). Analogie is vaak een belangrijke oorzaak waardoor een klankwet onzichtbaar wordt. Een voorbeeldje uit onze eigen taal: in het Nederlands van de Middeleeuwen werd de combinatie -ft- klankwettig tot -cht-. Wat in het Duits bijvoorbeeld nog Kraft heet(te) werd in het Middelnederlands tot “kracht”. Zo zou het woordje helft (Du. Hälfte) dus klankwettig ook eigenlijk helcht moeten worden, en dat vinden we ook een heel enkele keer. Maar naar analogie van het woordje “half” werd die klankwet overruled en bleef het uiteindelijk (of werd het toch weer) “helft”.
De beste verklaring is (voorzover mij bekend) dat PIE *du zich eerst klankwettig heeft ontwikkeld tot Oudarmeens -ku, waarna het element er- is toegevoegd naar analogie van het telwoord voor “drie”, erekc (huidig Armeens: yerek’). Analogie is vaak een belangrijke oorzaak waardoor een klankwet onzichtbaar wordt. Een voorbeeldje uit onze eigen taal: in het Nederlands van de Middeleeuwen werd de combinatie -ft- klankwettig tot -cht-. Wat in het Duits bijvoorbeeld nog Kraft heet(te) werd in het Middelnederlands tot “kracht”. Zo zou het woordje helft (Du. Hälfte) dus klankwettig ook eigenlijk helcht moeten worden, en dat vinden we ook een heel enkele keer. Maar naar analogie van het woordje “half” werd die klankwet overruled en bleef het uiteindelijk (of werd het toch weer) “helft”.
Geweldig stuk – mijn onwetendheid is aardig verminderd en mijn nieuwesgierigheid voorlopig weer bevredigd. Dus djw.
“Klankwetten zijn misschien het best te vergelijken met natuurwetten”
Er zijn natuurlijk verschillen – mensen gedragen zich een tikje anders dan dode materie. Maar overeenkomsten zijn er ook. Wie van Amsterdam naar Rotterdam reist met een gebruikelijke snelheid mag aannemen dat de Aarde plat is. Wie GPS gebruikt doet dat niet meer.
De overeenkomsten zijn deels te verklaren mbv waarschijnlijkheidstheorie. Tien willekeurige pratende mensen leveren geen klankwetten op; gooien met tien dobbelstenen geen patronen. Er is natuurlijk meer aan de hand, omdat mensen interactie hebben en dobbelstenen niet.
Belofte helemaal waargemaakt.
Naar aanleiding hiervan heb ik het Nederlandse artikel op wikipedia over klankwetten gelezen. Ik geef hieruit mee dat klankwetten geen natuurwetten zijn. Natuurwetten zijn universeel en onveranderlijk: ze gelden altijd en overal en zijn altijd hetzelfde.
Klankwetten gelden op een bepaalde plaats en tijd, en zijn telkens anders.
In het voorbeeld pater – vader/fater/father: de verandering vond op een bepaald tijdstip plaats, daarna niet meer. Wat later uit het Latijn tot ons kwam behield zijn p: paleis, plaats, etc. Ze vond wel plaats in Noord Europa en niet elders. En ze pakte overal anders uit: v/f; /t/th/d.
Merk overigens op dat bij broeder/frater juist het Latijn de f heeft.
Het is steeds onverklaarbaar hoe het komt dat wat generaties lang onveranderlijk werd uitgesproken, binnen enkele generaties verandert, en waarin.
We zijn recent getuige (geweest?) van een verandering in de uitspraak van onze taal naar Poldernederlands, maar ik heb de indruk dat dat op zijn retour is. Als dat zo is, dan is het dus mogelijk dat een klankverschuiving lijkt te gaan optreden, maar niet doorzet. Ik weet niet of de klankwetten daar ook een theorie over hebben
“Natuurwetten zijn universeel en onveranderlijk: ze gelden altijd en overal en zijn altijd hetzelfde.”
Zo gedefineerd zijn natuurwetten ideaal en dus onkenbaar. Voorbeelden: de Wet van Ohm, de lenzenformule en de bewegingsformule van Galilei (s = vt) zijn dan geen natuurwetten. De eerste is dan niet meer dan een definitie (want ideale weerstanden bestaan niet), de tweede neemt het aantoonbaar foute alfa = sin(alfa) aan en s = vt is in strijd met Einstein’s Relativiteitstheorie. Willen deze drie natuurwetten genoemd worden – en ze beschrijven toch echt de dode natuur – dan moet de definitie soepeler worden en vallen klankwetten er ook onder.
Sinds de crisis veroorzaakt door het experiment van Michelson en Morley en door het dubbele spleetexperiment zijn natuurkundigen niet meer zo happig op het woord natuurwet in deze strenge definitie – dwz al dik honderd jaar lang.
Dat 2 woorden, die op elkaar lijken, helemaal niets met elkaar te maken hoeven hebben, is een waarheid als een koe.
Maar mij is niet geheel duidelijk, wat nu precies de oerbetekenis is van het griekse woord Theos. Betekent het ‘Die van het heiligdom’ of ‘Die van het feest’?
De zgn klankwetten verklaren dat uit het woord dhéh2s het romeinse woord fanum gerecontrueerd kan worden, maar telt de letter n niet mee? Het woord festus is, wat dit betreft, duidelijker: men ziet de letters f en s.
Het woord theos lijkt aldus o.a. terug te gaan op een plaatsbepaling: nl heiligdom.
Wat de feestelijkheid betreft: Theos Vishnu, in Keulen, is inderdaad een feest voor het oog.
De Latijnse woorden fanum (heilidom) en festus (feest) zijn beide afgeleid van het PIE basiswoord dat in het Grieks tot theós heeft geleid. Beide, fanum en festusm bestaan uit meer dan alleen dat PIE basiswoord, ze hebben allebei een toevoeging (‘suffix’ heet zo’n toevoeging deftig). Zowel de klank n in fanum als de t in festus komt zijn ontwikkelingen uit dat suffix.
Als hetzelfde PIE basiswoord in het Grieks tot de betekenis “god(delijk)” heeft, en in het Latijn tot woorden die “heiligdom” en “heilig feest” betekenen, dan ligt het voor de hand dat dat basiswoord in althans de laatste fase van het PIE zoiets als “heilig” zal hebben betekend. (Dat er reden is om aan een nóg vroegere betekenis ‘rite’ of ‘religieuze gift’ te denken vermeld ik om duizeligheid te voorkomen hier maar niet.)
Maar de “oerbetekenis van het griekse woord Theos” is dus noch ‘Die van het heiligdom’, noch ‘Die van het feest’ – althans: we hebben geen enkele reden dat te denken. Het is andersom: het heiligdom en het feest zijn van de betekenis god(delijkheid) afgeleid.
En persoonlijk vind ik Vishnu altijd een beetje eng.
Veel dank voor Uw uitleg, i.h.b. van het suffix.
Leuk stukje!