Gallische kledingstukken

Een man met een cucullus (Rheinische Landesmuseum, Trier)

Ik heb al eerder over Gallische woorden geblogd (één, twee), maar dat is geen reden dat niet nog eens te doen. Ik neem voor de aardigheid wat kledingstukken en dan is het beroemdste Gallische woord natuurlijk caracalla. Dat is een soort mantel met een capuchon. De anonieme auteur van de Historia Augusta voegt toe dat het “een tot de enkels reikend kledingstuk” was. Omdat een keizer die eigenlijk Antoninus heette dit kledingstuk populair had gemaakt, zou, nog steeds volgens de Historia Augusta, “het gewone volk in Rome dergelijke caracallae  ook wel antoninianae noemen”. Het schijnt dat het Gallische woord in het Provençaals heeft voortbestaan.

Het Gallische woord voor capuchons was cucullos. Ofwel cagoule in het huidige Frans, wat zoiets als bivakmuts betekent, en ook het Nederlandse woord kovel. We kennen de uitdrukking cucullos overigens – net als caracalla – alleen uit Latijnse teksten, dus er kan vertekening zijn. We kennen wel samenstellingen, zoals bardocucullus, wat de blijkbaar de muts was die een dichter droeg.

Lees verder “Gallische kledingstukken”

Woorden uit het Gallisch

La Mure

Een tijdje geleden heb ik een Gallisch woordenboek gekocht en ik heb dat inmiddels ook gelezen. Ik weet dat dit vrij pervers klinkt – je leest toch ook het telefoonboek niet? – maar ik kan u geruststellen. Het Dictionnaire de la langue gauloise van Xavier Delamarre is niet zomaar een woordenboek. Het biedt een overzicht van de ongeveer duizend bekende woorden uit de Gallische taal, plus uitleg hoe we de betekenis kennen. Dat komt voor een belangrijk deel doordat het Gallisch deel uitmaakt van de Indo-Europese taalfamilie, meer precies van de deelfamilie van de Keltische talen. Die kennen we goed, want er zijn nog altijd sprekers van enkele westelijke Keltische talen.

Een voorbeeld uit het boek van Delamarre is het Gallische woord branos. We kennen het uit namen als Brannovices (een stam) en Branodunum (het huidige Brandon bij de Saône). In het Oudiers, het Cornisch en het Bretoens zijn overeenkomstige woorden, zoals de persoonsnaam Brian. Die woorden betekenen allemaal “raaf” en kunnen ook dienen om aanvoerders aan te duiden. Als de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius ergens een oorlogsleider Braneus noemt, geeft hij dus niet diens naam weer maar zijn titel. We kennen uit Griekse bronnen trouwens nog drie Keltische aanvoerders met deze titel, die de Grieken weergaven als brennos.

Lees verder “Woorden uit het Gallisch”

Verliefd, verloren

De Selle

Een noot in een publicatie van vondsten uit Thuin waarvan ik de gegevens momenteel niet bij de hand heb, was de eerste keer dat me opviel dat er weer mensen zijn die denken dat de Sabis de Samber is. Terwijl het gaat om de Selle.

Wellicht verdient dat enige uitleg.

In het jaar 57 v.Chr. viel Julius Caesar de Belgen aan. Even ten noordwesten van het huidige Reims, aan de Aisne, versloeg hij zijn tegenstanders voor de eerste keer. Daarna rukte hij verder op tot hij bij de Nerviërs kwam, die de Romeinse bereden verkenners wisten te verrassen bij de rivier de Sabis. Dankzij de routine waarmee de legionairs reageerden, wonnen de Romeinen het gevecht. Korte tijd later veroverden ze het fort van de Aduatuci, dat is geïdentificeerd bij Thuin. De vraag is nu waar tussen de Aisne en Thuin de Sabis ligt. Het woord is een hapax, dat wil zeggen dat het maar één keer voorkomt in de antieke literatuur, en wel in Caesars eigen verslag.

Lees verder “Verliefd, verloren”

MoM | De Gallische taal

De driehoofdige Gallische godheid Lugus (Musée Saint-Rémi, Reims)

Het oude Gallisch is wat ze een Trümmersprache noemen, een taal waarvan alleen wat sporen zijn overgebleven. De Galliërs, die ooit leefden op de Povlakte en in de regio die we nu Frankrijk noemen, zijn immers tussen 225 v.Chr. en 50 v.Chr. door de Romeinen onderworpen, waarna het Latijn de dominante taal van West-Europa werd. Anders dan in het oosten, waar het Grieks, Egyptisch en Aramees overleefden, verdwenen de westerse talen vrijwel geheel. Zodoende kennen we van het antieke vocabulaire maar zo’n duizend woorden. Het weinige bewijsmateriaal bestaat uit:

  • een klein maar nog groeiend aantal inscripties (zoals het loden plaatje van Rézé),
  • een vrij groot aantal personennamen (Ambiorix, Vercingetorix…),
  • een eveneens vrij groot aantal plaatsnamen (Noviomagus, Lugdunum…), met riviernamen als speciale categorie (Axona, Isara…),
  • Indo-Europese oervormen,
  • kanttekeningen in antieke teksten.

Een voorbeeld van dat laatste is de opmerking van de laatantieke auteur Orosius dat de Gaesatiërs (die ooit de Galliërs op de Povlakte te hulp schoten in een oorlog met Rome) geen stam waren maar een groep huurlingen, wat op zichzelf natuurlijk zomaar een losse claim is, maar wordt bevestigd doordat het woord gaiso “speer” betekent. Het zijn dus speerwerpers.

Lees verder “MoM | De Gallische taal”

Latijn, Germaans en Keltisch

wadenoijen

Een tijdje geleden kwam op deze plaats aan de orde welke talen er in de Lage Landen werden gesproken in de Romeinse tijd. Dat is een goede vraag: het antwoord is namelijk zo 1-2-3 niet te geven. Een eerste probleem is dat we betrekkelijk weinig gegevens hebben. De Romeinen en Grieken hebben weliswaar wat woorden overgeleverd in de plaatselijke talen, maar we weten niet goed hoe accuraat die zijn weergegeven. Als de Griekse of Latijnse weergave van de Perzische en Egyptische namen echter representatief is, is er weinig reden tot optimisme.

Daarnaast hebben we inscripties. Die hebben het voordeel dat ze in elk geval zijn gezien door de sprekers van de inheemse talen. Ze vermelden de namen van goden, zoals Nehalennia, Magusanus en de moedergodinnen die in het Latijn Matres, “moeders”, werden genoemd. Er waren Alaferhuïsche, Aufanische, Cartovallensische en Rumaneheïsche en Vatviaïsch-Nersihenische moeders. De Hamavehische en de Hiannanefatische moeders werden vereerd door de Chamaven en Cananefaten – en daarmee zien we al dat de zachte keelklank aan het begin een woord niet steeds hetzelfde werd gespeld.

Lees verder “Latijn, Germaans en Keltisch”