
De Ilias van Homeros speelde in de Oudheid – en trouwens ook tegenwoordig – en belangrijke rol in het onderwijs. Wie ook maar een beetje méér scholing had gehad dan basisgeletterdheid, kende het gedicht. Het eindigt met het dramatische verhaal dat de stokoude koning van Troje, Priamos, midden in de nacht naar het vijandelijke kamp gaat om daar aan Achilleus het stoffelijk overschot van zijn zoon Hektor terug te vragen. Hij betaalt dus een losprijs, in het Grieks λύτρον, lytron, “losmaking”: feitelijk een betaling aan iemand die iets bezit waarop jij een erkende aanspraak hebt.
Zo’n transactie hoefde niet in muntgeld te zijn; Priamos komt met een kar vol kostbaarheden. We lezen ook weleens over betaling in de vorm van dienstverlening, zodat je dus betaalt met een paar jaar van je leven. Na de transactie zijn de partijen verzoend en je kunt lytron niet alleen vertalen als “losprijs”, maar ook als “zoengeld”.
Het losgeld van de Mensenzoon
Het woord duikt ook op in het evangelie van Marcus in een passage die lijkt te zijn geschreven met het oog op het leven in de eerste christelijke gemeenten. Ze begint als volgt:
Jezus riep hen bij zich en zei tegen hen: “Jullie weten dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken. Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, moet dienaar van de anderen zijn, en wie van jullie de eerste wil zijn, moet slaaf van de anderen zijn.”noot
Tot zover is dit wel duidelijk. De laatsten zullen de eersten zijn. Echt leiderschap is dienstbaarheid – zie ook de voetwassing tijdens het Laatste Avondmaal. (Binnenkort meer.) Jezus, die toch wordt aangesproken als heer, betrekt dat vervolgens op zichzelf:
“Ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.”noot
Wie betaalt wat waarom?
Ik vraag me af wat die laatste woorden eigenlijk betekenen. Wie moet het losgeld, dat de vorm heeft van het leven van de Mensenzoon, betalen? Aan wie wordt het betaald? Wat houdt die laatste vast dat moet worden losgekocht? De toevoeging “voor velen” biedt een aanwijzing dat Jezus op een of andere manier de betaling is voor een soort schuld die die velen hebben, maar het is mij niet helemaal duidelijk of het een betaling is aan God of de duivel. De betaling zou kunnen bestaan uit het optreden van Jezus, een soort dienstverlening dus. Het feit dat de passage vrij duidelijk verwijst naar de Lijdende Dienstknecht, suggereert echter sterk dat de betaling bestaat uit Jezus’ kruisdood.
Het is niet uit te sluiten dat die dood dan een offer is dat de rituele reinheid van het volk herstelt, maar ik kom er niet uit. Duidelijk is natuurlijk wel dat er “voor velen” een bevrijding op komst is, maar ik weet niet zeker wie dat zijn. Zondige Joden? De gevallen mensheid? De heidenen die tot het christendom zijn toegetreden?
Nog een laatste kwestie. Ik heb het nu over de betekenis van de woorden dat de Mensenzoon zijn leven moet geven als losgeld. Een deelprobleem is nog wie er eigenlijk aan het woord is. Is deze uitspraak afkomstig van Jezus zelf? Heeft ze dan betrekking gehad op Jezus’ optreden, dienstbaarheid? Of is dit een vroegchristelijke interpretatie van de kruisdood? Of hebben we te maken met een evangelist die een authentieke uitspraak van Jezus een eigen uitleg is gaan geven?
Ik weet het niet. Maar dit zinnetje, zeventien woorden in het Grieks, vormt een mooi voorbeeld van een welbekend probleem: antieke teksten zijn lastig.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]
Zelfde tijdvak
Geweld in Judea (3)februari 12, 2017
Berenikejanuari 5, 2025
Jezus, mythen en voorlichting (3)december 1, 2014

Als christen kan ik weinig met “Hij stierf voor onze zonden”. Dat veronderstelt inderdaad iemand die genoegdoening vraagt, hetzij de duivel (die er alvast in is geslaagd mij te overtuigen dat hij niet bestaat), hetzij God, die blijkbaar de NV Mensheid (Jahweh en Zn.) maar niet op orde krijgt. Nadat het personeel in de beginfase al snel relocatie uit Eden en een ernstige verslechtering van de arbeidsomstandigheden moest aanvaarden volgden de grote reorganisatie van Babel en het faillissement annex doorstart van de Zondvloed. Om een tweede falen te vermijden, moet God nu zijn Zoon offeren. Dat soort harteloos management maakt Hem uitermate geschikt voor een carrière in het internationale bedrijfsleven, maar van een opperwezen verwacht ik meer.
Het lijkt me een manier van de eerste christenen om vanuit hun context betekenis te geven aan het trauma van de kruisdood, net als de verrijzenis, al wil ik voor die ervaring de steen nog op een kier laten.
…de eerste christenen om vanuit hun context betekenis te geven… hebben die betekenis gevonden in Jesaja 53, waarin een onbekende man “die het lijden kende” het toenmalige opperwezen hielp.
Losgeld = verlosgeld = verlossing = verlosser .
Voor Christenen is Jezus zelf het losgeld. En zo koopt hij ons allen los bij de Almachtige. Zo wil het verhaal.
In oude beschavingen was de koning tevens de verlosser.
De machthebber (zowel hemels als werelds) moet te vriend worden gehouden, want je weet nooit wanneer jij aan de beurt bent.
Godsdienst, in welke (primitieve) vorm ook, bestaat om onheil af te wenden of af te kopen door middel van rituelen, offers (dier, mens, granen, aflaten, enz.), bezweringsformules, geboden en verboden.
Een hoogleraar liturgiek uit Tilburg legde een paar jaar geleden uit dat zijn bronnen uit de 1e en 2e eeuw lieten zien dat het bij het vieren van Pasen destijds niet ging om het verzoenen van zonden in de zin van losgeld betalen, maar om de hoop dat Christus, door in het dodenrijk af te dalen en weer opgewekt te worden, de zielen van gestorven gelovigen bevrijdde. Dus eerder bevrijding dan verzoening – wat in goede verband staat tot de Joodse oorsprong van het christendom.
Dat Christus’ dood werd uitgelegd als een vorm van losgeld betalen tussen godheid en mensheid – in theologische taal: de satisfactieleer – danken we hoofdzakelijk aan de middeleeuwen. Anselmus, aartsbisschop van Canterbury, werkte die gedachte uit in Cur Deus homo (‘Waarom God mens werd’ – 1098). Daarin gebruikte hij in feite een juridische denklijn uit een feodale samenleving, waarbij een mindere altijd schuld opbouwt tegenover een meerdere. Aangezien God de hoogste autoriteit is kan geen mens ooit zijn schuld voldoen. Daarom, zegt Anselmus, is satifactio (‘voldoening’) noodzakelijk – en dat kan alleen door Christus die immers, naar de leer der kerk, volledig mens en volledig God is. Een sterke scholastieke redenatie met een juridische ondergrond, passend in zijn samenleving. In de 12e eeuw volgden andere theologen, zoals Petrus Abelardus of Willem van Saint-Thierry, overigens, even scholastiek, een andere denklijn over de verzoening, zonder daarvoor door de kerk te worden veroordeeld.
De lijn van Anselmus werd vooral dominant vanaf de 16e eeuw door reformatoren als Maarten Luther en Johannes Calvijn. Ook de ‘lijdende knecht’ uit Jesaja (42,1-9; 49,1-13; 50,4-11; 52,13) werd strikt door dat filter uitgelegd (en dus heel anders dan in de Joodse traditie die toch ook iets te zeggen heeft over een Hebreeuwse tekst). Catechisatieboekjes konden de verzoening tot in de 20e eeuw zelfs ‘vereenvoudigen’ tot een simpel boekhoudsommetje tussen God en Christus. Zodat er geen mens meer aan de verzoening te pas hoeft te komen. Je kunt dan ook nog overal te horen krijgen ‘dat de Kerk dat altijd zo heeft geleerd’. Quod est non.
Het is niet dat ik daar niet uitkom, maar ik heb nooit iets moeten hebben van dat staalharde gereken zonder enig oog voor barmhartigheid, rechtvaardigheid of menselijke verantwoordelijkheid. Maar het past nog steeds heel aardig bij een heersende kapitalistische economie waarin schuld immers de basis is gemaakt van letterlijk alles. En dat systeem kwam nu juist weer op in protestantse streken… Mea culpa.
Dank je wel!
Ook namens mij, dit is een hele mooie toevoeging. En het gekke is, ik heb een christelijke opvoeding gehad, maar dit soort discussies lees ik nu pas voor het eerst. Vroeger had niemand het hierover, niet op school, niet op catechisatie (kattenbak). “Christus is gestorven voor onze zonden en weer opgestaan” was genoeg.
“Christus is gestorven voor onze zonden en weer opgestaan” was genoeg. – en daar zijn mensen massaal bij afgehaakt, vrees ik. Want het hing volledig in de lucht wat je daar dan mee moest.
Als je erover na gaat denken wel, ja. En dus ben ik ook afgehaakt.
Absolvo te, maar wel jammer.
Ditzelfde werd vorige week gezegd door Marcel Poorthuis op de Ontmoetingsdag Kerk en Israël te Winterswijk.
Hij is, als ik het wel heb, hoogleraar in Tilburg.
Het blijft m.i. een warrig verhaal.
Grappig toeval, maar ik doelde niet op Marcel Poorthuis.
De theologische voorgeschiedenis was al degelijk uitgezocht door H. Wiersinga in zijn dissertatie De verzoening in de theologische diskussie (Amsterdam: VU, 1971). Maar kerken houden niet van dit soort inhoudelijke discussies en Wiersinga is eerst tien jaar aan het lijntje en verder overal buiten gehouden. Later deed de Kamper hoogleraar C.J. den Heijer het nog eens over in verstaanbaar Nederlands in Verzoening: bijbelse notities bij een omstreden thema (Kampen: Kok, 1997) en ook hem werd dat niet in dank afgenomen. Het kerkelijke antwoord bestond uit een opgepoetste versie van de oude catechisatieboekjes. Zowel Herman als Cees zijn niet meer onder ons.
Waar ik dat van de juridische achtergrond van Anselmus’ satisfactieleer precies weg heb, zou ik moeten opzoeken. Uit mijn hoofd was het een artikel van de Duitse kerkhistoricus Arnold Angenendt.
Dat Christus dood nodig was voor het tevreden stellen van God (de Vader) tegenover de mens ging altijd al rond.
(Waren er eigenlijk al christelijke zielen die Christus door zijn dood en veronderstelde afdaling in het dodenrijk en herrijzenis kon verlossen….maar dit terzijde.)
Due Tilburgse hoogleraar heeft wel erg een Onderbouw Bovenbouw inslag….
Dat ’tevreden stellen’ ging dus niet ‘altijd al rond’. Wat christenen in de 1e en 2e eeuw zich nu precies voorstelden bij het ‘voor ons’ van Christus’ dood is nu typisch zo’n geval van ‘we hebben onvoldoende data’. Nog ervan afgezien dat het voor ons heel moeilijk is onze moderne bril af te zetten.
De bronnen van de Tilburgse liturgiewetenschapper waren heel gewoon de iconografie, o.a. uit de catacomben. En nee, hij was echt niet marxistisch. En ja, in die eerste eeuwen waren er al heel een aantal generaties christenen overleden. Die hoop op bevrijding betrof hun zielen, niet die van letterlijke tijdgenoten van Jezus. Maar opnieuw: wat we ons daarbij moeten voorstellen, weten we niet precies.
Hoezeer sympathiek deze opvatting mij persoonlijk ook is en hoe oud hij wellicht ook moge zijn, ik denk dat hij niet in overeenstemming is met wat Markus wil zeggen. Dat het “bij het vieren van Pasen destijds niet ging om het verzoenen van zonden in de zin van losgeld betalen, maar om de hoop dat Christus, door in het dodenrijk af te dalen en weer opgewekt te worden, de zielen van gestorven gelovigen bevrijdde” is in elk geval nergens op te maken uit wat Markus schrijft: die heeft het nergens over ‘ in het dodenrijk afdalen en weer opgewekt worden’, laat staan over ‘de zielen van gestorven gelovigen bevrijden’, maar over ‘zijn leven geven als losgeld voor velen’. Dat kan niets anders betekenen dan dat Jezus (volgens Markus, uiteraard) was gekomen om door zijn dood veel mensen vrij te kopen. Je kunt je uiteraard afvragen wie Markus bedoelde met die ‘veel mensen’, maar moet dan op z’n minst zeggen dat Markus nergens de indruk wekt dat het alleen om overledenen gaat. Het is best mogelijk dat er 1e-eeuwse bronnen waarin Jezus’ dood niet wordt opgevat als losgeld betalen (als zou ik zeer benieuwd zijn naar die bronnen!), maar dat neemt niet weg dat die interpretatie voor Markus niet voor de hand ligt.
De wetenschappelijke vraag is natuurlijk niet of, en zo ja hoe, we Jezus’ dood moeten interpreteren, maar hoe de verschillende vroegchristelijke auteurs dat deden.
De wetenschappelijke vraag is zeker ook of Markus het inderdaad heeft over “het verzoenen van zonden in de zin van losgeld betalen”. Of dat dit een invulling is van ons, via Anselmus (e.a.). Maar dat heeft Cees den Heijer beter uitgezocht en opgeschreven dan ik het hier kan uitleggewn.
Jesaja 53 bewijst dat de notie van ‘je leven geven voor de schuld van anderen’, en zo dus ‘de schuld van velen dragen’ joods gedachtegoed was. Markus refereert, zoals Jona terecht al opmerkte, overduidelijk aan Jesaja 53; beide teksten hebben talrijke woordelijke overeenkomsten.. Ook verderop, in het lijdensverhaal (Mk. 14 & 15) vinden we referenties aan Jesaja 53; kennelijk was Jesaja 53 voor Markus een soort richtinggevend ‘format’. Dat ‘het verzoenen van zonden in de zin van losgeld betalen’ sowieso ook vroegchristelijk en zelf pre-Marciaans gedachtegoed was, bewijst het voorkomen van die notie bij Paulus, terwijl ook Mattheüs die opvatting vertegenwoordigt.
Als dan de (wetenschappelijke) vraag is ten gunste van wie de Jezus van Markus door zijn gewelddadige dood losgeld betaalt, moet je van wel heel goeden huize komen om vol te houden dat het daar dan ineens zou gaan om “de hoop dat Christus, door in het dodenrijk af te dalen en weer opgewekt te worden, de zielen van gestorven gelovigen bevrijdde.” Nogmaals: die zielen van gestorven gelovigen komen helemaal nergens bij Markus voor, terwijl de notie ‘sterven voor de zonden van velen’ figureert in een aantoonbaar door Markus gebruikte bron. Bovendien zou het nogal slordig van Markus zijn geweest om Jezus te laten beweren te gaan sterven ten bate van de zielen van gestorven gelovigen, terwijl die (“vele!”) gestorven gelovigen er ten tijde van Jezus nog helemaal niet waren.
Kortom: De Marciaanse interpretatie van Jezus’ dood is m.i. goed te reconstrueren. Dat er ook andere interpretaties van Jezus’ dood bestonden en bestaan is evident, en dat die andere interpretaties sommigen wellicht beter liggen zal ook best waar zijn. Maar dat is geen reden om Markus zijn interpretatie te ontzeggen.
Jesaja 53 ‘bewijst’ alleen in de gebruikelijke christelijke uitleg iets. En die uitleg kan ik best volgen, zij het op mijn eigen wijze. De Joodse uitleg is nogal anders. Maar lees het rustig na bij Den Heijer.
Nee, die conclusie is ongeldig. Ik citeerde slechts Jesaja 53 en concludeerde dat dat citaat per definitie joods gedachtegoed vertegenwoordigt. Het feit dat Markus uitgebreid aan Jesaja 53 refereert, bewijst, onafhankelijk van welke uitleg dan ook, wel degelijk dat hij van bestaand joods gedachtegoed gebruik maakte.
Maar goed, ik brei nu een eind aan onze gedachtewisseling. Dank voor uw bijdrage daaraan!
Hartelijk dank voor deze blog, voor de verhelderende uitleg van de heer Knepper in de reacties en voor het woord ‘lutron’, dat ik al heel lang niet meer gehoord had.
Sjongejonge. Niemand heeft het over die arme Priamos. En het is nog niet eens Pasen. 😉