De Ilioupersis, “de val van Troje”, was een van de twaalf heldendichten uit de Epische Cyclus, waarin de Grieken hun tradities verzamelden over hun verre verleden. De twee boekrollen van dit gedicht, gecomponeerd door ene Arktinos van Milete, zijn helaas verloren, maar we hebben nog twee uittreksels, ontelbaar veel afbeeldingen en een tiental citaten. Hierdoor kunnen oudheidkundigen toch reconstructies maken. We hebben bovendien literaire hommages én parodieën.
We weten bijvoorbeeld dat het gedicht een scène bevatte waarin Achilleus’ zoon Neoptolemos de Trojaanse koningsburcht binnenstormt, de paleisdeuren forceert en aankomt in een vertrek waar koning Priamos probeert zijn harnas aan te trekken. De grijsaard vlucht naar een altaar, waar de Griekse krijger hem afslacht.
De losprijs voor Hektor (Nationaal Museum, Beiroet)
De Ilias van Homeros speelde in de Oudheid – en trouwens ook tegenwoordig – en belangrijke rol in het onderwijs. Wie ook maar een beetje méér scholing had gehad dan basisgeletterdheid, kende het gedicht. Het eindigt met het dramatische verhaal dat de stokoude koning van Troje, Priamos, midden in de nacht naar het vijandelijke kamp gaat om daar aan Achilleus het stoffelijk overschot van zijn zoon Hektor terug te vragen. Hij betaalt dus een losprijs, in het Grieks λύτρον, lytron, “losmaking”: feitelijk een betaling aan iemand die iets bezit waarop jij een erkende aanspraak hebt.
Zo’n transactie hoefde niet in muntgeld te zijn; Priamos komt met een kar vol kostbaarheden. We lezen ook weleens over betaling in de vorm van dienstverlening, zodat je dus betaalt met een paar jaar van je leven. Na de transactie zijn de partijen verzoend en je kunt lytron niet alleen vertalen als “losprijs”, maar ook als “zoengeld”.
Kalkriese, waar sporen zijn gevonden van de slag in het Teutoburgerwoud
Wat er in een antieke tekst staat: het is maar hoe je gewend bent te lezen. Een archeoloog leest anders dan een classicus, die weer anders leest dan een oudhistoricus. Ik bedoel nu niet dat de classicus de tekst leest in de originele taal en nuanceringen herkent die zijn collega’s niet zien. Het gaat me om een wezenlijker punt. Ik zal het illustreren met een voorbeeld uit de Romeinse geschiedschrijver Tacitus.
In zijn Annalen, gepubliceerd rond 120 na Chr., blikt hij terug op de regering van keizer Tiberius, een eeuw daarvoor. Generaal Germanicus was bezig met enkele expedities om de veldtekens te heroveren die de Germanen hadden buitgemaakt tijdens de slag in het Teutoburgerwoud:
Ze waren nu niet ver van het Saltus Teutoburgiensis waar, naar men zei, de overblijfselen van Varus en zijn legioenen nog onbegraven lagen.noot Tacitus, Annalen 1.60.3.
Een tijdje geleden blogde ik over het boek van Floris Overduin, die Trojaanse Redevoering van Dio van Prusa had vertaald. De Grieks-Romeinse redenaar betoogde daarin dat Troje nooit door de Grieken was ingenomen. Dat is een mooi voorbeeld van de speelse wijze waarop men destijds omging met zulke verhalen. Je kon ze tegenspreken, op z’n kop zetten, parodiëren, of allegorisch duiden (zoals Palaifatos deed). Zo werkt literatuur nu eenmaal. De Quichot heeft ook allerlei interpretaties, is geparodieerd, aangepast, bekort, gemoderniseerd.
Ik denk niet dat de kerkvader Augustinus veel heidenen overtuigde toen hij de absurditeit van de aloude mythen en sagen wilde aantonen door de Trojaanse verhalen letterlijk te nemen, Dat deed sowieso niemand. Dat laat onverlet dat Augustinus wel zijn christelijke publiek aan het lachen zal hebben gekregen. In De stad van God 3.2 wijst hij er eerst op dat de Grieken en Trojanen dezelfde goden even gewetenvol vereerden: de goden verhoorden dus wel de gebeden van de ene, maar niet die van de andere partij. Dat is onrechtvaardig.
Het loskopen van van het lijk van Hektor (sarcofaag uit Tyrus, nu in het Nationaal Museum in Beiroet)
Het laatste boek van de Ilias bevat de aangrijpende scène dat Priamos, de oude koning van Troje, in het holst van de nacht de vlakte rond zijn stad oversteekt om het lijk van zijn gesneuvelde zoon Hektor voor een enorme prijs los te kopen van diens moordenaar, Achilleus. De Griekse krijger heeft zijn woede op Hektor uitgeleefd door zijn stoffelijk overschot zoveel mogelijk te onteren en Priamos weet dat zijn missie niet bepaald zonder gevaar is. Hij heeft echter een hart van ijzer en de goden kijken vol compassie naar de oude man. Zeus stuurt de god Hermes om hem te begeleiden. Ook Iris bemoeit zich met de nachtelijke tocht.
Het vervolg ziet u hierboven op een Romeinse sarcofaag, afkomstig van het indrukwekkende Al-Bass-grafveld bij Tyrus en nu in het Nationaal Museum in Beiroet. Priamos heeft zich rechts voor de knieën van Achilleus ter aarde geworpen, vertelt dat al zijn zonen zijn gedood en vraagt de Griekse krijger te denken aan zijn eigen oude vader. Achilleus kan zijn emoties niet de baas en wendt zich af. Iris en Hermes staan erbij en zien dat het goed is. Op de linkerzijde zien we een van Achilleus’ knechten, twee paarden, een paardenknecht, de wagen met de wagenmenner (gekleed alsof hij in een Romeins circus optreedt) en een knecht die een kostbare vaas uit de wagen haalt.
[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]
Rond 1983 werd de Manapa-Tarhunta-brief gevonden. De inhoud lag in het verlengde van wat al bekend was over de relaties tussen de Hittieten en het westen: het bevestigde een paar zaken en voegde er nog wat aan toe. Ik zal het totaalbeeld in het volgende stukje schetsen. De crux is dat een Hittitische leger oprukt naar Wiluša en daarbij eerst het zogeheten Seha-land aandoet. Omdat dit de vallei is van een van de rivieren in het westen van het huidige Turkije, moest Wiluša dus in die richting liggen en eigenlijk was alleen het noordwesten van mogelijk. Steeds meer wetenschappers accepteerden nu Forrers vermoeden dat Wiluša gelijk was aan Troje.
De geografische aanwijzing was niet de eerste. Welbeschouwd lag het bewijsmateriaal al een tijdje op tafel, maar soms is een zetje nodig om het te aanvaarden. Om te beginnen was er de dubbele naamovereenkomst: het Wiluša en Taruwiša uit de Hittitische bronnen correspondeerden met het Ilios en Troia uit de Griekse teksten. Blijkbaar had de stad twee namen. Er was de naam van de koning, Alaksandus, die sterk lijkt op de naam van de Homerische held Alexandros, en bovendien was er de naam Apalliunas, die overeenkomt met de Apollo die in de Ilias de stad beschermt.
Kerk in Ptolemais (vermoedelijk te jong om die van Synesios te kunnen zijn)
[Dit is de laatste van vijf blogposts over Synesios van Kyrene. De eerste is hier.]
Wie alleen de brieven en preken zou kennen die Synesios, de onwillige bisschop van Ptolemais, schreef na zijn aanvaarding van het kerkelijke ambt, zou niet op het idee komen dat de auteur in zijn hart een heidense filosoof was. Zijn preken bevatten geen doctrinaire vergissingen of onorthodoxe beweringen. Ze zijn hooguit wat ongebruikelijk van opbouw. In een Paaspreek (Homilie 1) waarschuwt hij de gelovigen dat ze zich, nu de Vasten voorbij is, niet plotseling moeten overgeven aan excessief eten en dronkenschap, aangezien “dat het tegen de rede zou indruisen”. Er volgen nog wat bijbelse bewijsplaatsen, maar die wekken vooral de indruk van een gedachte-achteraf.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.