
[Dit is het vierde van vijf blogjes over de Byzantijnse geschiedschrijver Prokopios van de hand van Hein van Dolen. Het eerste was hier.]
Wat bewoog Prokopios?
Men heeft zich vaak afgevraagd waarom Prokopios zo gebeten was op keizer Justinianus en zijn vrouw. Er zijn geen gegevens voorhanden waaruit zou blijken dat zij hem persoonlijk hebben dwarsgezeten of zijn positie hebben benadeeld. Er moet dus naar een andere verklaring gezocht worden.
De moeilijkheid is dat we over het leven van Prokopios zo slecht zijn ingelicht. Vanwege zijn enorme belezenheid en eruditie is wel verondersteld dat hij uit de hogere kringen afkomstig moet zijn geweest, want alleen de jeunesse dorée werd in die tijden in staat gesteld hoger onderwijs te volgen. Het is denkbaar dat hij, als lid van de oude, reactionaire adel, zich geërgerd heeft aan de opgeklommen provinciaal en dat hij, vanuit een standsvooroordeel, hun doen en laten met de grootste afkeuring heeft bezien. Het moet voor hem een gruwel zijn geweest een vrouw op de verheven keizertroon te zien zitten die haar jeugd op het toneel en in het bordeel had doorgebracht.
Ressentiment?
Prokopios schijnt zich vooral geërgerd te hebben aan de manier waarop Theodora de oude adel schoffeerde.
Maar tot de keizerin kreeg zelfs geen magistraat toegang, behalve na veel tijd en geduld. Iedere keer moesten de bezoekers eindeloos op hun beurt wachten, als lager personeel, de hele tijd zittend in een smal, bedompt vertrek. Wanneer een magistraat verstek liet gaan, speelde hij met zijn leven en daarom zaten ze daar uren achtereen op het puntje van hun stoel, terwijl ieder zijn hoofd boven de anderen probeerde uit te steken om de aandacht te trekken van de eunuchen zodra die naar buiten kwamen. Op het allerlaatst, na vele dagen wachten, werden een paar bezoekers binnengeroepen en die gingen met knikkende knieën naar haar toe om weer zo gauw mogelijk te vertrekken, nadat ze alleen maar in het stof hadden gelegen en de wreef van een van haar voeten met het puntje van hun lippen hadden beroerd.noot
In Kaiserin Theodora und Prokop, der Historiker und sein Opfer (1986) oppert de Duitse byzantinoloog Hans-Georg Beck dat Prokopios door jaloezie gedreven moet zijn geweest. Nergens in Oorlogen of Anekdota, vertelt Beck, vinden we een aanwijzing dat Prokopios een rol speelde op het allerhoogste bestuursniveau. Beck veronderstelt dat Belisarius na zijn terugtreden als generaal geen hand voor zijn ondergeschikte heeft uitgestoken en dat deze zonder enige bevordering of titel van het toneel is verdwenen. Dit zou een gerede aanleiding zijn geweest voor Prokopios’ wrok tegen de machthebbers.
Wroeging?
Uit de inleiding die Prokopios op zijn Anekdota schreef valt iets anders af te leiden. Daar laat hij het voorkomen alsof hij last van zijn geweten had gekregen. Zijn eer als oprecht geschiedschrijver vereiste van hem dat hij eindelijk de waarheid ter tafel bracht en dat hij zich moreel verplicht zag een onverbloemd vervolg op Oorlogen te schrijven.
Ik was genoodzaakt van vele voorvallen die ik in mijn vorige boeken heb vermeld de oorzaken dood te zwijgen. Daarom zie ik het als een plicht om in dit boek zowel de tot nu toe verzwegen feiten als de werkelijke oorzaken van de eerder beschreven gebeurtenissen uit de doeken te doen.noot
Hij wilde bovendien met dit geschrift bereiken dat toekomstige tirannen afgeschrikt werden doordat zij gevaar liepen dat hun misdaden voor eeuwig te boek zouden staan zoals dat nu met het wangedrag van Justinianus en de zijnen was gebeurd.
Tevens worden zij zich bewust van de straffen die zij onherroepelijk voor hun misdaden krijgen zoals dat met figuren van dit boek is gebeurd.noot
De oude Justinianus
Zover was het overigens nog niet met Justinianus op het moment waarop Prokopios zijn smaadschrift schreef. Het zou de auteur ongetwijfeld veel genoegen hebben gedaan wanneer hij de treurige laatste decade van deze keizer had mogen meemaken. De keizer begon een onredelijke wantrouwen te koesteren jegens Belisarius, die zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Pas na twee jaar werd de man in zijn eer hersteld. Daarna leek de rol van Justinianus uitgespeeld. “De oude man bekommert zich nergens om, zijn geest is al in de hemel”, werd van hem gezegd.
Justinianus hield zich uitsluitend nog bezig met eindeloze theologische discussies en liet zijn ministers al het staatswerk doen. Het volk morde en kwam in deze periode niet minder dan tien keer in opstand tegen de bejaarde vorst. Het leger had hij wegens geldgebrek moeten inkrimpen van 645.000 tot 150.000 man en hij moest de Perzen met een jaarlijks bedrag van 30.000 goudstukken afkopen. De Europese grenzen werden door nieuwe invallers bedreigd: aan de Donau dromden de Avaren samen. Als een ontgoocheld man is de eens zo triomfantelijke keizer op 14 november 565 gestorven, vermoedelijk aan een hartaanval. Hij was nooit werkelijk geliefd geweest en zijn heengaan werd niet betreurd door zijn onderdanen.
[Slot volgt. Dit was het vierde van vijf blogjes over Prokopios van de hand van Hein van Dolen. Dank je wel Hein!]
Zelfde tijdvak
Celtic Fieldsjuli 1, 2021
Friezen en Franken (2)december 3, 2016
Inscripties uit Arabiëaugustus 23, 2022

“Zijn eer als oprecht geschiedschrijver vereiste van hem dat hij eindelijk de waarheid ter tafel bracht.”
Dit geloof ik niet – als iets te “mooi” is om waar te zijn is het meestal ook niet waar.
Zoals zo vaak houd ik het op een combinatie van motieven. En “Hij was nooit werkelijk geliefd geweest” is er ook één. Prokopios kon zeker zijn van een welwillend gehoor.
Het aantal universitair medewerkers dat na hun pensioen zegt wat hun jarenlang op het hart heeft gelegen, suggereert dat er toch wel zoiets bestaat als een combinatie van lafheid en oprecht wetenschappelijk eergevoel.
Je gram halen is een ding, maar dat doen nadat je tijdens je carrière die mensen hebt opgehemeld werkt niet. je spreekt dan jezelf finaal tegen en daarmee ondergraaf je ofwel je eerdere, ofwel je latere uitlatingen. iedereen ziet je als een lafbek, niet als een edele waarheidsspreker.
Ik houd het daarom op een andere auteur.
Eens. Als hij Belisarios echt zo heeft gehaat zou hij die werken nooit zo hebben geschreven, of helemaal niet.