De Avaren

Laten we er kort en duidelijk over zijn: de Avaren zijn een van de allerbelangrijkste spelers geweest in de geschiedenis van Europa. Ruim een kwart millennium, laten we zeggen van 550 tot 800 ofwel van Justinianus tot Karel de Grote, beheersten ze het centrum van het werelddeel, ruwweg van wat nu Oostenrijk heet tot halverwege Bulgarije. Een supermacht. We kunnen er echter even kort en duidelijk over zijn dat wat we over hen weten, omgekeerd evenredig is aan hun belang. Kortom, een vrijwel vergeten koninkrijk of (zoals ze het zelf noemden) khaganaat.

Het standaardwerk over de Avaren is al sinds jaar en dag – nou ja, eigenlijk bedoel ik sinds 1988 – Die Awaren. Ein Steppenvolk im Mitteleuropa, 567-822 n.Chr. van de Weense historicus Walter Pohl. Ik heb het boek jaren bezeten, las het ooit voor een kwart, verloor de draad, hernam de lectuur, heb het in Boedapest in een hotel laten liggen en vergat het daarna. Ik heb die omissie goed kunnen maken nu enkele maanden geleden een verbeterde, Engelse versie is verschenen: The Avars. A Steppe Empire in Central Europe, 567-822.

Lees verder “De Avaren”

Laurierblad

Bronzen laurierblad (Museum van Aquincum, Boedapest)

Aquincum is de Romeinse voorganger van Boeda, dat op zijn beurt de westelijke is van de twee steden die tegenwoordig samen Boedapest heten. De antieke nederzetting was, zoals zoveel antieke nederzettingen, meer een conglomeratie dan een op één plaats geconcentreerde stad: een militaire kamp, een bestuurlijk centrum, een civiel gedeelte en uiteraard de nodige grafsteden. Die laatste waren nog lang in gebruik – er is immers continuïteit van bewoning tot op de huidige dag.

In een van de graven van Aquincum is het bovenstaande bronzen laurierblad gevonden. Het graf in kwestie bevatte vooral voorwerpen uit de Avaarse periode (c.560-c.800), zoals een ijzeren schaar, een toen al antiek Romeins naaidoosje en een gesp. Het laurierblad was, net als het naaidoosje, al antiek toen het aan de overleden werd meegegeven. En niet zomaar antiek: het stamt uit de Bronstijd. Meer precies behoort het tot de Hallstatt-A-cultuur ofwel de Urnenveldcultuur, die u zo tussen 1200 en 1050 moet plaatsen.

Lees verder “Laurierblad”

De val van Sirmium

Tegel met inscriptie (Museum van Sremska Mitrovica)

Vandaag de dag is Sremska Mitrovica een vriendelijk provinciestadje in het noorden van Servië. Een mooie kerk, een plein waar je lekker ijs kunt eten en goed bier wordt getapt, een museum met opvallend aardig personeel, her en der wat ruïnes. Weinig doet je vermoeden dat die ruïnes behoorden bij een van de meest roemruchte steden van het Romeinse Rijk: Sirmium. Gelegen aan de Sava, de belangrijke route van Istrië naar de Beneden-Donau, was de stad voorbestemd tot grandeur, en inderdaad: niet minder dan tien Romeinse keizers zijn hier geboren. Mocht u het precies willen weten: het gaat om  Decius (r.249-251), zijn zonen Herennius Decius en Hostilianus (beide in 251), Claudius II (r.268-270) en zijn broer Quintillus (r.270), Aurelianus (r. 270-275), Probus (r.276-282), Maximianus (r. 285-310), Constantius II (r.337-361) en Gratianus (r.367-383). Overigens stierven Claudius II en Probus in hun geboorteplaats, gebruikte Licinius (r.308-324) Sirmium als residentie, organiseerden de christenen er vier synodes en zijn er diverse veldslagen gevochten in de omgeving.

In de vierde eeuw werd het de hoofdstad van de prefectuur van Illyricum, een van de vier administratieve delen van het rijk. Niet minder dan drie legioenen werden toen gebruikt om Sirmium te verdedigen: IIII FlaviaV Iovia en VI Herculia. Ondanks deze troepeninzet viel de stad in 441 in handen van de Hunnen en toen hun federatie uiteenviel, heersten achtereenvolgens de Ostrogoten en de Gepiden over Sirmium. In 567 herstelde de Byzantijnse heerser Justinus II het keizerlijk gezag. Een complex verhaal met een tragische afloop.

Lees verder “De val van Sirmium”

Avaren

Hoorn uit een Avaars graf (Nationaal Museum, Boedapest)
Hoorn uit een Avaars graf (Nationaal Museum, Boedapest)

De Romeinse wereld was altijd bedreigd, of voelde zich bedreigd, door de bewoners van de omringende gebieden. De auteurs van onze bronnen besteden veel aandacht aan de conflicten en beschrijven de tegenstanders als de wildste barbaren. Zo heeft het idee kunnen ontstaan dat het altijd oorlog was, dat het Imperium Romanum ten onder ging toen de druk op de grenzen te groot werd en dat de wildste woestelingen de macht overnamen. De standaarduitdrukking is “Grote Volksverhuizingen” en bij mijn weten denkt alleen Mark Rutte nog dat het echt zo is gegaan.

De bronnen geven voldoende informatie om te zien dat het niet klopt. Als een van die verhuizende volken in de vijfde eeuw Catalonië bereikt en wordt aangevallen door een lokaal Romeins leger, blijkt de volledige stam te passen binnen de stadsmuren van één stad, Barcelona. Zo talrijk waren de barbaren dus niet. Trouwens, hoe barbaars waren die barbaren eigenlijk als we ze archeologisch niet kunnen onderscheiden van de Romeinen uit die tijd? Sterker nog: we weten dat weggelopen slaven en opstandige boeren zich graag aansloten bij zo’n migrantengroep, wat erop duidt dat die groepen etnisch niet zo homogeen waren als hun stamnamen suggereren. Als je tot slot ziet dat de leiders van de migranten carrière maakten binnen het Romeinse staatsapparaat, komt de vraag op wat het verschil was tussen een Romein en een Frank, Visigoot of Vandaal.

Lees verder “Avaren”