De Maronitische Wereldkroniek (6) Catastrofe

Justinus II (Bode-Museum, Berlijn)

[Dit is het zesde van tien blogjes met de vertaling van de Maronitische Wereldkroniek. Dit deel, vrijwel zonder lacunes, beschrijft de implosie van het Byzantijnse gezag in de late zesde eeuw. Een inleiding tot deze kroniek, literatuur en een waarschuwing de vertaling niet al te letterlijk te nemen, vindt u hier.]

877 SE. ≡ okt.565/sept.566

In het jaar 877 regeerde Justinus II, een verwant van de eerste. Toen hij aantrad, betoonde hij zijn zorg voor de toestand van de kerken en schreef hij een orthodoxe geloofsbelijdenis. Die bijdrage stuurde hij naar alle provincies en hij beval dat allen die de kerk niet volgden, uit hun positie zouden worden ontheven.
Aan het begin van zijn regering was gedurende een jaar in het noorden iets te zien dat leek op een vuurkolom.

Lees verder “De Maronitische Wereldkroniek (6) Catastrofe”

De Maronitische Wereldkroniek (5) Justinianus

Justinianus (Louvre, Parijs)

[Dit is het vijfde van tien blogjes met de vertaling van de Maronitische Wereldkroniek. Een inleiding, literatuur en een waarschuwing de vertaling niet al te letterlijk te nemen, vindt u hier.]

839 SE. ≡ okt.527/sept.528

Justinianus regeerde vanaf het jaar 839 alleen over het Romeinse Rijk.
In dit jaar, op 29 oktober, vond er een aardbeving plaats, waarbij sommige plaatsen in de buurt van Antiochië werden verwoest. Bij deze aardbeving stortte Laodikeia in Syrië in. Deze aardbeving vond plaats op vrijdag om elf uur ’s ochtends.

Commentaar
Mogelijk is dit een doublure met de aardbeving in Antiochië die in het vorige blogje werd genoemd.

Lees verder “De Maronitische Wereldkroniek (5) Justinianus”

Byzantijns Thracië

Het slagveld van Adrianopel

[Dit is het laatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Volksverhuizingen, deel één

Ik heb op deze blog regelmatig aangegeven dat de Grote Volksverhuizingen niet zo groot waren, dat er zelden hele volken bij waren betrokken en dat er eigenlijk ook niet meetbaar meer werd verhuisd dan anders. Op die regel zijn wel wat uitzonderingen, en het diocees Thracië is er daarvan een.

Om te beginnen verzochten in 375 allerlei groepen uit de noordelijke gebieden of ze zich mochten vestigen in het Romeinse Rijk. Het ging om de Goten die bekendstaan als Tervingi, maar er waren ook andere migranten. Zo’n verzoek was niet uniek en keizer Valens zag, zoals al zijn voorgangers in soortgelijke situaties, een gelegenheid om nieuwe boeren en belastingbetalers te werven. Dit keer liepen de zaken uit de hand. Weggelopen slaven en onderdrukte Thracische boeren sloten zich erbij aan – ook geen nieuw verschijnsel – en in 378 sneuvelde de keizer, die probeerde de groep in het gareel te dwingen, in de slag bij Adrianopel. Later auteurs zouden beweren dat de migranten waren opgejaagd door de naderende Hunnen (die op dit moment echter niet de geduchte vijand waren die ze een halve eeuw later zouden zijn) en dat ze in Adrianopel zouden hebben aangestuurd op een conflict (wat maar de vraag is).

Lees verder “Byzantijns Thracië”

Het koninkrijk van de Thuringers

Christelijke helm uit Stöβen (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)

Het koninklijk huis van de Thuringers, warover ik het in het vorige blogje had, gaat terug op ene Bisin, die rond het midden van de vijfde eeuw leefde. Die naam – niet per se een herinnering aan de persoon – keert eveneens terug in de middeleeuwse plaatsnamen Bisinstede en Bisiniburg, het huidige Beesenstedt en Bösenburg, niet ver van de Elbe, waar archeologen een nederzetting hebben gevonden die ze identificeren als de burcht van een edelman.

Bisin

Misschien was “Bisin” wel een titel, want we lezen bij Gregorius van Tours over een vorstin Besina of Basina, die eerst met Bisin was getrouwd, maar hem rond 461 zou hebben verlaten om te trouwen met de Frankische vorst Childerik.noot Gregorius van Tours, Geschiedenis van de Franken 2.12. Ze was de moeder van Clovis.

Lees verder “Het koninkrijk van de Thuringers”

De grenzen van de Oudheid

Jan Collaert, “Nieuwe ontdekkingen” (1600)

Ik blogde onlangs over de ruimtelijke grenzen van de Oudheid. Volgens mij is de traditionele verdeling naar op taal gebaseerde culturen – dus Griekenland, Egypte, Perzië enz. – inmiddels achterhaald en is het nu zinvoller het verleden te bestuderen aan de hand van maatschappijtypen. Immers, het maatschappijtype stelt grenzen aan wat een gegeven cultuur vermag en het eigene blijkt uit de binnen die grenzen gemaakte keuzes. Er is echter nog een tweede afbakening van de Oudheid: de begrenzing in de tijd. Ook die is historisch gegroeid.

Drie tijdperken, twee transities

Ik heb ooit geweten wie de verdeling Oudheid – Middeleeuwen – Nieuwe Tijdnoot Die laatste wordt weer verdeeld in Nieuwe Tijd en Nieuwste Tijd, maar dat laat ik even buiten beschouwing. heeft bedacht; het was een geestelijke die werkzaam was op Corsica, als ik me goed herinner. Feit is in elk geval dat men ten tijde van de Italiaanse Renaissance het idee had dat er een nieuwe tijd was begonnen en dat er twee verledens waren om uit te kiezen: de Romeinse tijd (goed) en de Middeleeuwen (slecht). In allerlei opzichten zocht men aansluiting bij de Oudheid. Men zocht antieke teksten, men probeerde de oude filosofie te doen herleven, men zette gebouwen neer met quasi-antieke façades, en men streefde naar herstel van het vroegste christendom.

Lees verder “De grenzen van de Oudheid”

De eerste Baiuvaren (2)

Schildbeslag van een Baiuvaarse krijger (Archäologische Staatssammlung, München)

[Dit is het tweede deel van Josine Schrickx’ blogje over de vroegste teksten over de Baiuvari, de zesde-eeuwse bewoners van wat nu Beieren heet. Het eerste was hier.]

Fredegar

Bij de volgende passage uit het lemma in de Thesaurus Linguae Latinae bevinden we ons buiten de eigenlijke tijdsgrens van dat project, die ligt rond 600 na Chr. Het komt volgende fragment komt uit de Kroniek van Fredegar, die dateert uit de tweede helft van de zevende eeuw:

Lees verder “De eerste Baiuvaren (2)”

De eerste Baiuvaren (1)

Reconstructie van twee Baiuvaren (Museum Aschheim)

In een eerder blogje schreef ik over het lemma dat de Thesaurus Linguae Latinae (het grote oerwoordenboek van de Latijnse taal) wijdde aan de Baiuvaren, zoals de bewoners van het huidige Beieren in de zesde eeuw na Chr. heetten. In dat eerdere blogje behandelde ik het korte tekstje dat bekendstaat als de Frankische Volkentabel.

In de twee blogjes van vandaag neem ik de andere bronnen onder de loep: de oudste vermeldingen van de Baiuvaren. Weliswaar doen ook latere, middeleeuwse auteurs weleens verslag van de zesde eeuw en vermelden ook zij daarbij de Baiuvaren, maar ik beperk me tot de begintijd. De eerste bekende hertog (dux) van de Baiuvaren was Garibald I, die de titel in 548 kreeg van de Frankische koning Theudowald (meer).

Lees verder “De eerste Baiuvaren (1)”

De snelle arabisering van de Maghreb

Maghrebijnse munt, vroege achtste eeuw (Raqqada, Kairouan)

[Laatste van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Er is een wonderlijk verschil tussen landen als Syrië en Egypte enerzijds en de Maghreb anderzijds: in de oostelijke landen bleef, toen de Arabieren kwamen, de laat-Romeinse bevolking nog lange tijd herkenbaar, terwijl ze in de Maghreb snel verdween. Anders geformuleerd: in de Levant (en ook op het Iberische Schiereiland, trouwens) waren nog eeuwenlang niet-Arabisch sprekende, joodse of christelijke groepen aanwezig, maar in de Maghreb was dat fors minder. Waarom?

Steden en nomaden

Het kan samenhangen met de inbedding van de steden in het grotere economische systeem. In het oosten waren de steden oeroud en was de hele sociaal-economische wereld gebaseerd op steden. In Tunesië, Algerije en Marokko waren de Fenicische en Numidische steden weliswaar ontstaan vóór de Romeinen, maar pas groot gemaakt toen de Romeinen begonnen met de systematische kolonisatie van de Hautes Plaines. Ze waren veel minder dominant en met de demografische neergang van de Late Oudheid verschoof het economisch zwaartepunt naar de nomadische Berbers.

Lees verder “De snelle arabisering van de Maghreb”

De Maghreb in de Late Oudheid (2)

Het Byzantijnse fort van Madauros

[Tweede van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Ik eindigde mijn vorige blogje over de Maghreb in de Late Oudheid met de onderwerping van het Vandaalse koninkrijk door de Byzantijnse generaal Belisarius in het jaar 533. Hij sloot een verdrag met een Berber-koning genaamd Massonas, die lijkt te hebben geheerst vanuit Altava in het noordwesten van het huidige Algerije. De twee partijen werkten in de volgende jaren samen, onder meer tegen andere groepen Berbers. De Byzantijnen bouwden een reeks forten. In Tunesië is te denken aan Sufetula (Sbeitla), Mactaris (Makhtar) en Ammaedara (Haïdra). In Algerije gaat het om Theveste (Tebessa), Madauros (M’daourouch), Lambaesis (Tazoult), Thamugadi (Timgad), Sitifis (Sétif) en Tipasa. Meer naar het westen ontbreken de forten, omdat het gebied in handen was van de bevriende Berbers van Altava.

Demografische neergang

Wie die forten ziet, valt op hoe klein ze zijn. Ze zijn ook grotendeels gebouwd uit gerecycled ouder bouwmateriaal, vaak de enorme stukken natuursteen waarop inscripties hadden gestaan. (De Byzantijnse forten zijn een paradijs voor epigrafen.) Omvang en bouwmateriaal zullen wel samenhangen met de demografische neergang in Late Oudheid. Het meest opvallende aspect daarvan is de pest-epidemie die uitbrak in 541, maar de neergang had al eerder ingezet.

Lees verder “De Maghreb in de Late Oudheid (2)”

Het Rijk van Toledo (3)

Mal om tegels te maken (Archeologisch museum, Córdoba)

[Derde van vier blogjes over het Rijk van Toledo. Het eerste was hier en over de voorgeschiedenis leest u daar meer.]

Zoals in de vorige blogjes aangegeven, werden de nieuwe heersers op het Iberische Schiereiland, van wie men zei dat ze afstamden van Germaanse migranten, opgenomen in een laat-Romeinse samenleving. Ze waren al heel lang geromaniseerd, terwijl de Hispano-Romeinse bevolking zeker niet germaniseerde. Ik herhaal dit punt, omdat het misverstand blijft terugkeren dat het Romeinse Rijk na de “grote volksverhuizingen” werd afgelost door de koninkrijken van Germaanse immigranten, zodat zesde-eeuws Iberië een on-Romeins, Visigotisch karakter zou hebben gehad.

Veranderingen

Niet dat de Iberische samenleving rond 600 identiek was aan die rond 400. Processen die in de Laat-Romeinse wereld waren ingezet, zoals denivellering en de trek van de steden naar het platteland, gingen gewoon verder. Ook was een deel van het land opnieuw verdeeld: na 507 had de Hispano-Romeinse elite landerijen moeten afstaan aan de noordelijke nieuwkomers. De oude elite bleef echter belangrijk. Zoals ik al vertelde, betekende hospitalitas (als dit een werkelijk bestaand systeem is geweest) dat 2/3 van de beste landgoederen naar de nieuwkomers gingen, wat betekent dat de traditionele grootgrondbezitters nog altijd 1/3 bezaten plus alle mindere landgoederen.

Lees verder “Het Rijk van Toledo (3)”