Een plaatje dat niets met onderstaande faits divers heeft te maken, maar goed, morgen begint de slachtmaand (Nieuw Museum, Cherchell)
Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer slecht nieuws, geen nieuws, gerelateerd nieuws, nieuws over nieuws en niet ter zake nieuws. Voilà.
Slecht nieuws
Zoals bekend wordt er elke twee maanden ergens een oudheidkundige instelling bedreigd. Dat kan een museum zijn of een archeologische opleiding. Deze maand is het een opleiding klassieke talen in Toronto. De petitie vindt u daar – en ik breng in herinnering dat petities effect hebben. Nou ja, af en toe. Dus neem even de moeite.
Vanaf volgende week ligt Goden en halfgoden in de winkel, de eerste Nederlandse vertaling van de fragmenten van de Fenicische Geschiedenis van de Fenicisch-Grieks-Romeinse auteur Filon van Byblos. De vertaler is Hein van Dolen, dus dat is allemaal tiptop voor elkaar, en ik ben degene die de vertaalde fragmenten probeert uit te leggen. Nu is Filon een volstrekt onbekende auteur. Ik was nét begonnen dit blogje te schrijven toen een bekende oudheidkundige me belde, en die vertelde me tussen neus en lippen door nog niet eerder van Filon (en Berossos) te hebben gehoord. Waarom verdient Filon wat meer aandacht?
1
De overgeleverde fragmenten documenteren de mythen die ooit circuleerden in Kanaän en Fenicië. Dit is de wereld waarin het jodendom is ontstaan, en Filon helpt begrijpen tegen wie de eerste monotheïsten zich afzetten. Misschien niet heel vaak, maar het is in elk geval informatie die afkomstig is van een auteur die nog niets wist van het rabbinaat. Dat is een ongebruikelijk en daarom belangrijk perspectief.
[Dit is het laatste van vijf blogjes over de Byzantijnse geschiedschrijver Prokopios van de hand van Hein van Dolen. Het eerste was hier.]
Het schrijven van Anekdota is door latere geleerden niet op prijs gesteld. Prokopios werd betiteld als een rancuneus man, een reactionair en een achterbakse oude hypocriet. Bijna iedereen heeft getwijfeld aan het waarheidsgehalte van zijn roddelpraat en men nam hem kwalijk dat hij zijn informatie putte uit de achterklap die hij op straat of in de kroeg moet hebben gehoord en die hij zonder enige kritiek in zijn geschrift heeft overgenomen.
Toch zijn sommige mededelingen door tijdgenoten bevestigd. Zo schrijft Euagrios Scholastikos (circa 536-na 594), de auteur van een Kerkgeschiedenis:
Er is ook een andere karaktertrek van Justinianus, een gebrek dat elke denkbare dierlijkheid te boven gaat. Of deze karakterzwakte te wijten was aan lafheid en angst, kan ik niet zeggen, maar zij trad duidelijk aan de dag tijdens het Nika-oproer.noot Euagrios Scholastikos, Kerkgeschiedenis 4.32.
[Dit is het vierde van vijf blogjes over de Byzantijnse geschiedschrijver Prokopios van de hand van Hein van Dolen. Het eerste was hier.]
Wat bewoog Prokopios?
Men heeft zich vaak afgevraagd waarom Prokopios zo gebeten was op keizer Justinianus en zijn vrouw. Er zijn geen gegevens voorhanden waaruit zou blijken dat zij hem persoonlijk hebben dwarsgezeten of zijn positie hebben benadeeld. Er moet dus naar een andere verklaring gezocht worden.
De moeilijkheid is dat we over het leven van Prokopios zo slecht zijn ingelicht. Vanwege zijn enorme belezenheid en eruditie is wel verondersteld dat hij uit de hogere kringen afkomstig moet zijn geweest, want alleen de jeunesse dorée werd in die tijden in staat gesteld hoger onderwijs te volgen. Het is denkbaar dat hij, als lid van de oude, reactionaire adel, zich geërgerd heeft aan de opgeklommen provinciaal en dat hij, vanuit een standsvooroordeel, hun doen en laten met de grootste afkeuring heeft bezien. Het moet voor hem een gruwel zijn geweest een vrouw op de verheven keizertroon te zien zitten die haar jeugd op het toneel en in het bordeel had doorgebracht.
[Dit is het derde van vijf blogjes over de Byzantijnse geschiedschrijver Prokopios van de hand van Hein van Dolen. Het eerste was hier.]
De keerzijde van de medaille
Terwijl Prokopios zijn Gebouwen aan het schrijven was, vatte hij het plan op om een soort commentaar op zijn grote geschiedwerk, Oorlogen, te maken. Hij was langzamerhand tot het besef gekomen dat hij de zaken daarin veel te rooskleurig had voorgesteld en wilde nu de keerzijde van de medaille tonen. De zo geroemde kwaliteiten van keizer Justinianus werden volgens hem overschaduwd door zijn minder prettige eigenschappen en Theodora was nog een graadje erger. Prokopios besloot de volle waarheid uit de doeken te doen.
Nu was het in die tijd een riskante onderneming om de waarheid te onthullen. Dit was Prokopios zich maar al te goed bewust. Hij zag het gevaar in dat hij door een geheim agent zou worden betrapt en zijn leven op de pijnbank zou eindigen. Niemand was te vertrouwen, zelfs de naaste familie niet. Maar de innerlijke noodzaak om te zeggen wat er werkelijk aan de hand was geweest bleek sterker, en “met klapperende tanden” begon hij aan zijn “enorme taak” om het schandelijke optreden van het keizerspaar én van generaal Belisarius met diens vrouw aan de kaak te stellen.
[Dit is het tweede van vijf blogjes over de Byzantijnse geschiedschrijver Prokopios van de hand van Hein van Dolen. Het eerste was hier.]
Belisarius
Van de regeringsperiode van keizer Justinianus, waarover het vorige blogje ging, zijn we goed op de hoogte door de boeken van Prokopios. Deze omstreeks 507 in het Palestijnse Caesarea geboren schrijver was afkomstig uit de christelijke bovenlaag van zijn vaderstad en had daar een gedegen opleiding genoten in de welsprekendheid en het recht. In Constantinopel kwam hij in dienst van de toen nog jonge generaal Belisarius en hij vergezelde zijn meester bij de expedities naar verschillende delen van de toenmalige wereld.
Hij werd diens privésecretaris en juridisch adviseur. Als zodanig vervulde hij enkele verantwoordelijke opdrachten in verband met de vloot en de voedselvoorziening. Met zijn vaardige pen en zijn fenomenale beheersing van het klassieke Grieks leek hij de aangewezen man om de geschiedenis van de militaire successen te beschrijven. Zijn hoofdwerk heeft de titel Oorlogen meegekregen. Het is niet zeker of Prokopios zelf zijn magnum opus zo heeft genoemd, maar in elk geval dekt de vlag de lading niet volkomen. Behalve de veldtochten van Belisarius staan er lange uitweidingen in over de geografie en de geschiedenis van vreemde volkeren en de wederwaardigheden in de hoofdstad, onder meer een ooggetuigenverslag van de pest in 542.
Laten we beginnen met twee typeringen van keizer Justinianus.
Justinianus heeft de staat groter en veel stralender gemaakt en haar veel meer glans verleend door de oude kwelgeesten, de barbaren, te verdrijven … Hij heeft de armen grote welstand bezorgd en aan hun benarde positie een einde gemaakt. Dankzij hem is aan de burgers een gelukkig leven ten deel gevallen.noot Prokopios, Gebouwen 1.1.6 en 1.1.10.
Justinianus was onbetrouwbaar als vriend en onverzoenlijk als vijand. Hij deed niets liever dan moorden en roven, en was twistziek en tegendraads. Voor slechte raad was hij ontvankelijk, maar hij luisterde nooit naar een goed advies, gespitst als hij was op het uitbroeden en uitvoeren van boze plannen. Alleen al het horen praten over iets goeds was voor hem onverteerbaar.noot Prokopios, Anekdota.8..26.
Georg Heinrich Pertz (1795-1876) was niet zomaar een historicus. Hij was de directeur van de Monumenta Germaniae Historica, een reeks met alle op Duitsland betrekking hebbende teksten uit de Oudheid en Middeleeuwen. Iemand met een uitgebreide correspondentie, want regelmatig meldden mensen hem materiaal dat mogelijk interessant kon zijn. Hij keek dus niet op toen hij op 18 oktober 1835 een brief kreeg van een Portugese edelman, João Pereiro, die vertelde dat in het klooster van Santa Maria de Merinhão een manuscript lag met alle negen boeken van de Fenicische geschiedenis van Sanchouniathon in de vertaling van Filon van Byblos.
Dit was spektakel. Er waren immers maar een paar fragmenten van deze tekst bekend. Een complexe tekst, met veel problemen, waarover ik al eerder blogde en waarover Hein van Dolen en ik in 2025 een boek hopen te publiceren. De belangrijkste kwestie is dat Filon van Byblos weliswaar voorgeeft een oeroude Fenicische tekst van ene Sanchouniathon te hebben vertaald, maar dat deze tekst zogeheten euhemerische ideeën bevatte die niet voor pakweg 300 v.Chr. zijn gedocumenteerd. Het is een mystificatie. Evengoed waren de overgeleverde fragmenten interessant genoeg om te doen verlangen naar meer. Pertz zelf had er voor zijn project weinig aan, maar vertelde het aan een krant. Het nieuws was daar.
Friedrich Wagenfeld
In november schreef Pereiro een tweede brief, dit keer naar een hem via een wederzijdse kennis bekende jonge geleerde, de vijfentwintigjarige Friedrich Wagenfeld uit Bremen. Het ging om in totaal dertien nieuw-ontdekte oude teksten en Wagenfeld kreeg toestemming om delen van de Fenicische geschiedenis alvast te publiceren. De rest kwam later, als de financiën met het klooster waren geregeld. Wagenfeld toog meteen aan het werk. Hij had een patroon nodig en schreef Georg Friedrich Grotefend aan, de man die er als eerste in was geslaagd delen van het Perzische spijkerschrift te lezen. Die wilde zijn gewicht wel in de strijd gooien en bovendien: hij woonde in Hannover, kon ook Pertz erbij betrekken en dan kon het hele project snel naar de uitgever van de Monumenta.
Die winter vertaalde Wagenfeld de delen van het manuscript die hij in handen had gekregen. Al in januari 1836 kon zijn vertaling naar de uitgever. Uit de correspondentie blijkt dat Wagenfeld ook twee middeleeuwse handschriften uit Portugal had ontvangen, die Pertz’ belangstelling hadden.
Terwijl de uitgever het boek zette, schreef Grotefend een enthousiast voorwoord. En zo verscheen in juni 1836 alvast de Duitse vertaling van Sanchuniathon’s Urgeschichte der Phönizier in einem Auszuge aus der wieder aufgefundenen Handschrift von Philo’s vollständiger Übersetzung. Er zat een afbeelding bij van het oorspronkelijke, Griekse handschrift; verder was er commentaar van Wagenfeld. De lezers vonden parallellen tussen de tekst van Sanchouniathon en de Bijbelboeken Genesis en Ezechiël, het werd duidelijk dat er handelscontacten waren geweest met Sri Lanka, en ook de familie van Sanchouniathon kwam in beeld. Hij zou in het midden van de negende eeuw hebben geleefd.
Skepsis
Niet iedereen was echter overtuigd. Als iets te mooi is om waar te zijn, is het immers meestal ook niet waar. Zie in onze tijd het Evangelie van de Vrouw van Jezus. In de negentiende eeuw wist men dat ook. Een van degenen die lont rook, was Franz Carl Movers, die voor die tijd veel wist van het oude Fenicië en in het najaar in het Jahrbuch für Theologie und christliche Philosophie een artikel publiceerde waarvan de titel niets aan duidelijkheid te wensen overliet: “Die Unächtheit der im Eusebius enthaltenen Fragmente des Sanchoniathon bewiesen”.
Movers was niet de enige of eerste criticus. Diverse geleerden wezen erop dat de persoonsnamen in het nieuwe boek allemaal waren te vinden in de in 1835 gepubliceerde Paläolographische Studien über phönizische und punische Schrift van Wilhelm Gesenius, net als Movers een kenner. Een geleerde uit Bremen, Schmidt, had Wagenfeld enkele keren gesproken en had nogal wat inconsistenties in zijn verhaal geconstateerd.
Al in september verscheen bij de uitgever die Wagenfelds vertaling had gepubliceerd een brochure: Die Sanchuniathonische Streitfrage. De auteur beschikte over de twee brieven van Pereiro en acht brieven van Wagenfeld. Wonderlijk genoeg waren die geschreven op hetzelfde papier, hoewel Pereiro toch in Portugal woonde. De auteur van de brochure had ook achterhaald dat er geen klooster van Santa Maria de Merinhão was en dat de naam “Pereiro” wel heel vreemd was – Pereira zou hebben gekund, maar Pereiro, nee. Pikant detail: de auteur van de brochure was de zoon van Grotefend.
Geheime provenance
Hoe zat de vork nu wel in de steel? Was Wagenfeld een vervalser? Hij had de schijn tegen, maar dat hij brieven had vervalst, wilde natuurlijk niet zeggen dat ook het Griekse manuscript dat hij zei te hebben vertaald, niet bestond. Philip Christiaan Molhuysen, de directeur van het Athenaeum in Deventer, wees er in oktober 1836 in Vaderlandsche letteroefeningen op dat Wagenfeld
… wel eenen Codex onder zich kan hebben, geschreven op parkement omstreeks de 13de eeuw … Wij kunnen ons voorstellen, dat hij met de plaats, van waar, en de wijze, op welke het handschrift in zijn bezit gekomen is, om zeer gegronde redenen, niet voor den dag wil komen, en daarom zoo wel den Overste Pereira en deszelfs brieven, als het klooster … verdicht heeft.
Een geheime provenance is een rode vlag. Hedendaagse academische gedragscodes verbieden de publicatie van gestolen data niet zonder reden. Maar in de negentiende eeuw vonden wetenschappers het niet zo erg erfgoed weg te nemen, dus Wagenfeld had een voor die tijd geloofwaardig voorwendsel.
De afloop
En zo kwam het dat Wagenfeld in 1837 de volledige Griekse tekst, met een Latijnse vertaling kon publiceren: Sanchoniathonis Historiarum Pheniciae Libros Novem. Dit keer niet meer bij de uitgever in Hannover, die zijn handen ervan aftrok, maar in Bremen.
Nu was het Karl Otfried Müller (1797-1840) die in de pen klom – nog zo’n negentiende-eeuwse supergeleerde. En zijn oordeel was vernietigend. Hij wees op een groot aantal fouten, maar was verder opvallend positief. De vervalsing was bewonderenswaardig knap gemaakt, was geschreven in een Grieks dat geloofwaardig leek op dat van Filon en wist de toon van de antieke geschiedschrijvers goed te treffen. En laten we eerlijk zijn: het is grappig om een mystificatie te maken rond een tekst die zelf al mystificatie is.
Friedrich Wagenfeld publiceerde in 1845 nog een onderhoudend Bremens Volkssagen (nog steeds leverbaar) en overleed een jaar later, op 26 augustus 1846, zesendertig jaar oud.
Ik heb op deze plaats Euhemeros al weleens genoemd. Zo rond 290 v.Chr. schreef hij een boek, waarvan we de titel kunnen vertalen als De gewijde kroniek of als De heilige inscriptie. Er is net een nieuwe editie, samengesteld door de Franse classici Montanari en Pouderon, van alle bekende fragmenten van Euhemeros’ grotendeels verloren gegane boek. Ik blogde er hier al eens over.
De regering van Kronos
Euhemeros vertelde dat hij op een ontdekkingsreis ergens in de Indische Oceaan een eilandengroep had ontdekt en dat daar een tempel stond met een opmerkelijke inscriptie. Niemand minder dan Zeus in hoogsteigen persoon had daarin verslag gedaan van de vreselijke dingen die in de oudste tijden waren gebeurd. Het opmerkelijke was dat de goden eigenlijk gewone stervelingen waren geweest.
Aanvankelijk had koning Ouranos geregeerd over de nog jonge mensheid, opgevolgd door koning Kronos. Die kreeg echter te maken met een paleiscoup: zijn oudere broer Titan eiste de troon op. Hun moeder, Hestia, en hun zussen, Demeter en Rhea, spoorden Kronos aan niet in te binden, en overtuigden Titan ervan zijn eisen wel wat bij te stellen.
Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer twee boeken.
Romeinse Rijk
Eerst maar eens een boek dat ik al een tijdje geleden heb gelezen: The Roman World from Romulus to Muhammad van Greg Fisher (2022). Het is een nogal traditioneel overzicht van de geschiedenis van – u raadt het al – het Romeinse Rijk. Volmaakt is het niet; de landkaarten hadden stukken beter gekund en de nadruk ligt wel erg op generaals en oorlogen. Grotemannengeschiedenis dus.
Zulke boeken krijgen tegenwoordig soms het verwijt dat ze het patriarchaat steunen en hoewel ik de ratio van die kritiek kan volgen, vind ik een veel fundamenteler probleem dat in dit boek de relatie tussen dieperliggende processen en oppervlakkige evenementen onderbelicht is. Een historicus moet in elk geval de feiten en oorzaken zo intersubjectief mogelijk presenteren; dat resultaat kan dan later een rol spelen in andere, meer politieke discussies.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.