
Mijn vorige blogje in de reeks over de voor-westerse geschiedenis rondde ik af met de constatering dat het landschap het de bewoners niet makkelijk maakt. Overal waren en zijn bergen, die reiken tot aan de zee. Daarop zijn natuurlijk uitzonderingen. De noordkust wordt hier en daar onderbroken door de moerassige gebieden bij riviermondingen. Dat het Romeinse Rijk zich uitbreidde naar Gallië, kwam doordat de Rhône dat noordwetselijke gebied verbond met de Middellandse Zee, maar ook dan nog is die stroom een lange gleuf tussen het Massif Central en de West-Alpen. Eigenlijk ligt het landschap alleen tussen de Nijldelta en Byzacene (in Tunesië) open naar het achterland.
Het opent zich daar echter naar een droge steppe, die verder naar het zuiden plaats maakt voor de woestijn. Dat geldt ook voor Mesopotamië: reis naar het westen of zuiden, en er is woestijn; reis naar de oostelijke bergen, en op de Iraanse Hoogvlakte groeit ook niet al te veel. Hoewel daar langs de schaarse artesische bronnen en oases een Zijderoute zou ontstaan, blokkeert de woestijn feitelijk de weg naar India en Centraal-Eurazië. Wat de vraag oproept waarom er zoveel woestijn ligt.
Tropische en polaire winden
Het makkelijke antwoord is dat het naar het zuiden toe nu eenmaal heter is, wat weer komt doordat het zonlicht daar rechter op de atmosfeer valt. Als dat het hele verhaal zou zijn, zouden we in noordelijk Afrika geen woestijnlandschap hebben gezien, maar tropisch regenwoud. De complicatie is dat de zonnestraling rond de evenaar de lucht verwarmt, waardoor de vochtige lucht opstijgt om hoog in de atmosfeer te condenseren, zodat regenwouden ontstaan. Tegelijk ontstaat een lagedrukgebied, dat op grondniveau noordenwind aantrekt, terwijl hoog in de atmosfeer de hete, leeggeregende lucht zich naar het noorden verplaatst. Ergens rond 30° noorderbreedte – zeg maar de hoogte van Alexandrië, Basra, Shiraz – is de lucht voldoende afgekoeld om wat dichter te worden, te dalen en het vochtloze hogedrukgebied te vormen dat de noordenwind richting lagedrukgebied duwt. Er is dus een atmosferische kringloop, de zogeheten Hadley Cell, die maakt dat de Sahara en de Iraanse Hoogvlakte zo droog zijn.
Uiteraard is ook dit te simpel. Bergketens, zeeën en andere landschapselementen maken dat de droge gordel zich nu eens noordelijker uitstrekt en dan weer wat zuidelijker. En ten noorden van de droge regio wordt het nog complexer. Helemaal in het noorden bestaat namelijk een soortgelijke kringloop, de Polar Cell, die zorgt voor lagedrukgebieden op ongeveer 60° noorderbreedte. Er ligt eigenlijk altijd een lagedrukgebied rond IJsland en een hogedrukgebied rond de Azoren, waardoor de dominante wind in de gematigde zone tussen de Hadley- en de Polar Cells (anders gezegd: in Noordwest-Europa) altijd westelijk is – ik blogde er al eens over. In het najaar blaast de wind daardoor wat harder en dan horen we over de mistral en de bora (de antieke Magistralis en Boreas).

Seizoensgebonden winden
Er zijn meer van dit soort systemen, die zorgen voor steeds weer andere winden tussen de 30° en 60° noorderbreedte. Als het landschap in deze zone gekreukeld is, zoals ik al vertelde, dan geldt dat ook voor de patronen van de wind. Zo is er de scirocco die in het voorjaar vanuit de Sahara noordwaarts blaast. woestijnzand meeneemt over de hele Mediterrane regio en zelfs onze noordelijke contreien weleens bereikt. (De Egyptische naam is chamsin.)
Een andere seizoensgebonden wind in de zone tussen 30° en 60° staat bekend als “etesisch” en maakte het tussen april en september makkelijker van noord naar zuid te varen. In Irak staat deze bekend als de shamal, en ze zorgt voor zulke grote stofstormen dat mensen met ademhalingsmoeilijkheden naar het ziekenhuis moeten. In Iran snijdt deze “honderdtwintigdagenwind” feitelijk de Zijderoute af.
Microklimaten
Wat ik hierboven schreef, is de afgelopen eeuwen zo geweest, maar er zijn aanwijzingen dat regens en winden zich in de Oudheid iets anders gedroegen. Wat onveranderd is gebleven is dat de voor-westerse wereld zich kenmerkte door een opvallend groot aantal kleine klimaatzones ofwel microklimaten. Ten overvloede: dit is een verkreukeld stukje wereld, zowel door reliëf als door de wind. En het effect is dat akkerbouw moeilijk wordt. Immers, het water dat je nodig hebt om planten te laten groeien, valt op het verkeerde moment: als de winterkou de groei bemoeilijkt. De ideale situatie – warmte en regen tegelijk – is vrij zeldzaam.
Helemaal ongeschikt voor de akkerbouw is Mesopotamië, dat aan de slechte synchronisatie van regen en temperatuur toevoegt dat in het voorjaar, als de gewassen eenmaal opkomen, de rivieren Eufraat en Tigris overstromen. Akkerbouw is dus veelal een kwestie van irrigatie – van qanats op de Iraanse hoogvlakte, en van dammetjes en cisternes rond de Limes Tripolitanus om het water van de winterregens (flash floods) vast te houden.

Akkerbouw was destijds lastig, maar de mens kon zich aanpassen aan de omgeving, en paste de omgeving aan aan zijn wensen. Maar het vereiste opmerkzaamheid, hongersnoden waren altijd mogelijk, en het is geen toeval dat de Atheners een Toren van de Winden hadden: je moest altijd een oog houden op de wind, op de regen, op de toekomst.
[Een overzicht van deze reeks zal de komende tijd hier groeien.]

Interessant artikel over de “winden” en hun invloed op het (micro)klimaat. Voor de situatie in Nederland is ook opmerkelijk het onderzoek naar de windrichting en de invloed op ons (zeeklimaat), uitgevoerd door vader (Han) en zoon (Jippe) Hoogeveen (2022). De data bevatten o.a. de dagelijkse windrichting sinds 1836.
What about this:
https://en.wikipedia.org/wiki/African_humid_period
en dsan Wikip is een first resort referentie waarvan je maar moet geloven dat ie klopt als leek
Je meldt:: “waardoor de vochtige lucht opstijgt om hoog in de atmosfeer te condenseren, zodat regenwouden ontstaan”
dat is wel heel kort door de bocht
Ook in de Sahara stijgt vooral in de zomer de lucht op omdat de zon dan loodrecht staat ende aardbodem hartstikke heet wordt maar daar is geen waterdamp