
Mijn vorige blogje in de reeks over de voor-westerse geschiedenis rondde ik af met de constatering dat het landschap het de bewoners niet makkelijk maakt. Overal waren en zijn bergen, die reiken tot aan de zee. Daarop zijn natuurlijk uitzonderingen. De noordkust wordt hier en daar onderbroken door de moerassige gebieden bij riviermondingen. Dat het Romeinse Rijk zich uitbreidde naar Gallië, kwam doordat de Rhône dat noordwetselijke gebied verbond met de Middellandse Zee, maar ook dan nog is die stroom een lange gleuf tussen het Massif Central en de West-Alpen. Eigenlijk ligt het landschap alleen tussen de Nijldelta en Byzacene (in Tunesië) open naar het achterland.
Het opent zich daar echter naar een droge steppe, die verder naar het zuiden plaats maakt voor de woestijn. Dat geldt ook voor Mesopotamië: reis naar het westen of zuiden, en er is woestijn; reis naar de oostelijke bergen, en op de Iraanse Hoogvlakte groeit ook niet al te veel. Hoewel daar langs de schaarse artesische bronnen en oases een Zijderoute zou ontstaan, blokkeert de woestijn feitelijk de weg naar India en Centraal-Eurazië. Wat de vraag oproept waarom er zoveel woestijn ligt.









Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.