De Limes Tripolitanus: watermanagement

Septimius Severus (Archeologisch Museum Thessaloniki)

[Dit is het derde deel van artikel dat oorspronkelijk verscheen in het tijdschriftje dat Livius Onderwijs enige tijd uitgaf, Momentum; het eerste deel verscheen hier.]

De hierboven beschreven vicieuze cirkel werd doorbroken door keizer Septimius Severus, die uit Tripolitana afkomstig was. In 201 maakte hij een begin met de uitvoering van een goed-doordacht strategisch plan, waarin alles draaide om de beheersing van de oases en wadi’s. Geen nomade zou naar het noorden kunnen komen als hij geen water kon vinden, en daarom werden de oases van Ghadames, Gheriat el-Garbia en Bu Njem voorzien van forten.

Dit klinkt eenvoudiger dan het is. Er was immers te weinig neerslag om de op zich vruchtbare aarde langs de woestijnrand om te zetten in akkerbouwgrond. Maar als het ecosysteem de oplossing niet toestond, lijkt Severus te hebben gedacht, dan moest het ecosysteem maar veranderen. En dus investeerde hij in de waterhuishouding van de wadi’s, waar voortaan geen druppel verloren mocht gaan. Hoewel geen enkele antieke auteur ’s keizers blauwdruk noemt, zijn er zulke grote kapitalen mee gemoeid geweest, dat het besluit alleen op het hoogste niveau kan zijn genomen. Wie anders dan de keizer kon de import van Siciliaans eikenhout financieren om sluisdeuren te maken?

Wadi met dammetjes

Dammen en verlaten boerderijen zijn nog altijd het opvallendste kenmerk van het droge land tussen de oases van Bu Njem en Gheriat el-Garbia. Cisternes en spaarbekkens stelden de boeren in staat de winterse flash floods op te vangen en te bewaren, waardoor akkerbouw mogelijk werd in een gebied waar dit anders onmogelijk zou zijn geweest. Er werden vooral graan en olijven geteeld, maar ook vijgen, dadels, peulvruchten en groente zijn geattesteerd, terwijl een analyse van het botmateriaal leert dat ook geiten en dromedarissen langs de wadi’s graasden.

Afzwaaiende soldaten moeten de eerste kolonisten zijn geweest, bijgestaan door Garamantische clans als de Marchii van Ghirza. De etnische verscheidenheid werd nog vergroot na 219, toen keizer Heliogabalus het Derde Legioen Gallica ontbond en de Syrische legionairs overbracht naar het Derde Augusta. Een persoonsnaam als Julius Mashalul ben Chyrdidry, waarin Romeinse, Semitische en Libische elementen zijn te herkennen, is in Tripolitana niet uniek.

Ploegende boer (museum van Bani Walid)

Severus nam ook een voorschot op de te verwachten economische ontwikkeling. Zijn geboortestad Lepcis kreeg een monumentaal maar wat fantasieloos stadscentrum dat alleen kon worden onderhouden zolang er winst werd gemaakt op de verpachting van aan de stad geschonken landbouwgronden, en de bewoners van Rome kregen voortaan gratis Tripolitaanse olijfolie. Cassius Dio, die in 223 gouverneur was van de provincie, beschouwde het als geldverspilling (Romeinse Geschiedenis 76.16.3), maar zou al snel in het ongelijk worden gesteld. Wie momenteel een stoffig oord als Bu Njem bezoekt, kan het zich niet voorstellen, maar in de derde eeuw was in deze oase houtteelt mogelijk.

[Wordt vervolgd]