Voor-westerse geschiedenis (3): klimaat

Windgod (Musée de Mariemont, Morlanwelz)

Mijn vorige blogje in de reeks over de voor-westerse geschiedenis rondde ik af met de constatering dat het landschap het de bewoners niet makkelijk maakt. Overal waren en zijn bergen, die reiken tot aan de zee. Daarop zijn natuurlijk uitzonderingen. De noordkust wordt hier en daar onderbroken door de moerassige gebieden bij riviermondingen. Dat het Romeinse Rijk zich uitbreidde naar Gallië, kwam doordat de Rhône dat noordwetselijke gebied verbond met de Middellandse Zee, maar ook dan nog is die stroom een lange gleuf tussen het Massif Central en de West-Alpen. Eigenlijk ligt het landschap alleen tussen de Nijldelta en Byzacene (in Tunesië) open naar het achterland.

Het opent zich daar echter naar een droge steppe, die verder naar het zuiden plaats maakt voor de woestijn. Dat geldt ook voor Mesopotamië: reis naar het westen of zuiden, en er is woestijn; reis naar de oostelijke bergen, en op de Iraanse Hoogvlakte groeit ook niet al te veel. Hoewel daar langs de schaarse artesische bronnen en oases een Zijderoute zou ontstaan, blokkeert de woestijn feitelijk de weg naar India en Centraal-Eurazië. Wat de vraag oproept waarom er zoveel woestijn ligt.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (3): klimaat”

Manicheeërs in China

Schijf met manichese motieven (Wereldmuseum, Leiden)

Het manicheïsme is een verdwenen godsdienst uit de Late Oudheid. De stichter was de Mesopotamische profeet Mani (216-274 na Chr.), die onderwees dat het universum was verdeeld in twee strijdige kampen, de kwade materiële wereld (“de Duisternis”)  en de goede wereld van de geest (“het Licht”). Dit dualisme deelde het manicheïsme met het Perzische zoroastrisme. Daarnaast accepteerde het elementen uit het neoplatonisme, het rabbijnse jodendom, de gnosis, de hellenistische godsdiensten van Mesopotamië en het vroege christendom. Mani beschouwde zich als de Pleitbezorger (Parakleet) die in het Johannes-evangelie wordt aangekondigd.noot Johannes 14.16. Mani kende ook de Indische godsdiensten en er zijn in de manichese geschriften ook boeddhistische elementen aan te wijzen.

Van Mani naar China

Het manicheïsme ontstond in het nog jonge Sassanidische Rijk, geregeerd door een dynastie die als voorvader een belangrijke priester van Anahita had. De eerste koningen waren geen scherpslijpers en kunnen Mani’s opvattingen, die een synthese vormden van alle binnen het rijk bestaande ideeën, hebben beschouwd als nuttig om eenheid te scheppen.

Lees verder “Manicheeërs in China”

De Kushana’s

Een Kushana-prins uit Dalverzintepa (Nationaal Museum, Tasjkent)

Het begint dus in China. Of beter, ten noorden van China. Aan het begin van de tweede eeuw v.Chr. woonden daar twee groepen nomaden. In het noordwesten waren dat de Tochaars-sprekende Yuezhi en in het noordoosten de Xiongnu. En verder was er de eeuwige trek waarmee herdersvolken westwaarts reizen, omdat je dan van het betrekkelijk droge Manchurije en Mongolië naar steeds groenere gebieden reist – over de Altai, naar de Pontische Steppe, naar de Hongaarse poesta.

En dat wil dus zeggen dat de Xiongnu westwaarts trokken en de Yuezhi voor zich uit dreven. In 176 v.Chr. kwam dit proces door een militair conflict in een stroomversnelling en de Yuezhi migreerden via het huidige Kazachstan naar Sogdië, zeg maar het huidige Oezbekistan, waar ze rond 130 v.Chr. aankwamen. Ook vestigden ze zich in Baktrië, het grensgebied tussen Oezbekistan en Afghanistan, aan weerszijden van de rivier de Oxus. Ze woonden hier te midden van een Sogdisch-Baktrisch-Perzisch-Griekse bevolking en namen het Griekse alfabet over. Opgravingen als het Oezbeekse Khalchayan en het Afghaanse Tillya Tepe documenteren het pluriforme karakter van deze wereld.

Lees verder “De Kushana’s”

Faits divers (36)

Caligula en Roma (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer onder andere Caligula, de Zijderoute en een nieuwe expositie in Leiden. Maar eerst een huishoudelijke mededeling.

***

Huishoudelijke mededeling

Het gebeurt me elke dag wel – en niet zelden meer dan eens – dat iemand me een filmpje stuurt over een veronderstelde oudheidkundige ontdekking, waarbij ik dan de vraag krijg voorgelegd of het waar is. Uiteraard is het vererend dat mensen erop vertrouwen dat ik het wel weet. En het is fijn dat mensen in de smiezen hebben dat je niet alles moet geloven wat onder het mom van archeologie of klassieken wordt beweerd.

Lees verder “Faits divers (36)”

Faits divers (33): archeologie

Cucuteni-Tripolje-aardewerk (Neues Museum, Berlijn)

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer allerlei leuke archeologische berichten.

***

De eerste steden

Het traditionele, en op zich niet onjuiste, verhaal over de eerste steden is dat hun ontstaan hand-in-hand ging met de groei van sociale stratificatie. Bijvoorbeeld doordat er meer boeren waren, meer opbrengsten, meer noodzaak tot organisatie, en dus een centrale leider, die zijn macht onderstreepte met monumentale bouw. Dit is vanzelfsprekend altijd een grove generalisatie geweest. Een schema, zeg maar, om de gedachten te ordenen. De vondsten in Göbekli Tepe bewijzen dat al in een samenleving van jagers en verzamelaars monumentale architectuur mogelijk is, dus er is geen enkele reden monumentaliteit onlosmakelijk te verbinden met steden of zelfs maar landbouw.

De laatste kwart eeuw is er veel meer aandacht gekomen voor “mega-sites” die wel stedelijk ogen maar geen opvallend grote sociale stratificatie kennen. Sovjet-archeologen attendeerden er lang geleden al op dat in het gebied van de Skythen – zeg maar Oekraïne – enkele knotsen van nederzettingen bekend waren, zonder aanwijzingen voor maatschappelijke ongelijkheid. Dat paste mooi bij theorieën over een oercommunisme, dus het oogde wat verdacht. Maar inmiddels is er meer belangstelling voor, en het helpt dat onderzoekers met Lidar meer van zulke nederzettingen vinden.

Lees verder “Faits divers (33): archeologie”

Nesaïsche paarden

Een Nesaïsch paard (Persepolis)

De Nesaïsche paarden, wat zijn dat nou weer? Allerlei bronnen noemen ze, van de Griekse onderzoeker Herodotos in de vijfde eeuw v.Chr. tot de Babylonische Talmoed in de zevende eeuw na Chr. Eén ding is hierbij duidelijk: de edele dieren kwamen van de zogeheten Nisaïsche vlakte, die zich ergens in het Zagrosgebergte moet hebben bevonden, dus in het westen van het huidige Iran. Dat is het gebied waar ooit de Meden woonden.

Vermoedelijk lag die vlakte ergens langs de grote weg vanuit Mesopotamië via Behistun naar Hamadan (oude Ekbatana), maar zeker is dat niet, aangezien er een anekdote bestaat dat de Romeinse generaal Marcus Antonius, toen hij het Parthische Rijk aanviel, Nesaïsche paarden zag.noot Strabon, Geografie 14.9.4. Dat suggereert een meer noordelijke locatie. De naam helpt ons niet veel verder, want Nisâya is Perzisch voor “bewoond gebied”.

Lees verder “Nesaïsche paarden”

Herakles in Xinjiang

Niet Herakles maar Vajrapani (Musée Guimet, Parijs)

In het Musée Guimet in Parijs fotografeerde ik onlangs bovenstaande kop. Een tête à l’expression farouche, zo las ik op het bordje met uitleg, dat verder meldde dat dit woest kijkende heerschap afkomstig was uit de kleine Tempel 1 te Toqquz Sarai in Tumxuk. Het is gemaakt in de late vierde eeuw na Chr. en met een leeuwenhuid over het hoofd is het natuurlijk Herakles – of zoiets.

Boeddhistische kunst

Tumxuk ligt in Xinjiang, dus in het uiterste westen van het huidige China, aan de Zijderoute. Toen de Kushana’s heersten over Centraal-Azië, tussen de eerste eeuw v.Chr. en de vierde eeuw na Chr., verspreidde het Mahayana-boeddhisme zich vanuit de Punjab naar Afghanistan, Oezbekistan en door de Fergana-vallei over de Pamir naar Xinjiang. En met het boeddhisme kwam kunst als deze mee. We noemen het weleens Gandara-kunst en daar zit een flinke scheut hellenistische invloed in.

Lees verder “Herakles in Xinjiang”

Vijf dagen Parijs

Illustratie uit een Arabisch commentaar op Galenus’ beschrijving van theriac (Institut du monde arabe, Parijs)

Je wil het liefst het nuttige met het aangename verenigen, en als je iets nuttigs te doen hebt in Parijs, is het vanzelf aangenaam. Aangenaam waren vooral de musea die ik kon bezoeken. Hierbij een paar aantekeningen.

Institut du monde arabe

Het Institut du monde arabe is gevestigd in een prachtig gebouw tegenover het Île Saint-Louis. De vaste collectie is niet wezenlijk vernieuwd, maar die is zo interessant dat dat ook niet nodig is. Er is momenteel een expositie over Bagdad in de negende eeuw. Die is opgehangen aan de laatste versie van Assassin’s Creed, zodat je niet alleen voorwerpen ziet die het leven in de hoofdstad van het Abbasidische Rijk documenteren, maar ook uitleg krijgt over het maken van zo’n game. Die uitleg is niet heel anders dan wat je in Groningen in StoryWorld verneemt over Horizon Zero Dawn, dus de voorwerpen trekken de meeste aandacht. Wat mij betreft was een beeldschoon manuscript van een vertaling van / commentaar op Galenus het hoogtepunt. En uiteraard de vaste collectie.

Lees verder “Vijf dagen Parijs”

De Tochaarse talen

De stichters van een boeddhistisch klooster aan de noordrand van de Taklamakanwoestijn (Humboldtforum, Berlijn)

Het westelijk deel van wat wij China noemen, bestaat uit het zogeheten Tarimbekken, waarin de Taklamakanwoestijn ligt. Menselijk leven is alleen mogelijk aan de randen daarvan. De Zijderoute loopt dus óf ten zuiden óf ten noorden van dit bassin. De noordelijke rand is verkend door Duitse expedities, die grotten vol boeddhistische schilderingen én teksten aantroffen. Wat ze vonden, is nu te zien in het Humboldtforum in Berlijn. Een andere ontdekkingsreiziger was Aurel Stein. Dit is de Aurel Stein die ook de route van Alexander de Grote in de Swatvallei heeft verkend.

Tochaars-A en Tochaars-B

En hij ontdekte manuscripten in twee vergeten talen, die zijn vernoemd naar een volk dat ooit in de omgeving gewoond zou kunnen hebben, de Tocharen. Of de Tocharen werkelijk de talen spraken die wij Tochaars noemen, is niet zo belangrijk. Wel belangrijk is dat het aanbod aan teksten, dankzij de droge woestijn, vrij groot is. Van het Tochaars-A, dat ook weleens Turfaans is genoemd omdat sommige teksten uit de Turfan-oase komen, zijn ongeveer 2000 teksten over. Van het Tochaars-B zijn 9000 teksten over. Ze zijn geschreven in de Late Oudheid.

Lees verder “De Tochaarse talen”

Egyptische make-up

Ramses IV, met make-up (Louvre)

Make-up, we moeten het eens over make-up hebben. Egyptische make-up. Daar weten we namelijk het een en ander van. Deels door portretbustes, deels door reliëfs en mummiemaskers, deels doordat archeologen weleens zalflepels en kommetjes met ingrediënten terugvinden. Ik sluit niet uit dat er papyri zijn met de receptuur van mascara. Wat onze kennis ook verder helpt, is dat andere volken later zaken overnamen en we hun kennis en vaardigheden mogen extrapoleren naar Egypte. Zo weten we dat men daar kohl en lippenstift kende, en iets wat je een blusher zou kunnen noemen. Het is allemaal herkenbaar op de bovenstaande afbeelding van Ramses IV (r.1163-1156 v.Chr.).

Make-up

De Egyptenaren – en eigenlijk alle latere volken – maakten hun wimpers en wenkbrauwen donker zwart met kohl, dus houtskool en galeniet, aangelengd met vet of bijenwas. Blushers vervaardigden ze op basis van okerpoeder, dat zowel rood als geel kon zijn. De lippenstift van de farao was een pasta van hematiet of (heel misschien) rhodochrosiet, vermengd met was en olie. Die goten de cosmeticakunstenaars in dunne staafjes. Het was dus echt lippenstift.

Lees verder “Egyptische make-up”