
De regio waarover ik in mijn reeks over de voor-westerse geschiedenis wil schrijven, is ruwweg die van het Middellandse Zee-gebied en het Nabije Oosten, met een open oog voor Noordwest-Europa en Centraal-Eurazië. en de gebieden langs de Rode Zee en Nijl. Dat sluit contact met China, India, Zuid-Arabië, Nubië en de Sao– en Nok-culturen overigens niet uit. De kern ligt echter rond de Middellandse Zee en in het Nabije Oosten en het is moeilijk te ontkennen dat dat een rommelig stukje wereld is.
Het komt allemaal door de tektonische platen. De Afrikaanse plaat schuift elk jaar ruim vijf centimeter naar het noorden, terwijl de Arabische plaat zo’n zestien centimeter naar het noorden schuift. Onderling bewegen deze twee platen van elkaar af, waardoor de Grote Rift-vallei is ontstaan: de Rode Zee, de Dode Zee, de Jordaan, de Bekaavallei. De Afrikaanse en de Arabische platen botsen tegen de Euraziatische Plaat, en zo zijn de Atlas, de Pyreneeën, de Alpen, de Taurus en de Zagros ontstaan. Een vooruitgeschoven deel van de Afrikaanse plaat zorgt voor de enorme kreukel die Sicilië heet, en scheidt de Middellandse Zee in twee bassins.
Een gekreukeld landschap
Vergeleken met de eenvoudige Zwarte Zee is de Middellandse Zee erg verbrokkeld. Waar de bergketens onder water liggen, vormen ze honderden eilanden én de grenzen tussen vijftien binnenzeeën. Schepen kunnen van eiland naar eiland hoppen: dat maakt handel eenvoudig. Liggen de bergketens echter op het droge, dan belemmeren ze de handel. De regio is bovendien geologisch nog actief, de bergen worden nog altijd gevormd en het reliëf is scherp. Je reist in de winter niet even over de Alpen en ik heb zelf weleens rechtsomkeert moeten maken in de Libanon.

Ook al hebben ze vaak de vorm van eilanden, bergen zijn overal, en wie reist op de Middellandse Zee ziet ze eigenlijk altijd meteen achter de kust. De Languedoc, de Pontijnse Vlakte, de Veneto en het lange stuk vanaf de Nijldelta tot en met halverwege Tunesië (“Byzacene”) zijn de enige onderbrekingen. Overal elders liggen bergketens met namen als Sierra Nevada, Pyreneeën, Alpen, Apennijnen, Pindos, Balkan, Taurus, Libanon, Aurès, Atlas en Rif. Meer naar het oosten duwt de Arabische Plaat de Kaukasus en Zagros omhoog.
De regio is, zoals gezegd, geologisch nog altijd actief. Ik noem dus nog even de vulkanen: rond Sicilië de Stromboli, de Etna en het eiland Pantelleria; even noordelijker de Vesuvius; in de Egeïsche Zee het eiland Thera en in Anatolië de Hasan Dağı, de Nemrut Dağı (niet het beroemde monument met dezelfde naam) en de zogenaamde Ararat. Hoewel de vuurspuwende bergen in Turkije het rustig aandoen, barsten de westelijke vulkanen regelmatig uit. Sommige daarvan liggen overigens onder water, zodat er tussen Sicilië en Tunesië nog weleens een eilandje ontstaat dat dan later weer instort en onder de golven verdwijnt.

Ongeschikt voor mensen?
Het wezenlijke punt is hier dat dit landschap opvallend versnipperd is. Alleen in het zuiden ligt het werkelijk open naar de steppe en de woestijn. Overal elders maken de bergen niet alleen het reizen, maar ook de akkerbouw moeilijk. De vlakten zijn doorgaans klein, of ze liggen, zoals de vlakte tussen Eufraat en Tigris, vér van de kust. In alle gevallen is interregionale handel nogal lastig. En tot slot: waar toevallig toch vlakten liggen langs de kust, is het land drassig en is de voornaamste bewoner de malariamug.
Drie continenten botsen op elkaar. Weinig gebieden op aarde zijn minder geschikt voor menselijke activiteit. Of beter: weinig gebieden stellen grotere eisen aan het improvisatievermogen dat mensen van nature bezitten. Wie hier wordt geboren, moet zich wel aanpassen en zoals u weet is cultuur niets meer of minder dan het niet-biologische systeem waarmee de mensen zich aanpassen aan de omgeving. Weinig gebieden spoorden meer aan tot het ontwikkelen van werktuigen, gedrag en kennis.
[Een overzicht van deze reeks zal de komende tijd hier groeien.]

Cultuur is niet slechts aanpassing aan de natuur. Alleen het dier is volkomen aan-/ingepast in zijn natuurlijke omgeving.
Voor de mens is de natuur grondstof en werkterrein waar hij zijn cultuur mee construeert.
Zuid-Amerika stelt misschien wel nog hogere eisen. Een dorre kustvlakte, de Andes, het oerwoud… en ook daar is de beschaving opgebloeid. Dus ja, misschien geeft dat mensen inderdaad dat extra zetje om zich te ontwikkelen en heb je dat in een tropisch gebied waar de mango’s zo’n beetje uit de bomen vallen gewoon minder.
“Middellandse Zee…. Schepen kunnen van eiland naar eiland hoppen: dat maakt handel eenvoudig.”
En ook ander transport! Ja, is dit niet de overheersende factor in je landschap-verhaal? Die centrale zee?
Van kleine reizen tot voorbij Gibraltar later, steeds verdere handel; grote legerverplaatsingen, enorme voedseltransporten, vele reizigers…
“Ik noem dus nog even de vulkanen: .. in de Egeïsche Zee het eiland Thera”.
Vermoed wordt dat de vulkaanuitbarsting van Thera genoemd wordt op de ’tempest’stèle’ van pharao Ah-mose I. Deze stormstèle was onlangs in het nieuws:
https://jonet.nl/nieuwe-bevindingen-exodus-door-nederlandse-onderzoekers/
“Weinig gebieden stellen grotere eisen aan het improvisatievermogen dat mensen van nature bezitten.”
Dat is nieuw voor mij. Je zou immers ook kunnn stellen dat het zachte klimaat landbouw bevorderde en, zoals je ook zegt, de eilanden uitnodigden tot zeevaart.
Noordwest-Europa is ook niet bepaald een land van melk en honing: drassig, bebost, koud. Daar overleven vroeg ook heel wat kunde, dus de uitdagingen alleen verklaren de verschillen niet.
“Ongeschikt voor mensen?”
….
“Drie continenten botsen op elkaar. Weinig gebieden op aarde zijn minder geschikt voor menselijke activiteit. Of beter: weinig gebieden stellen grotere eisen aan het improvisatievermogen dat mensen van nature bezitten.”
Ik heb wat moeite met de keuze voor de schaal van het landschap (continenten, tektonische platen) en de potentiële problemen voor mensen om in dat “versnipperde landschap”.
Deze regio vormde een belangrijke corridor voor de verspreiding van vroege mensachtigen (o.a. homo erectus en andere soorten) en de moderne mens vanuit Afrika over de rest van de wereld. Bezien vanuit een menselijke maat vormen de valleien, rivierbeddingen en vlakten redelijk toegankelijke paden naar het westen, het noorden en het oosten voor de eenvoudig toegeruste vroege moderne mens.
De vroege moderne mens heeft zich kunnen verspreiden door Afrika, West & Centraal Europa, Siberië, Azië, Australië en, waarschijnlijk in een late fase, naar Amerika. Aanpassingsvermogen zat waarschijnlijk diep in het genetisch materiaal.
Ook in het Laat Paleolithicum, het Mesolithicum en de Neolithische Periode hebben mensen en hun vroege voorgangers (o.a. Neanderthalers) zich kunnen handhaven en ontwikkelen; zeer waarschijnlijk met vallen en opstaan.
De variatie in het landschap op een menselijke schaal (i.t.t. versnippering op continentale schaal) ) zou gezien kunnen worden als een van de factoren die het menselijk bestaan en de maatschappelijke en culturele ontwikkelingen heeft bevorderd.