Voor-westerse geschiedenis (1): inleiding

Borsippa

Deze blog groeit vooral door vragen die mensen stellen (zoals) en door reeksen die ik zelf leuk vind (zoals). Niet zelden merk ik echter dat ik achtergrondinformatie nodig heb, en daarom zijn er ook de wat encyclopedieachtige stukjes over deze of gene vorst, landstreek of gebeurtenis. Als ik bijvoorbeeld al een stukje over de Nijl heb, kan ik een blogje over Aristoteles’ theorie over de overstroming daarin verankeren. Maar ook zulke stukjes zou ik willen verankeren, namelijk in algemene informatie over de toenmalige wereld.

Braudel

Al sinds ik mijn reeks over het handboek oude geschiedenis schreef, zoek ik een vorm om ook die achtergrondinformatie te geven. En onlangs – ik stond op het vliegveld van Parijs – wist ik ineens hoe ik het moest aanpakken: ik zou me laten inspireren door Fernand Braudel.

Fernand Braudel (1902-1985) is een welhaast legendarische Franse historicus, die wel voor eeuwig zal worden herinnerd omdat hij de historische processen verdeelde in gebeurtenissen (“evenementen”), processen van de middellange duur en de voor de betrokkenen nauwelijks herkenbare longue durée. Die drieslag is echter niet waaraan ik moest denken. Het gaat me om zijn boek La Méditerranée (1977).

Algemene geschiedenis

De Mediterrane wereld, met ruim een dozijn zeeën (meervoud), een slordige 6000 eilanden en tal van bergketens, was Braudels grote liefde en in La Méditerranée bood hij een algemene geschiedenis in twaalf hoofdstukken. De helft daarvan schreef hij zelf, terwijl de andere zes hoofdstukken werden geschreven door specialisten. Het is een prettig en toegankelijk boek, dat alle gebieden met evenveel aandacht en liefde beschrijft. Er is geen gebied dat extra nadruk krijgt.

Dit betekent ook dat bij Braudel de Grieken, op wie in de negentiende eeuw nogal wat innovaties zijn geprojecteerd, wat minder op de voorgrond staan. De ingrijpendste innovaties (zoals het ontstaan van de akkerbouw, interregionale handel en de stedelijke levenswijze) stammen immers uit Mesopotamië. Met deze keuze nam het team-Braudel geen uitzonderlijke positie in: wereldgeschiedenis brak als genre door in de jaren zeventig en auteurs als Martin West en Walter Burkert presenteerden archaïsch Griekenland als een appendix van de oud-Oosterse beschaving.

De decentralisatie van Griekenland in La Méditerranée neemt niet weg dat de Grieken ook wat nieuwe dingen wél hebben bedacht, zoals het gevoel voor het tragische, de hoplietenoorlog en de filosofie. Rome verspreidde de klassieke cultuur over een groot deel van de wereld en de Arabieren formuleerden daarvoor een alternatief; West-Europa is in de Volle Middeleeuwen geboren uit een fusie van eerdere culturen. We zouden de Oudheid en Vroege Middeleeuwen daarom eigenlijk “voor-westerse geschiedenis” moeten noemen.

Voor-westerse geschiedenis

Zo doop ik dan ook deze reeks, bedoeld om achtergrondinformatie te verstrekken bij andere achtergrondinformatie. Ik heb voor het neologisme “voor-westerse geschiedenis” twee redenen.

  1. Ik wil aangeven dat het gaat over de tijd vóór er een West-Europees zelfbeeld was. Dat verdient nadruk, want het idee blijft terugkeren dat West-Europa op de schouders van Griekenland en Rome zou staan. Maar zie het Arabische erfgoed.
  2. Het gaat me om de factoren die causaal voorafgaan aan de historische gebeurtenissen. Zeg maar wat de Duitse historicus Johann Gustav Droysen de Bedingungen noemde die noodzakelijk waren om de pragmata (Droysens woord voor evenementen) te begrijpen.

Wat lette me, bedacht ik daar op het vliegveld, om de bundel van Braudel als leidraad te nemen bij een reeks blogjes over algemene thema’s? Ik laat de passages over het wat recentere verleden achterwege maar ik neem het Nabije Oosten en de Lage Landen erbij, want de oude wereld was groter dan Braudels Méditerranée. Ik heb bovendien nog wat andere boeken erbij genomen en ik heb, als ik op reis was, ook zelf weleens iets gezien.

Voilà dus: een reeks over de voor-westerse geschiedenis. Later vandaag een blogje over het landschap. In januari blog ik dan nog over het klimaat en de vegetatie. Op nu nog onbekende momenten komen dan de ontginningen, de herders, de zeeën en andere zaken aan bod.

Zo meteen meer. En een overzicht van stukjes die ik in deze reeks nog zal publiceren, staat hier. Dat lijstje zal nog groeien.

Deel dit:

6 gedachtes over “Voor-westerse geschiedenis (1): inleiding

  1. Ben Spaans

    Ik herinner mij Peer Vries, ‘killjoy’ type,,l docent methodologie etc. aan de geschiedenisfaculteit in Leiden, die bij het behandelen van Braudel opmerkte dat een Franse criticus iets zou hebben gezegd als ‘Braudel gaat om met structuralisme zoals een Fransman met zijn maîtresse’.
    De collegezaal begon maar te lachen, maar Peer Vries bedoelde het helemaal niet als kwinkslag of zo, het was eigenlijk onduidelijk, en Peer Vries zei ook maar droog ‘ik weet ook niet precies wat daarmee bedoelt wordt, praat er veel over (maîtresse) maar ziet haar weinig.’ Raar, wetenschappelijk onderwijs op niveau hoor…🤔

    Peer Vries merkte nog op dat Braudel Frankrijk’s machtigste historicus ooit was, bepaalde eindexamen programma’s en zo.

    De historicus Jonathan Israel is in ‘Nederland als het centrum van Wereldhandel 1585-1740’ (The Dutch primacy in World Trade) vrij genadeloos voor Braudel – al gaat het hier vooral om wat daarover in zijn reeks over het kapitalisme wordt gesteld.

    1. Ik denk dat het probleem is dat veel historici zich bezighouden met detailkwesties, en moeite hebben met twee dingen: (a) de grote context en (b) de kwaliteit van hun argumentatie.

      Over geesteswetenschappers die de hoofdlijnen in kaart brengen, en die onvermijdelijk steken laten vallen, wordt daardoor altijd ten onrechte lacherig gedaan. En van mensen die nadenken over hoe historische kennis feitelijk tot stand komt, wordt gezegd dat het te theoretisch is. Die laatsten vormen echter de enige grens tussen wetenschap en amateurisme, maar ze zijn in de jaren negentig, na de studieduurbekorting, vanuit de universiteiten zelf naar de marge gebracht. Van Chris Lorenz weet ik dat hij uit Leiden moest vertrekken met het argument (ik verzin dit niet) dat zijn leerstoel minder opbracht dan kostte.

      Daar ga je dan, met je pretentie nog een wetenschap te zijn. Dit was ook de tijd van diplomafraude. Want ja, elke afgestudeerde leverde geld op.

Reacties zijn gesloten.