MoM | Conflictarcheologie

De Canadese archeoloog Bruce Trigger heeft er eens op gewezen dat zijn vakgebied lange tijd geënt was gebleven op de negentiende-eeuwse geschiedschrijving, met dit verschil dat de “grote mannen” waren vervangen door archeologische culturen. Het focus op concurrentie en geweld was echter hetzelfde, en omdat zo in feite werd aangegeven dat oorlog van alle tijden was, bestond de mogelijkheid archeologie te gebruiken om oorlog te rechtvaardigen. Het was immers de normaalste zaak van de wereld. Dat was één reden waarom archeologen in de tweede helft van de twintigste eeuw aarzelden oorlog aan te voeren als verklaring voor culturele veranderingen, zelfs al wisten ze heus wel dat in alle voorindustriële samenlevingen oorlog de voornaamste vorm van kapitaaloverdracht was geweest.

Langzaam laten archeologen deze schroom echter varen en ontstaat een nieuwe geesteswetenschap, die we kunnen aanduiden als conflictarcheologie. De dynamiek zit bijvoorbeeld in een land als België, waar archeologen hebben kunnen vaststellen dat de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog niet altijd lagen op de plek waar ze volgens de officiële landkaarten lagen. De soldaten, zo was de conclusie, hadden geen idee waar ze waren.

Ook in Nederland groeit de belangstelling en dat levert inmiddels al een aardig boek op: Evert van Ginkel en Arjen Bosman publiceerden vorig jaar Opgegraven strijd. Archeologie van de oorlog. Aan het begin wijzen ze erop dat wij gezegend zijn door een lange periode van vrede. We hebben hier wel een leger, maar dat dient vooral ter handhaving van vrede en veiligheid in verre landen. Theoretisch weten we in Nederland wel wat oorlog is, maar we herkennen het niet als enorm belangrijk en de Tweede Wereldoorlog heeft hier zo’n hoge symboolwaarde gekregen omdat ze zo atypisch was. Maar:

de meeste Nederlanders zijn zich een stuk minder bewust van het feit dat hun voorouders tot twee eeuwen terug vrijwel voortdurend in staat van oorlog verkeerden. De Tachtigjarige Oorlog is bekend, maar wie weet nog iets over de honderden belegeringen en gevechten uit die tijd?

Twee opgravingen hebben de conflictarcheologie in Nederland helpen vormen. De eerste is Velsen, waar een Romeins slagveld is geïdentificeerd dat vrijwel zeker identiek is aan het door Tacitus vermelde fort Flevum. Het andere is Wassenaar, waar in 1987 een groepsgraf uit de Bronstijd werd gevonden met de resten van twaalf gewelddadig om het leven gebrachte mensen.

Archeologen leken zich plotseling te realiseren dat de prehistorische boer zijn tijd niet alleen doorbracht met vreedzaam vee hoeden, graan oogsten, voor nageslacht zorgen en potten bakken. ‘Geweld’ werd een factor waar meer op werd gelet.

Iets deftiger gezegd: de archeologen passen hun negatieve en positieve heuristieken aan. Zo ontstaat langzamerhand een nieuwe wetenschapsgebied, waarin voor de archeologie ongebruikelijke dingen gebeuren, zoals samenwerking met de Explosieven Opruimingsdienst en de overdracht van de resten van een Engelse soldaat die in 1799 niet ver van Callantsoog om het leven kwam. Een mooie ontdekking is de tajine (een aardewerken stoofpot) die even ten zuiden van Den Bosch is gevonden en de aanwezigheid documenteert van Marokkaanse tirailleurs die in mei 1940 in Noord-Brabant hebben gevochten tegen de Duitsers.

Dankzij talloze voorbeelden door alle eeuwen heen, vaak mooi gefotografeerd, is Opgegraven strijd een leuke kennismaking met dit nieuwe veld. Het doet bovendien uitzien naar een nadere kennismaking, want conflictarcheologie is ook belangrijk voor al bestaande specialismen. Daarmee bedoel ik niet dat de resultaten een correctie kunnen bieden op de traditionele, op geschreven bronnen en interviews gebaseerde krijgsgeschiedenis, al is dat óók het geval. Ik bedoel dat conflictarcheologie kan helpen de traditionele krijgsgeschiedenis in te bedden in een breder kader.

Als voorbeeld noem ik de strategie van het Byzantijnse Rijk. Toen ik daarover een tijdje geleden het boek van Luttwak las, viel me op dat hij de plaatsing van de diverse cavalerie- en infanterieforten niet gebruikte om tot conclusies te komen over de tactiek. We zouden hier echter een spatiële analyse (dus op macroschaal) en wapenvondsten (microschaal) hebben kunnen combineren om het kader te vormen waarbinnen de traditionele krijgsgeschiedenis haar plaats vindt. Conflictarcheologie heeft de potentie gescheiden geraakte onderzoeksgebieden samen te brengen. Niet alleen biedt conflictarcheologie zo nieuwe inzichten, ze kan ook de tot irrelevantie versplinterde geesteswetenschappen helpen samenkomen.

Er is nog een punt. Opgravingen documenteren traditioneel vooral de longue durée: de Brabantse opgraving waar ik zelf ooit werkte, strekte zich uit over een eeuw of drie en een aardewerkchronologie geldt als hoogstandje als ze tot op een kwart eeuw nauwkeurig is. Conflictarcheologie documenteert daarentegen le temps évènementiel. Een voorbeeld is Baecula in Andalusië, waar de Romeinse generaal Scipio in 208 v.Chr. Hasdrubals Karthaagse leger versloeg. Daar zijn diverse fasen te identificeren: de activiteiten vóór het eigenlijke gevecht, zoals de bouw van het Romeinse fort; de goed gedocumenteerde Romeinse opmars; het gevecht voor de Karthaagse basis; de inname van die versterking en de plundering daarvan. Je kunt dus inzoomen tot een detail dat archeologen zelden bereiken en dat conflictarcheologen dicht bij historici brengt. Zoals gezegd: conflictarcheologie heeft de potentie de versplintering van de wetenschap te helpen overwinnen.

Al kan het ook de andere kant opgaan, namelijk dat conflictarcheologie een nieuw subsubsubspecialisme wordt, beoefend door wetenschappers die zich niet bekreunen om wat collega’s twee bureaus verderop onderzoeken. Kortom, dit is een onderwerp dat interessant kan gaan worden, niet alleen om de resultaten maar ook door wat het kan beteken voor de wetenschap als geheel. Ik hoop dus op een vervolg op Opgegraven strijd, al was het maar omdat dit boek, dat behoorde bij een expositie in het Noord-Brabants Museum, niet meer leverbaar lijkt te zijn.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

9 gedachtes over “MoM | Conflictarcheologie

  1. De inmiddels afgelopen tentoonstelling Cold Cases in het Huis van Hilde in Castricum ging in wezen ook over conflictarcheologie (zie https://huisvanhilde.nl/tentoonstelling/cold-cases-speurwerk-archeologie/). Centraal stonden daar twee militaire operaties, waarvan sporen zijn teruggevonden: de slag bij Vronen uit 1297 en de al genoemde campagne van de Engelsen en Russen in Noord-Holland in 1799.

    De forensische archeologie laat bijvoorbeeld zien dat in de eerstgenoemde slag veel slachtoffers verwondingen hadden die van boven waren toegebracht. Met andere woorden, de daders vochten (of slachtten) terwijl ze te paard zaten. De gesneuvelde Bataven uit de Slag bij Castricum (waarvan de resten tentoongesteld waren) moeten dicht bij elkaar gestaan hebben en zijn begraven waar ze vielen. Aan de afgerukte arm van een van hen is af te leiden dat hier kartetsvuur zijn werk heeft gedaan. De tentoonstelling was vrij macaber, maar niettemin wetenschappelijk heel boeiend. Een model van de Engelse soldaat van Callantsoog staat meen ik in de vaste collectie van Hilde, naast een Russische collega.

  2. Roeland Heuff

    Het boek ‘Opgegraven strijd’ is nog te koop bij de archeologie- en geschiedenisboekhandel Spa-uitgevers in Zwolle.

  3. arjenbosman

    Het boek is ook te koop bij ondergetekende, die de hele voorraad na afloop van de tentoonstelling in Het Noordbrabants Museum heeft overgenomen. Neem bij belangstelling contact met me op via http://www.militarylegacy.nl waar email, telefoon en adres op vermeld staan.

    Het zal ook te koop liggen op het congres Strijdigheden 2, dat dit jaar op 25 mei a.s. in Saxion Hogeschool te Deventer gehouden zal worden. Bij dit congres, waar archeologie van (modern) oorlogserfgoed centraal zal staan, verschijnt een uitgebreide congresbundel. Inschrijven als deelnemer kan nog, zie http://www.strijdigheden.com

    1. Evert van Ginkel

      Die Marokkaanse vondsten, dat is een heel merkwaardig geval. De verklaring dat het een achtergelaten depot betreft van iemand uit het Franse leger (niet per se een militair van een koloniale eenheid) die het in de meidagen van 1940 daar heeft achtergelaten, is de tot nu toe beste verklaring maar ze is zeker niet absoluut, omdat ze door geen enkel ander gegeven worden bevestigd. Het zijn miniatuurversies van Marokkaans aardewerk die ik indertijd nergens heb kunnen terugvinden, ook geen enkele referentie aan een militaire context. Tot er iemand zich meldt met de mededeling; die spullen heb ik van vakantie meegenomen en daar begraven, zullen we het ermee moeten doen…
      Goed overzicht trouwens, die link die Ben Spaans doorgaf.

  4. Ben Spaans

    Droog-mag. noemt het oorlogskerhof bij Kapelle ook, maar zegt dat het hier om 23 personen van Noord-Afrikaanse (niet alleen Marokkaanse) herkomst gaat die voor het merendeel zijn verdronken na de Brits-Franse evacuatie uit Duinkerken en die zijn aangespoeld in Nederland. Droog-mag geeft de volledige namenlijst van de 23, onder het kopje Franse Koloniale Verliezen Nederland.

Reacties zijn gesloten.