In memoriam Simone Mooij-Valk (2)

Marcus Aurelius

[Vandaag twee jaar geleden overleed Simone Mooij-Valk. Voor het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2016/2017 mocht ik haar levensbericht schrijven. Het aardige van zo’n tekst is dat je, meer dan in een necrologie in een krant, ruimte hebt om iets over iemand te vertellen. Bij dezen een iets aangepaste digitale versie, waarvan het eerste deel hier is.]

Stoïcijnen en epicureeërs

Alle antieke Griekse en Latijnse literaire teksten bij elkaar, dat is ongeveer twee of drie boekenkasten vol. Iedereen zal daarin selecteren en Simone koos na haar pensioen niet voor de teksten die ze op school met haar leerlingen had gelezen. Haar eerste liefde was het Latijn en ze was voornemens Boëthius’ Vertroosting van de filosofie te gaan vertalen. Omdat net in die jaren echter een andere Nederlandstalige uitgave verscheen kwam dit plan te vervallen, maar nu viel haar oog op het Griekstalige werk van Marcus Aurelius, die van 161 tot 180 n.Chr. keizer was van het Romeinse Rijk. Ivo Gay, destijds directeur van uitgeverij Ambo, wilde haar vertaling graag uitgeven en nadien verschoof haar belangstelling steeds verder naar ander Griekse proza uit de Romeinse keizertijd. ‘De tweede eeuw’, zou ze later zeggen, ‘dat is mijn eeuw.’

Lees verder “In memoriam Simone Mooij-Valk (2)”

In memoriam Simone Mooij-Valk (1)

Simone Mooij-Valk

[Vandaag twee jaar geleden overleed Simone Mooij-Valk. Voor het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2016/2017 mocht ik haar levensbericht schrijven. Het aardige van zo’n tekst is dat je, meer dan in een necrologie in een krant, ruimte hebt om iets over iemand te vertellen. Bij dezen een iets aangepaste digitale versie.]

Het was een mooie zomeravond en we waren in Rome, in de villa van de Renaissance-kardinaal Bessarion. Stoere stenen muren, een geur van mediterrane kruiden en een elegante portico, waar kaarsen brandden. ‘Je zou op zo’n veranda willen zitten,’ grapte Simone, ‘en dan een gesprek voeren over de onsterfelijkheid van de ziel.’

Het was Simone Mooij-Valk ten voeten uit. Ze kon de klassieke literatuur – in dit geval een stereotype scène uit de filosofische dialogen – relativeren met een grapje, maar die klassieke literatuur was wel voortdurend aanwezig in haar leven. Grieks en Latijn waren voor haar niet slechts twee talen die zo ooit had gestudeerd. Evenmin vormden ze alleen het schoolvak dat ze op het Groningse Praedinius Gymnasium doceerde. De klassieken waren iets dat haar leven vormde, dat ze voorleefde en dat ze met een kwinkslag in perspectief kon zetten. Een relativering die voortkwam uit een enorme kennis, gebaseerd op driekwart eeuw ervaring.

Lees verder “In memoriam Simone Mooij-Valk (1)”

Domweg gelukkig

Doopsgezinde kerk, Leeuwarden

Zoals de trouwe lezers van deze blog zich wellicht herinneren, heb ik de afgelopen zomer in Harlingen gewoond en in Leeuwarden gewerkt. Ik was er sindsdien niet echt meer geweest maar woensdagavond verzorgde ik er bij de Doopsgezinde Gemeente een lezing over mijn boek Israël verdeeld.

Dat doe ik wel vaker: veel gemeentes en parochies hebben toerustingscursussen of leerhuizen. Het is altijd fijn daar te spreken. De vragen zijn ook altijd prettig en ik kom altijd thuis met ideeën die ik niet eerder heb gehad. Het aardige van het woord “leren” is dat het kan betekenen dat de docent iets leert aan de mensen, maar dat het ook kan betekenen dat hij iets leert van de mensen.

Lees verder “Domweg gelukkig”

Rotterdam CS

Stoplichten zijn wellicht zinvol om na een aanrijding te bepalen wie opdraait voor de schade, maar voor het overige heb ik er nog weinig nuttigs aan kunnen ontdekken. Ik trek me er dan ook niet zoveel van aan en verraste mezelf toen ik in Rotterdam, hoewel ik toch een trein te halen had, zomaar bleef staan toen een voetgangerslicht op rood sprong. De naderende tram was nog een eind weg, bedacht ik verbaasd, er was geen ander verkeer, ik kon royaal oversteken – en toch bleef ik stilstaan. Waarom?

Pas toen realiseerde ik me dat het stationsplein zo mooi is. Het rode stoplicht was de aanleiding geweest die ik nodig had gehad om het even op me te laten inwerken.

Lees verder “Rotterdam CS”

Zo’n dag waarop het geluk je toelacht (2)

Dat u het maar weet: ze halen bier gewoon uit een beekje.

Ik had u achtergelaten langs de weg vanuit Tervuren naar het oosten, op een kasseienweg. Zonder dat er werkelijk veel spectaculairs viel te zien, was het landschap absoluut prachtig. Ik reed dwars door de glooiende velden, met een lichte wind in de rug, op een stralend zonnige dag maar zonder dat het al te warm was. Wat wil een mens nog meer?

Bij Loonbeek dook ik een dal in, zodat ik meteen weer een stevige helling op moest, maar daarna wachtte een stuk asfaltweg waarop ik probleemloos naar Sint-Joris-Weert reed. (Heerlijke plaatsnaam overigens, Vlaamser kan het nauwelijks.) Er was daar een spoorwegviaduct dat me trof als het soort industriële monument waar ik erg van houd. Via Nethen reed ik door een beekdal verder naar Hamme en ik kon alleen maar denken dat het mooi was.

Op weg van Nethen naar Hamme

Na Deurne wilde ik verder naar Bevekom maar ik zag alleen bordjes naar Beauvechain en het duurde even voordat het muntje bij me viel. Ik deed wat inkopen – een mens kan niet zonder cola – en fietste verder over de Rue des Anges, waarna ik op de meest horribele kasseienstrook kwam die ik van mijn leven heb meegemaakt. Maar wat was het hier mooi!

Ik had eigenlijk via Hoegaarden en Neerwinden naar Landen willen gaan, maar het begon inmiddels laat te worden. Van een bezoek aan Hasselt of het museum in Tongeren kon sowieso al geen sprake meer zijn, maar als ik Maastricht nog wilde bereiken voor de laatste trein zou vertrekken, moest ik zo zoetjesaan voort gaan maken. Via Honsem, Willebringen peddelde ik naar Kumtich, waar ik op de grote weg naar Tienen kwam. Hier kon ik tempo maken.

Tienen oogde leuk en ik was er graag wat langer gebleven, maar ik besloot toch verder te gaan. De cola deed zijn werk: in drie kwartier reed ik over de kaarsrechte steenweg naar Sint-Truiden. Ik ben geen wielrenner, maar ik vind het fijn om in cadans te rijden en hier kon ik gewoon lekker doortrappen. Het spreekwoordelijke “blik op oneindig, verstand op nul”. Wat overigens het heerlijke bijeffect heeft dat je gedachten alle kanten op springen en je het ene leuke idee na het andere hebt, zodat ik in Sint-Truiden nogal wat had in te spreken op mijn voice-recorder.

Opnieuw een leuke stad, waar ik nog eens terug wil komen, maar ik besloot toch verder te gaan. Het stuk naar Tongeren was wat lastiger. Drie vervelende klimmen haalden het ritme eruit, maar een goed uur later was ik er toch. Het was inmiddels donker. Fietsen is dan anders, maar gek genoeg overvalt me op zulke momenten, zelfs als ik langs een drukke weg rijd en regelmatig last ondervind van de te heldere koplampen van tegemoetkomende auto’s, een enorm gevoel van sereniteit.

Tongeren

Ik dacht dat het nog dertig kilometer was naar Maastricht en dat vond ik eigenlijk teveel, dus ik overwoog een hotel te nemen, maar het bleek maar twintig kilometer, wat ik weer wel aanvaardbaar vond. De klim uit Tongeren viel me zelfs reuze mee.

Ik had even willen neerstrijken bij een frietkot ter hoogte van Genoelselderen waaraan ik goede herinneringen had, maar het bleek onvindbaar. Het bordje “Genoelselderen” dat ik graag had gefotografeerd om naar mijn zakenpartner te appen, zag ik in het donker ook niet. (Twee weken geleden kon ik hem “Aalst” sturen en als u het grapje niet snapt, moet u die twee plaatsnamen maar even googelen. In Peutie kom ik nog weleens, Zwevezele ligt wat uit de richting.)

Enfin. Het werd koud en bij de brug over het Albertkanaal trok ik mijn jas weer aan. Ik rolde Maastricht binnen en realiseerde me wat de dag zo heerlijk had gemaakt: dat ik in België vrijwel nergens de verkeersdrempels had gezien die in Nederland bij werkelijk iedere zijstraat overbodig lijken te liggen zijn. Ik overwoog nog even een vriend te bellen of ik langs kon komen, maar het was eigenlijk al wat te laat, dus ik reed naar het station, kocht sushi en sinaasappelsap, zocht een plek in de trein naar Amsterdam, deed mijn oordoppen in en zette mijn koptelefoon erover heen, en verdiepte me in een boeiend boek.

Je bent achttien uur de stad uit en als je thuis bent, denk je dat je een week op vakantie bent geweest. Ik zal al met al een kleine 120 kilometer hebben gefietst. Het had niet veel meer moeten zijn, maar dit was precies binnen de grenzen van wat ik aankon zonder me te forceren. Heerlijk, zo’n dag waarop het geluk je toelacht in alle gedaanten: een aardige conducteur, zon, een boeiend museum, een mooi landschap, charmante stadjes, verkeersdrempelloze wegen en een fijn boek.

Zo’n dag waarop het geluk je toelacht (1)

Belgen zijn niet twee- maar drietalig

Het AfrikamuseumAfrikamuseum in Tervuren (ten oosten van Brussel) is heropend en ik had tegenstrijdige verhalen gehoord over de wijze waarop het museum nu zou omgaan met de welbeschouwd nogal koloniale collectie en het al even koloniale gebouw. Aan de ene kant waren mensen die vonden dat een wel heel diepe buiging was gemaakt naar politiek-correct denken, aan de andere kant oordeelde een anti-racisme-werkgroep van de VN dat het museum niet ver genoeg was gegaan. Alle reden om eens een kijkje te nemen.

Het plan was daarna naar het oosten te fietsen. Met wat geluk kon ik in Tongeren nog even naar de Stonehenge-expositie of even langs bij een kennis in Hasselt, met wie ik al weken probeer een afspraak te maken en wiens nummer ik netjes in mijn telefoon had geprogrammeerd voor het geval het inderdaad mocht lukken. Alles zou staan of vallen met een vroege aankomst in Brussel. En dus stond of viel alles met een vroeg vertrek uit Amsterdam. En dus ging de wekker al om kwart voor zes en dus kocht ik slaperig – me licht ergerend aan het luide gesprek bij de kaartjesautomaat naast me – een kaartje voor mijzelf en een kaartje voor mijn fiets, checkte in, plaatste mijn fiets in het daarvoor bestemde compartiment en plofte neer in een verder lege coupé.

Lees verder “Zo’n dag waarop het geluk je toelacht (1)”

Samen eenzaam

U heeft het allemaal weleens gezien: twee mensen, duidelijk een stelletje, die in een restaurant tegenover elkaar zitten en geen gesprek voeren, maar allebei kijken naar hun telefoon. Ik vraag me altijd af hoe het kan dat mensen echt niets meer tegen elkaar te zeggen hebben, zelfs niet op een feestelijk moment – wat dineren in een restaurant toch behoort te zijn.  Ik word daar verdrietig van.

Maar het kan verdrietiger. Vanavond moest ik zijn in het stadje D. en ik streek even neer om een kommetje soep te eten. Iets later kwam aan de volgende tafel een stelletje zitten. Hij plaatste zijn telefoon tegen de kamerplant op tafel en zette een TV-programma aan. Daar keken ze naar, zonder een woord te wisselen. Uitgepraat, zo te zien. Hoe ver, vroeg ik me af, zouden ze nog verwijderd zijn van de echtscheiding?

Lees verder “Samen eenzaam”