De ongrijpbare David Bowie

In een wat overmoedige bui kocht ik Bowie. De getekende biografie, van Michael Allred en Steve Horton, ingekleurd door Laura Allred. Als de kop die ik dit stukje meegeef de indruk wekt dat het drietal Bowie presenteert als ongrijpbaar genie dat zijn fans steeds een stap vóór was, dan vrees ik dat ik u moet teleurstellen. Ze hebben überhaupt geen grip. Misschien is dat een compliment aan Bowie, dat hij zelfs na zijn dood iedereen te slim af is, maar uiteindelijk is dit boek geen bevredigende lectuur.

Vertaling

Het komt misschien ook doordat ik in mijn haast de Nederlandse vertaling had gekocht. Die is op zich prima – laat daarover geen misverstand bestaan – maar schept ook afstand tot een wereld die u nu eenmaal kent in het Engels. U moet op Mars hebben geleefd als u niet weet hoe de woorden

Van alle shows die we tot nu toe hebben gespeeld zal deze ons het langste bijblijven omdat het niet alleen de laatste van de tour is…

eigenlijk hebben geklonken en als u niet weet wat erop volgde. P. Moretti laat die oplawaai gelukkig onvertaald, maar in feite is het omzetten in het Nederlands, hoe respectabel ook, een obstakel. U kent Bowie, u kent zijn universum, u kent het in het Engels.

Geen biografie maar een kroniek

Zou ik Bowie. De getekende biografie in het Engels hebben gelezen, dan was Bowie. Stardust. Rayguns & Moonage Daydreams me vermoedelijk ook tegengevallen. Het is namelijk niet de biografie de het voorgeeft te zijn. Het is een kroniek. Het boek begint op het moment dat Bowie een einde maakt aan Ziggy Stardust, waarna als een flashback de carrière van 1962 tot 1973 wordt doorgenomen, met een epiloog tot ’s mans dood in 2016. Er gebeurt veel en het staat keurig netjes vermeld, vaak met de datum erbij. Op 17 oktober 1972 dronk David Bowie in het Beverly Hills Hotel thee met Elton John.

Vaak commentaar erbij. Op 17 juni 1972 (overigens de dag waarop ook in Washington iets opmerkelijks gebeurde) fotografeerde Mick Rock hoe David Bowie tijdens een concert in Oxford bij de finale van Suffragette City met z’n tanden gitaar speelde op de gitaar van Mick Ronson en dat is een van de meest iconische beelden geworden uit de rockgeschiedenis. De beroemde foto is keurig nagetekend. Op 19 juni molde Bowies eenjarige zoon de platencollectie van zijn vader. Op 25 juni speelde Roxy Music in het voorprogramma van Bowies optreden in Surrey en ontmoette Bowie Brian Eno. Feit op feit op feit.

Prachtige tekeningen

Zo’n opsomming is op zich nuttig en de tekeningen zijn geweldig mooi. Zeker de portretten zijn raak en het is natuurlijk een boeiende troupe: Freddy Mercury, Mott the Hoople, Lou Reed, Marc Bolan, Iggy Pop, Christopher Lee, Alice Cooper, Ringo Starr en natuurlijk Angela Bowie. Personage na personage na personage.

U voelt het probleem al: Allred en Horton hebben geen keuzes gemaakt. Nou vooruit, ze hebben ervoor gekozen Bowies drugsgebruik te verzwijgen, maar verder is alles aanwezig. David Bowie als acteur? Zit erin. David Bowie als producent? Zit erin. Bowies gevoel voor mode? Zit er in. Het hippe Londen rond 1970? Verwerkt. Speelfilm? Check. Beelden van de eerste maanlanding? Natuurlijk. David Bowie als icoon van homo-emancipatie? Vink maar af. Obligate nagetekende krantenkoppen? Uiteraard. Feit op feit, personage na personage: het is er allemaal.

Hamlet zonder prins

Het enige wat er niet in zit, is David Jones zelf. Hij wordt geen moment een rond karakter. Misschien is het omdat hij zelf voortdurend van rol wisselde, rollen die hij nodig had om de rock & roll te scheiden van zijn echte zelf. Allred en Horton geven het eenmaal aan, maar het blijkt nergens uit het verhaal.

Wellicht hebben ze de verkeerde periode centraal gesteld en was de spanning tussen Jones’ eigen identiteit en zijn publieke persona beter tot haar recht gekomen als ze de late jaren zeventig centraal hadden gesteld, toen Bowie worstelde met de cocaïne, naar Berlijn vluchtte om eraan te ontkomen, scheidde van Angie en (helaas) zichzelf uitvond als de disco-parodie van Let’s Dance. Ik vermoed dat die jaren geschikter waren voor biografen die willen benadrukken waarom Bowie zijn Ziggy’s Stardust, zijn Halloween Jacks, zijn Thin White Dukes, zijn Pierrots en Blind Prophets zo nodig had.

Wat Allred en Horton nu bieden, is een beschrijving van buitenaf: een opsomming van losse, onverbonden gebeurtenissen. Het is prachtig getekend; dáárvoor moet u het boek zeker lezen. Ze hebben echter geen grip op de stof gekregen, de man blijft ongrijpbaar, onkenbaar – in feite de alien die David Bowie speelde. En hoewel hij daar dus aanleiding toe heeft gegeven, denk ik dat dit toch ook het falen is van de biografen.

David Bowie

Ik zocht vanmiddag iets anders maar vond dit. Jaren niet op gehad. Nu klonk het ineens weer zoals ik het ooit voor het eerst hoorde. De wonderlijk hypnotiserende dreun. De onvermijdelijkheid. Het optimisme tegen de klippen op. Voor een moment was ik weer zestien, woonde ik bij mijn ouders in Apeldoorn, was ik nog nooit in Berlijn geweest en had ik alleen maar een mooi stuk vinyl gehaald uit de fonotheek in Deventer.

En vanmiddag was ik weer overdonderd, weggevaagd.

Bowie, Sense of Doubt

Apeldoorn, een zondagmiddag, misschien in 1980. We zijn met een groep jongens en meisjes ergens heen geweest en komen terug in het zaaltje waarvandaan we zijn vertrokken. Iemand heeft de gordijnen dicht gedaan en de muziek aangezet. In het donker staan een paar oudere jongens roerloos te luisteren naar de meest deprimerende muziek die ik ooit heb gehoord.

Ik ben overweldigd. Dit is iets anders dan de hitparademuziek van die tijd. David Bowies “Sense of Doubt” raakt iets in me. Ik denk niet dat ook ik roerloos stil heb staan luisteren, want ik herkende hoe theatraal dat was, maar tot op de dag van vandaag kan ik de schok van die middag herbeleven. Later die week fiets ik naar Deventer, waar de openbare bibliotheek grammofoonplaten uitleent, en waar ik Heroes haal.

Lees verder “Bowie, Sense of Doubt”

Het Berlijngevoel

berlijn
Berlijn 1989

De foto hierboven was vergeeld en al beschadigd toen ik haar inscande. Het geeft niet dat het geen goede foto is, want het moment zelf staat me scherp voor de geest. Het was januari 1989, een kwart eeuw geleden. Een groep jonge mensen, vrijwel alleen en eigenlijk wat doelloos, in Berlijn, bij de Muur. En het is koud.

Er bestond tijdens de Koude Oorlog een bepaald “Berlijngevoel”. Het is moeilijk te definiëren, maar ik kan het aanwijzen. Het was het cynisme van The Spy Who Came in from the Cold, waarin alle menselijke waarden ondergeschikt waren gemaakt aan het politieke spel. Het was M. Het was de LP Berlin van Lou Reed, over al het verschrikkelijke wat mensen elkaar kunnen aandoen.

Lees verder “Het Berlijngevoel”

Aristoteles over David Bowie

Aristoteles (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Eén van de meest antieke ideeën waar ik de meeste moeite mee heb, is Aristoteles‘ axioma dat dingen een natuurlijke vorm zouden hebben. Als dat betekent dat een eikel kan uitgroeien tot een eik, heb ik er geen moeite mee, maar het wordt lastiger als de filosoof in de Poetica de toneelstukken van zijn eigen tijd beschouwt als datgene wat altijd de bedoeling is geweest, en de grote tragici van de vijfde eeuw typeert als niets meer dan stappen in de richting van wat het altijd al had moeten zijn.

Voor het moderne gevoel is de vorm van het toneel een afgeleide van de inhoud. Heb je een plot die met twee acteurs kan, dan neem je er twee, zoals in Heijermans’ Brand in de Jongejan; heb je er vier nodig, zoals Sofokles in Oidipous in Kolonos, dan neem je er vier. Er bestaat geen natuurlijke eis dat het er drie zouden moeten zijn.

Lees verder “Aristoteles over David Bowie”