Bowie, Sense of Doubt

Apeldoorn, een zondagmiddag, misschien in 1980. We zijn met een groep jongens en meisjes ergens heen geweest en komen terug in het zaaltje waarvandaan we zijn vertrokken. Iemand heeft de gordijnen dicht gedaan en de muziek aangezet. In het donker staan een paar oudere jongens roerloos te luisteren naar de meest deprimerende muziek die ik ooit heb gehoord.

Ik ben overweldigd. Dit is iets anders dan de hitparademuziek van die tijd. David Bowies “Sense of Doubt” raakt iets in me. Ik denk niet dat ook ik roerloos stil heb staan luisteren, want ik herkende hoe theatraal dat was, maar tot op de dag van vandaag kan ik de schok van die middag herbeleven. Later die week fiets ik naar Deventer, waar de openbare bibliotheek grammofoonplaten uitleent, en waar ik Heroes haal.

Lees verder “Bowie, Sense of Doubt”

Aristoteles over David Bowie

Aristoteles (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Eén van de meest antieke ideeën waar ik de meeste moeite mee heb, is Aristoteles‘ axioma dat dingen een natuurlijke vorm zouden hebben. Als dat betekent dat een eikel kan uitgroeien tot een eik, heb ik er geen moeite mee, maar het wordt lastiger als de filosoof in de Poetica de toneelstukken van zijn eigen tijd beschouwt als datgene wat altijd de bedoeling is geweest, en de grote tragici van de vijfde eeuw typeert als niets meer dan stappen in de richting van wat het altijd al had moeten zijn.

Voor het moderne gevoel is de vorm van het toneel een afgeleide van de inhoud. Heb je een plot die met twee acteurs kan, dan neem je er twee, zoals in Heijermans’ Brand in de Jongejan; heb je er vier nodig, zoals Sofokles in Oidipous in Kolonos, dan neem je er vier. Er bestaat geen natuurlijke eis dat het er drie zouden moeten zijn.

Lees verder “Aristoteles over David Bowie”