Het Jaar 1000 (1): Politiek

Otto III, keizer in het jaar 1000; links van hem Gerbert van Aurillac

De grenzen van de Oudheid zijn niet arbitrair en liggen bij pakweg 3000 v.Chr. en 650 na Chr. Tussen die twee data bestonden ruwweg vergelijkbare economische en sociaal-culturele structuren. Daarvóór beschikken we over alleen archeologische data, in de Oudheid hebben we daarnaast ook geschreven informatie maar nog altijd te weinig, en na 650 na Chr. krijgen we eindelijk redelijk wat geschreven informatie. In West-Europa bereiken we dat punt van voldoende geschreven informatie pas later, ergens rond het jaar 1000. Op de ene plek in Europa wat vroeger, op de andere wat later, maar de Oudheid was definitief voorbij.

Alle reden om nog eens naar dat roemruchte an mil te kijken, zeker nu het Rijksmuseum van Oudheden over dat onderwerp een expositie organiseert die op vrijdag 13 oktober begint. Die gaat vooral over Nederland. Ik wilde nog eens kijken naar West-Europa in zijn geheel. Hoe zat het ook alweer met de Volle Middeleeuwen? Waarom is het culturele leven van de Late Middeleeuwen zo anders dan in de Vroege Middeleeuwen / Late Oudheid? De transitie is interessant, maar ik heb er al jaren niet meer naar omgezien. Kortom, tijd voor een aantal blogjes. Bloggen is immers heerlijk om je geheugen op te frissen.

Lees verder “Het Jaar 1000 (1): Politiek”

Het graf van Karel de Grote

Proserpina-sarcofaag (Aachener Domschatzkammer)

Ik heb de laatste week in Gemmenich zitten werken aan mijn boek over de wedloop tussen wetenschappers en papyrusvervalsers, Bedrieglijk echt. Zoals u hebt gemerkt ben ik ook naar Luik en naar Tongeren geweest en ik kan toevoegen dat ik voor boodschappen naar Vaals ging, per fiets de beruchte noordwand beklimmend van de Vaalserberg. Ook het Drielandenpunt en Aken heb ik bezocht, en in die laatste stad fotografeerde ik bovenstaande sarcofaag. Die dateert uit het eerste kwart van de derde eeuw na Chr. en is stilistisch verwant met de Marathonsarcofaag in Brescia die ik al eens eerder beschreef.

Wat u ziet is de schaking van Proserpina. De dodengod Pluto neemt het meisje tegen haar zin in mee naar de Onderwereld. Dat gebeurt blijkbaar met goedkeuring van de goden, want Amor wijst de weg, Mercurius leidt de wagen, Minerva duwt het meisje in Pluto’s armen, een zwevende Venus houdt de wagen tegen waarmee Proserpina’s moeder Ceres de achtervolging wil inzetten. De mythe, waarvan ik niet zal beweren dat ze smaakvol is, eindigt ermee dat Proserpina uiteindelijk terugkeert naar de bovenwereld, en in de zin dat de dood niet het laatste woord heeft, kon dit verhaal een christelijke uitleg krijgen en was de sarcofaag voor middeleeuws hergebruik toepasbaar.

Lees verder “Het graf van Karel de Grote”

Notger van Luik

Evangeliarium van Notger van Luik (Grand Curtius Museum, Luik)

“Luik, je hebt Christus te bedanken voor Notger,” schrijft Notgers anonieme biograaf, “en je hebt Notger te bedanken voor al het overige.” Daarmee zei de auteur van de Vita Notgeri geen woord teveel. Keizer Otto I had de monnik uit Sankt Gallen in 971 benoemd tot bisschop van Luik en hoewel deze zijn keizer en daarna diens opvolger Otto II, vervolgens regentes Theophanu en tot slot de jonge Otto III altijd loyaal heeft gediend, was hij niet blind voor de belangen van zijn bisdom. In de jaren na de dood van Otto II steunde hij Theophanu door dik en dun, maar wat hij voor haar veroverde, voegde hij vaak toe aan zijn eigen gebieden, zoals Hoei en een deel van de Haspengouw. Hiermee werd hij de grondlegger van wat later het prinsbisdom Luik zou zijn. In zijn hoofdstad bouwde hij diverse kerken, een paleis en een omwalling.

De man was creatief. Een mooi verhaal – ik sta niet in voor de betrouwbaarheid – is dat over de belegering van het bergfort Chèvremont (bij Chaudfontaine), waar hij zijn tegenstanders een gevechtspauze toestond in verband met een bevalling. De volgende dag vroegen die tegenstanders hem of hij dan de doop wilde komen verzorgen, want ze erkenden weliswaar zijn wereldlijke gezag niet, maar hij was wel de hoogste aanwezige geestelijke. Notker stemde in en toog naar de burcht met een grote groep monniken, die bij nader inzien soldaten bleken te zijn, waarmee hij het garnizoen al snel had overmeesterd.

Lees verder “Notger van Luik”

De zeven keurvorsten

De zeven keurvorsten op het Grashaus in Aken

Het was niet mijn planning afgelopen woensdag naar Heerlen te gaan, maar ik had voor mijn werk onverwacht foto’s nodig en daarvoor moest ik naar het Thermenmuseum. Ik had een fiets bij me en omdat je die niet tussen 16 en 18 uur mag meenemen in de trein, kon ik niet meer snel naar Amsterdam terug. Ik kon dus net zo goed een eind gaan fietsen en zo spoelde ik aan in Aken.

Vlakbij de Dom (met de graven van Karel de Grote en Otto III) staat het zogenaamde Grashaus, het oudste raadhuis van wat in feite de eerste hoofdstad van Duitsland is geweest. Het is althans waar ooit de vorsten werden gekroond en hun opwachting maakten. Op de gevel van het Grashaus zijn de oudste afbeeldingen te zien van de zeven Keurvorsten: de aartsbisschoppen van Trier, Keulen en Mainz, de koning van Bohemen, de hertog van Saksen, de markgraaf van Brandenburg en de paltsgraaf van het Rijnland. Dit zevental diende, als de koning overleed, een nieuwe heerser te kiezen, die dan later naar Rome ging om ook de keizerkroon te bemachtigen. U ziet hierboven links de drie geestelijke vorsten (met bisschopsstaf), middenin de koning (met de Heilige Lans), en rechts de drie andere wereldlijke vorsten (met zwaarden).

Lees verder “De zeven keurvorsten”