Hoe hoort het eigenlijk?

Klearchos’ insciptie in Ai Khanum

Soms formuleert iemand iets zó geniaal, dat je niet herkent dat het onzin is. Neem de christelijke auteur Tertullianus, die zich retorisch afvroeg wat Athene van doen had met Jeruzalem, ja, wat de Academie van Plato van doen had met de kerk van Christus. Anders gezegd: wat hadden christenen te maken met de algemene cultuur van de Mediterrane wereld?noot Tertullianus, Voorschriften voor de omgang met andersdenkenden 7.

Die veelgeciteerde uitspraak heeft de verhoudingen danig op scherp gezet. Het ontbreekt niet aan moderne publicaties die benadrukken hoe verschrikkelijk revolutionair het christendom wel niet is geweest. Soms presenteren ze het nieuwe geloof als iets prachtigs, terwijl andere auteurs de gelovigen de totale barbarij in de schoenen schuiven. In beide gevallen neemt men een tegenstelling aan die helemaal niet heeft bestaan. Je hoeft geen diepgaande studie gemaakt te hebben van de grote negentiende-eeuwse geleerden om te weten dat ze om de haverklap zeiden dat een nieuw idee alleen valt te verwoorden in termen van bestaande ideeën. Wat het christendom bracht aan vernieuwing, moet gewoon verankerd zijn geweest in de gewone Mediterrane cultuur. Tertullianus overdreef.

Lees verder “Hoe hoort het eigenlijk?”

De zeven regels van Johann Jakob Wettstein

De Rode Hoed: de remonstrantse schuilkerk waar Wettstein in Amsterdam voorging

Hermeneutiek of hermeneuse is, met een woord van Friedrich Schleiermacher (1768-1834), de kunst om elkaar te begrijpen. En Schleiermacher kon het weten, want hij was degene die er een algemene kunde van maakte, toepasbaar op klassieke teksten, op de Bijbel, op juridische literatuur en alle andere teksten uit het verre verleden. Daarvan zijn we door een nare, brede kloof gescheiden. Teksten laten zich daarom nooit zomaar naïef lezen. Ze veronderstellen een ander wereldbeeld en komen daarom vaak vreemd op ons over.

Heen en weer

Schleiermachers hermeneutiek veronderstelt een heen-en-weer-gang tussen deel en geheel. Ik schreef er ooit dit over:

Een oudheidkundige treedt in dialoog met de teksten, om zo te komen tot begrip van de auteur. Daarbij neemt hij zijn eigen ideeën mee. Zo verwacht degene die begint te lezen in een bundel epigrammen van de Latijnse dichter Martialis, dat de gedichtjes zullen gaan over seks, al was het maar omdat geen uitgever dit op de achterflap onvermeld laat. Al heel snel krijgt de lezer echter door dat zich tussen de erotische poëzie ook allesbehalve erotische teksten bevinden, zoals het ontroerende grafschrift van Erotion. Met een beeld van Martialis’ dichtkunst als geheel, verbeterd door te kijken naar de individuele gedichten, sluit de lezer het boek. Hij heeft een van zijn eigen ideeën afgeleerd. Wanneer hij besluit Martialis opnieuw te lezen, heeft hij al een beter beeld van wat hij mag verwachten en stuit hij op nieuwe details die het al verfijnde beeld verder verfijnen. Dit proces van steeds verdere aanpassing wordt aangeduid als de “hermeneutische cyclus”.

Lees verder “De zeven regels van Johann Jakob Wettstein”

Droysen

Droysen (ets van Hugo Bürkner)

De bestudering van het verleden lijkt wat op een pakhuis waarin van alles en nog wat ligt, Kreuz und Quer door elkaar. De een is historicus en zoekt in deze stellingenkast, de ander is archeoloog en pakt even verderop iets van het schap, de derde is classicus of socioloog en vraagt naar weer andere dingen. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Is er overzicht, systeem, structuur?

In mijn ervaring beschouwen veel onderzoekers de versplintering van de humaniora als gegeven. Het stoort me altijd een beetje, vooral als ze zonder nadere argumentatie zeggen dat het “nou eenmaal” zo is. Soms noemen ze de geesteswetenschappen “polyparadigmatisch”, wat minder sleazy klinkt maar op hetzelfde neerkomt.

Misschien is de versplintering inderdaad onvermijdelijk en moeten we niet langer hopen dat er in het pakhuis ooit orde zal zijn. Toch voel ik sympathie voor een Johann Gustav Droysen (1808-1884), die anderhalve eeuw geleden, in 1868, een Grundriss der Historik publiceerde waarin hij wat structuur aanbracht. Het was ook toen een geïdealiseerd overzicht, maar het maakt wel duidelijk hoe het proces van kennisverwerving zou kunnen verlopen en in die zin is het nog altijd nuttig. Eerstejaarsstudenten nemen er daarom nog weleens kennis van, meestal in uittrekselvorm.

Lees verder “Droysen”