Historische verklaringen

Kleio, de muze van de geschiedwetenschap (Prado, Madrid)

Een tijdje geleden gaf iemand me een boek dat op het gymnasium werd gebruikt als de leerlingen de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius leren vertalen. Het verbaasde, ja ergerde me dat de auteurs van dit schoolboek de geschiedwetenschap typeerden als het beschrijven van de gebeurtenissen uit het verleden. Dat is natuurlijk onzinnig gezever. Historici proberen de gebeurtenissen uit het verleden te voorzien van een verklaring. Anders gezegd: de auteurs verwarden de wetenschap met haar voorbereiding.

Positivisme, hermeneutiek en meer

Een verklaring is per definitie het leggen van verbanden tussen gegevens, en historici hebben daarvoor vijf methoden. Ze duiden die aan als verklaringsmodellen. Het eerste is het wetmatige verklaringsmodel, dat de geschiedwetenschap deelt met bijvoorbeeld de natuurwetenschap en de taalkunde. Het wordt ook wel aangeduid als positivisme en komt erop neer dat de verbanden die je beschrijft, een wetmatig karakter hebben, waardoor je oorzaken kunt aanwijzen. De historische demografie is een mooi voorbeeld.

Lees verder “Historische verklaringen”

Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie

Vergelijkingstheorie helpt vaststellen wat deze vier koningen vergelijkbaar maakt.

Vandaag een blogje over een probleem waarmee de oudheidkundige disciplines kampen: de onvoldoende uitgewerkte vergelijkingstheorie. Vóór ik daarop inga, eerst even terug naar vorige week. Toen schreef ik over het historisme: het denkbeeld dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft. Dit maakt het op het eerste gezicht onmogelijk wetmatige verbanden aan te wijzen. Ik schreef:

Unieke evenementen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar lieten zich inspireren door de tekstuitleg, en dan vooral door de psychologiserende hermeneutiek.

Anders geformuleerd, oudheidkundigen probeerden het verleden te verklaren door zich in te leven (ein zu fühlen) in de individuele actoren, wat hand in hand ging met een voorkeur voor grotemannengeschiedenis. Het focus op het individu betekende dat er geen vruchtbare samenwerking kon ontstaan met de in de negentiende eeuw groeiende sociale wetenschappen, die immers zochten naar algemeen-menselijke patronen.

Lees verder “Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie”

Historisme en grotemannengeschiedenis

Sommige oudheidkundigen willen de grotemannengeschiedenis almaar niet achter zich laten.

Het lijkt een tautologie: we zijn wie we zijn geworden. Desondanks is het geen zinledige bewering. Wie we zijn, hangt immers af van gemaakte keuzes. Omdat die ook anders hadden kunnen uitvallen, zijn “wat als?”-vragen, zelfs al zijn ze zelden echt te beantwoorden, zo fascinerend en belangrijk. Het zijn, curieus geformuleerd, de vragen naar het waarom van ons hoe. Zulke vragen zijn vaak verondersteld als we betekenis toekennen aan het verleden. Toen ik vorige week aangaf dat de Siciliaanse Vespers betekenden dat kalief Qalawun de laatste burchten van de Kruisvaarders kon veroveren, veronderstelde ik dat het ook anders had kunnen lopen.

Historisme

In de negentiende eeuw waren veel historici ervan overtuigd dat alles en iedereen een eigen, unieke karakter had, bepaald door een al even unieke reeks voorafgaande gebeurtenissen. Hierdoor waren alle mensen en alle volken, staten, klassen, rangen en standen anders. Je kon ze, zo vonden de historici, daarom pas echt kennen als je hun ontstaansgeschiedenis kende. Dat alle gebeurtenissen en alle mensen een onvergelijkbaar, door hun geschiedenis bepaald karakter hadden, is één van de betekenissen van het woord “historisme”.

Lees verder “Historisme en grotemannengeschiedenis”

Archeologie als sociale wetenschap

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

Dit stukje gaat over archeologie. En de conclusie gaat over journalistiek. Maar we beginnen bij de historische taalkunde.

Wetmatige verbanden

Lang geleden hadden wetenschapstheoretici het idee dat wetenschap bestond uit waarnemen, het herkennen van patronen of wetmatigheden, en het doen van voorspellingen. Voor een deel werkt het inderdaad zo. De taalkunde herkent bijvoorbeeld dat als een Latijns, Grieks of Oud-Indisch woord begint met een /p/, daar in de Germaanse talen vaak een /v/ of een /f/ stond. Als een nieuwe Germaanse taal zou kunnen worden ontdekt, mogen we aannemen dat het woord voor vader ook daar begint met een /v/ of een /f/.

De klankwetten hebben dus voorspellend vermogen en als het blijkt te kloppen, heet dat corroboratie. In de afgelopen kwart eeuw zijn nogal wat al bekende talen beter beschreven – denk aan de Indo-Europese talen van Centraal-Azië en Anatolië – en zijn ook allerlei nieuwe talen ontdekt, zoals de talen die zijn gedocumenteerd in de tienduizenden pas ontsloten inscripties uit de Arabische wereld. En de klankwetten blijken grosso modo correct. Uiteraard zijn er uitzonderingen, maar daar gaat mijn stukje niet over. Het gaat me er vandaag om dat we hier een visie hebben op het functioneren van wetenschap, die veronderstelt dat onze kennis van onderaf wordt opgebouwd. En dat deze visie bestaansrecht heeft. Ze wordt wel aangeduid als positivistisch, al is dat een term die steeds weer iets anders betekent.

Lees verder “Archeologie als sociale wetenschap”

Positivisme

David Ricardo

Een tijdje geleden schreef ik een blogje waarin ik eraan herinnerde dat een historicus niet alleen wat feitjes oplepelt, zoals Paul Schnabel denkt, maar het verleden ook probeert te verklaren. Dat wil zeggen: de gereconstrueerde feiten in verband brengen met andere feiten. Eén mogelijkheid om dat te doen is het zoeken van oorzaken (“causale verbanden” voor wie het deftig wil uitdrukken). Bij deze methode van verklaren wordt in feite gekeken naar de natuurwetenschappen.

De methode is dan ook eigenlijk wel redelijk bekend. Eerst observeren de onderzoekers de verschijnselen en na verloop van tijd herkennen ze regelmatigheden, die dan wordt aangeduid als een natuurwet. Een voorbeeld is de wet van Boyle, die behelst dat de druk van een gas omgekeerd evenredig is aan het volume. In de tweede fase worden voorspellingen getoetst die op de veronderstelde regelmatigheden zijn gebaseerd. Stemmen de nieuwe waarnemingen overeen met wat is voorspeld, dan is de wet bevestigd, althans voor het moment. (Voor wie het deftig wil uitdrukken: een en ander is “gecorroboreerd”.) Is er daarentegen geen overeenstemming, dan is de wet óf niet geldig óf incompleet en moet ze worden verfijnd. In ons voorbeeld is dit laatste het geval. De volledige wet van Boyle luidt immers dat de druk van een gas omgekeerd evenredig is aan het volume zolang de temperatuur en de hoeveelheid gas dezelfde blijven.

Lees verder “Positivisme”

7.000.000.000, deel 2

Newton

[Gisteren of vandaag zou deze planeet haar zeven miljardste bewoner erbij hebben gekregen. Een mooie aanleiding om een oud artikel over Robert Malthus, demografie en het ontstaan van de sociale wetenschappen af te stoffen. Dit is het tweede deel van een stuk dat in 2007 verscheen in Filosofie en bedrijf. Deel één is hier.]

Natuurwetten en menswetenschappen

Om het revolutionaire karakter van Malthus’ vorm van wetenschapsbeoefening te begrijpen, moeten we een flinke stap terugdoen in de tijd en ons bezighouden met enkele oude antwoorden op de vraag hoe we kunnen weten dat iets waar is.

In de Middeleeuwen bestond daarover geen twijfel. Alles wat in de bijbel stond, was waar. Als daarin over een bepaald onderwerp niets te lezen viel, kon men terecht bij een van de christelijke filosofen uit de Late Oudheid en als ook zij het antwoord schuldig bleven, dan waren er nog de Griekse en Romeinse geleerden. De middeleeuwers deden dus weinig om zelf kennis te vergaren, maar zochten het bij grotere deskundigen. De twaalfde-eeuwse filosoof Bernard van Chartres zei dat

wij zijn als dwergen, terechtgekomen op de schouders van reuzen. Wanneer we meer of verder kunnen zien dan zij, is het in geen geval door de scherpte van onze eigen blik of onze fysieke kwaliteiten, maar omdat we omhoog worden getild en zo de reuzenhoogte overtreffen.

Lees verder “7.000.000.000, deel 2”