
Dit stukje gaat over archeologie. En de conclusie gaat over journalistiek. Maar we beginnen bij de historische taalkunde.
Wetmatige verbanden
Lang geleden hadden wetenschapstheoretici het idee dat wetenschap bestond uit waarnemen, het herkennen van patronen of wetmatigheden, en het doen van voorspellingen. Voor een deel werkt het inderdaad zo. De taalkunde herkent bijvoorbeeld dat als een Latijns, Grieks of Oud-Indisch woord begint met een /p/, daar in de Germaanse talen vaak een /v/ of een /f/ stond. Als een nieuwe Germaanse taal zou kunnen worden ontdekt, mogen we aannemen dat het woord voor vader ook daar begint met een /v/ of een /f/.
De klankwetten hebben dus voorspellend vermogen en als het blijkt te kloppen, heet dat corroboratie. In de afgelopen kwart eeuw zijn nogal wat al bekende talen beter beschreven – denk aan de Indo-Europese talen van Centraal-Azië en Anatolië – en zijn ook allerlei nieuwe talen ontdekt, zoals de talen die zijn gedocumenteerd in de tienduizenden pas ontsloten inscripties uit de Arabische wereld. En de klankwetten blijken grosso modo correct. Uiteraard zijn er uitzonderingen, maar daar gaat mijn stukje niet over. Het gaat me er vandaag om dat we hier een visie hebben op het functioneren van wetenschap, die veronderstelt dat onze kennis van onderaf wordt opgebouwd. En dat deze visie bestaansrecht heeft. Ze wordt wel aangeduid als positivistisch, al is dat een term die steeds weer iets anders betekent.
Top-down en bottom-up
In de jaren zestig groeide het inzicht dat het in de praktijk allemaal wat genuanceerder werkte. Een archeoloog die keek naar het verleden en probeerde veranderingen te verklaren, kon tot op zekere hoogte nog wel hopen dat, als hij de vondsten bestudeerde, de patronen zich als het ware vanzelf aan hem openbaarden. Als je in West-Europa bij riviersplitsingen opvallend vak kostbare voorwerpen vindt, mag je redeneren dat je bij een nog nooit onderzochte riviersplitsing ook bedacht moet zijn op speciale vondsten. De gebruikelijke verklaring is dat hier cultusplaatsen waren.
De problemen ontstaan als je het verleden probeert te verklaren. Waarom is de samenleving de afgelopen millennia zoveel complexer geworden? Een marxistisch angehauchte archeoloog zou de verklaring kunnen zoeken in spanningen tussen de diverse klassen, een liberaal zou kunnen denken aan rivaliteit op individueel niveau, een technocraat kan aannemen dat technologische vernieuwing de motor is achter de vooruitgang. noot Vooraf gemaakte keuzes kunnen dus knap invloedrijk zijn. Bij gebrek aan ander woord zal ik dit aanduiden als ideologische aannames.
Kortom: we hebben aan de ene kant wetmatigheden, waardoor we als het ware bottom-up naar kennis komen, en aan de andere kant maken we, bij het verklaren van de processen, keuzes die meer top-down zijn. De ambitie was ooit, in de dagen van de zogeheten New Archaeology, dat archeologen de ideologische aannames zouden toetsen aan de hand van de patronen die ze in hun vondsten ontwaarden. Als je aanneemt dat een spanning tussen de diverse klassen de oorzaak is voor vooruitgang, en je vindt geen aanwijzingen dat mensen op verschillende manieren in het productieproces hebben gestaan, dan klopt er iets niet aan je marxistische aannames. Etc.
Hoe het kan (of niet)
Dit maakt archeologie tot een sociale wetenschap. Denk aan Eric Cline, die in het eerste van zijn twee 1177-boeken diverse verklaringen bood voor het einde van de mediterrane Bronstijd, compleet met toelichting dat bijvoorbeeld het idee dat er een verandering was opgetreden in de vorm van handel, marxistische wortels had. Of denk aan de historici. Het Brennerdebat is een mooi voorbeeld van de wijze waarop historici erin slaagden diverse marxistische opvattingen te toetsen.
Toch hoor je weinig meer over het toetsen van sociaalwetenschappelijke theorieën. Althans in de archeologie. Een deel van de verklaring zal zijn dat de grote ideologische tegenstellingen in de jaren negentig zijn geërodeerd. Iedereen lijkt wel neoliberaal te zijn – of althans, iedereen denkt dat mensen uitsluitend door geld worden gemotiveerd. Een ander deel van de verklaring is dat archeologen, sinds de studieduur in de jaren tachtig werd gereduceerd tot onder het wetenschappelijk minimum, onvoldoende wetenschapstheoretische bagage hebben. Een derde verklaring zou kunnen zijn dat archeologen liefst met de voeten in de klei zitten en weinig op hebben met theoretisch gebeuzel.
Maar toch. Wat zou ik er veel voor over hebben als de archeologie haar potentieel wat meer benadrukte. Je bent een wetenschap hoor, je toetst sociaalwetenschappelijke theorieën. Eric Cline deed het in zijn tweede 1177-boek weliswaar niet al te best (hij presenteerde een cirkelredenering), maar het kan dus wel.
En nu de journalistiek
Ik beloofde een conclusie over journalistiek. Het zou zo fijn zijn als wetenschapsjournalisten stopten met schrijven over vondsten. Ik weet het, persberichten over de vondst van een deel van de limes-weg, over een voorbijganger die een zeldzame munt vindt of over de identificatie van een uit teksten bekende nederzetting – zulke persberichten staan garant voor een vet stukje, waar weinig aan gedaan hoeft te worden om het te plaatsen. Maar je kunt de vraag stellen: welke sociaalwetenschappelijke theorie wordt getoetst? Als de archeologen daarop geen antwoord geven: gewoon niet plaatsen.
Dataverwerving is immers geen wetenschap maar een voorwaarde voor wetenschap. Het focus op dataverwerving geeft een verkeerd beeld van wat archeologen doen. Anders gezegd: focus bij wat je schrijft op wat archeologie is – het toetsen van sociaalwetenschappelijke inzichten – en biedt het publiek inzicht in het wetenschappelijke proces. Dat is de taak van een wetenschapsjournalist. De huidige, eenzijdige nadruk op dataverwerving draagt vooral bij aan een verkeerd beeld van de archeologie en helpt ongewild bij de sloop van het draagvlak voor het vak. Dat kan de bedoeling niet zijn.
[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

Nou ja, als er ergens munten of mummies worden gevonden is dat natuurlijk ook gewoon nieuws. En daarover schrijven is het werk van journalisten.
Ik zou het eerder een nieuwtje noemen. De Nederlandse archeologie komt alleen maar in het nieuws met nieuwtjes. Daardoor weet het publiek niet voldoende wat we aan archeologie hebben. De musea, die juist hier een taak hebben, spelen ook geen heldenrol. Terwijl we alle zeilen moeten bij zetten.
Het klopt dat nieuwtjes presenteren het werk is van journalisten. Alleen vind ik dit een erg beperkte taakopvatting. En dan heb ik het niet alleen over archeologie of wetenschap in het algemeen. Ik wil ook duiding die verder gaat dan onderbuikgevoelens of gezond verstand. Zonder een gedegen analyse van de nieuwtjes (waar ik het al dan niet mee eens ben – dat bepaal ik lekker zelf) hebben de nieuwtjes voor mij maar weinig nieuwswaarde.
Maar ja, ik sla dan ook al mijn hele leven berichtjes als “ongeval op de A7” over.
Dat klopt. Maar daar is ook niet in elk artikel ruimte voor. Ik zag net een bericht voorbij komen over Keltische vondsten en dat wil ik dan wel lezen, ook als er geen diepgravende analyse achter zit. Dus ik snap het probleem, maar “bericht er dan maar niet over” vind ik ook wel ver gaan.
Idealiter leidt het interessante weetje, het nieuwtje, het feitje door naar iets verdiepends. En dat is, zeker nu het meeste nieuws wordt verspreid via het internet, makkelijker dan ooit.
“hij presenteerde een cirkelredenering”
Dit is een stuk minder erg dan JonaL hier doet voorkomen. De eenvoudigste vorm is
a = b dus b = a dus a = b. En dat kan best het geval zijn – als we de waarden van a en b op de één of andere onafhankelijke manier kunnen vaststellen.
In het geval van Cline is corroboratie echter (nog) niet mogelijk door een praktisch probleem: gebrek aan empirische data. Dat erkent hij zelf:
“Cline is de eerste om te erkennen dat de data schaars en multi-interpretabel zijn.”
En dan is een cirkelredenering nog wel eens het beste wat we hebben. Zolang we erkennen dat de conclusies op drijfzand berusten is er bij gebrek aan beter niet zoveel aan de hand.
Wie wel eens iets gelezen heeft over donkere materie en donkere energie beseft dat in bv. natuurkunde ongeveer hetzelfde speelt.
Ja, maar laten we dan de waarden van a en b op die onafhankelijke manier(en) proberen vast te stellen, dan zien we vanzelf wel of a = b. De cirkelredenering hiervoor gebruiken is onzinnig en leidt tot foute conclusies. En ik kom ze nog regelmatig tegen hoor.
“De bluestones van Stonehenge zijn door mensen getransporteerd uit Zuid-West Wales over zo’n 200km. Dat is uitzonderlijk, normaal sjouwen ze die stenen niet meer dan een kilometer of 5. Maar Stonehenge is een uitzonderlijk monument, en voor een uitzonderlijk monument doen mensen uitzonderlijke dingen”.
Prima redenering. Drie pagina’s verder:
“Waarom is Stonehenge een uitzonderlijk monument? Nou, de stenen werden door mensen zo’n 200 km uit Zuid-West Wales getransporteerd, dat is uitzonderlijk.”
Neeeeeeeee!!!! Dat is een cirkelredenering, weg met dat boek! Echt, met cirkelredeneringen kan je alles aantonen, dan krijg je alleen maar onzin.
Journalisten moeten alle twee doen. Enerzijds het brengen van nieuws, het signaleren van nieuwe vondsten. Anderzijds in grotere stukken – die ze ook af en toe maken, of horen te maken – de achtergrond brengen.
Ja, we moeten allebei doen. Maar wat we opnieuw moeten leren is dat we vondsten benutten om door te leiden naar iets wezenlijkers.
Theo Toebosch moest ooit eens schrijven over wéér zo’n flauwe limes-vondst (een houten balk met een inscriptie zonder echte nieuwswaarde) en gebruikte het als opmaat om een verhaal te schrijven over de grenzen die er momenteel zijn aan de houtopslag. Zo kan het dus ook. En nu we online publiceren, is een linkje naar verdiepende informatie in een handomdraai gemaakt.
Data zonder theorie is betekenisloos, inderdaad.
Verder heb ik epistemologisch vlak wel wat opmerkingen (zeker ook tov mijn vakgenoten) maar dat zal moeten wachten tot ik niet meer met een baby zit haha.
Interessante afbeelding bij deze blog: ‘Gli archeologi’. Maar waarom zitten zij zo krom en niet rechtop?
Ook al hebben ze dan niet echt ogen, het lijkt erop dat ze kijken naar iets wat de rechter figuur vasthoudt.
Ik zou zeggen: ze zijn zorgzaam, beschermend.
Ja, zo kun je het ook zien.
Ideologische aannames, met een ander woord: speculaties. Het probleem is alleen dat door de schaarste aan feiten speculaties vaak niet meer zijn dan een slag in de lucht. Alle begrip voor archeologen die zich bij hun werk laten leiden door vermoedens over de context, maar ook alle begrip als ze hun goede naam niet in de waagschaal stellen door hun vermoedens te snel te promoveren tot sociaal wetenschappelijke theorieën.
En om eerlijk te zijn, spannende stukjes over interessante ontdekkingen, ik smul er ook van zonder sociaalwetenschappelijke inbedding
“Een marxistisch angehauchte archeoloog”
SP-archeologen? 😉